
43
RCZ_nl_Chap02_ouvertures_ed01-2015
STORING
V
ERGRENDELEN VAN DE
AUT
O
ZONDER
HET
ALARM
IN TE
SCHAKELEN
F Vergrendel de auto of schakel de supervergrendeling in met de
sleutel in het slot van het bestuurdersportier.
Als bij het aanzetten van het contact het verklikkerlampje van de knop
blijft branden, duidt dit op een storing in het systeem.
Laat dit controleren door het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats.
STORING AFST ANDSBEDIENING
Om de alarmsystemen uit te schakelen:
F
ontgrendel de auto met de sleutel in het slot van het
bestuurdersportier
,
F
open het portier; het alarm gaat af,
F
zet het contact aan: het alarm stopt en het verklikkerlampje van de
knop gaat uit.
AFGAAN VAN HET ALARM
Als het alarm voor de 11e keer afgaat, worden de alarmsystemen
uitgeschakeld.
Als het verklikkerlampje van de knop snel knippert bij het
ontgrendelen van de auto met de afstandsbediening, is het alarm
tijdens uw afwezigheid afgegaan. Het lampje stopt met knipperen
als het contact wordt aangezet.
Als het alarm afgaat, treedt de sirene in werking en knipperen de
richtingaanwijzers gedurende dertig seconden.
2 minuten na het sluiten van het laatste portier of de kofferklep, wordt
het systeem automatisch geactiveerd.
F
Om te voorkomen dat het alarm afgaat zodra u instapt, drukt u van
te voren op de ontgrendelknop van de afstandsbediening.
AUTOMATISCH INSCHAKELEN*
* Volgens bestemming.
2/
TOEGANG TOT DE AUTO

87
RCZ_nl_Chap05_securite_ed01-2015
RICHTINGAANWIjZERS
Wanneer bij een snelheid van meer dan 60 km/h de
richtingaanwijzers na meer dan 20 seconden nog niet zijn
uitgeschakeld, wordt automatisch het knippergeluid versterkt.
F
Links: duw de hendel omlaag, voorbij het zware punt.
F
Rechts: duw de hendel omhoog, voorbij het zware punt.
ALARMKNIPPERLICHTEN
Gebruik de alarmknipperlichten om het overige verkeer te waarschuwen
in het geval van file, pech, slepen of een ongeval.
F
Druk deze knop in: de richtingaanwijzers knipperen tegelijkertijd.
De alarmknipperlichten werken ook als het contact is afgezet.
AUTOMATISCH INSCHAKELEN VAN DE
ALARMKNIPPERLICHTEN
*
Bij een noodstop worden de alarmknipperlichten, afhankelijk van de
mate van remvertraging, automatisch ingeschakeld.
Zodra er weer gas wordt gegeven gaan de alarmknipperlichten uit.
F
U kunt de alarmknipperlichten echter ook uitschakelen door de
knop in te drukken.
Als het CDS/ASR wordt uitgeschakeld, worden de alarmknipperlichten
ook niet meer automatisch ingeschakeld. Raadpleeg de rubriek
"Stabiliteitscontrolesystemen - Uitschakelen".
* Behalve de uitvoering 1.6
THP
270 pk.
Drie keer knipperen
F Beweeg de schakelaar kort omhoog of omlaag, zonder deze door
de weerstand te drukken. De desbetref fende richtingaanwijzers
zullen drie keer knipperen.
5/
VEILIGHEID

91
RCZ_nl_Chap05_securite_ed01-2015
Uitschakelen
In bijzondere omstandigheden (als de auto vastzit in de modder,
sneeuw, in mulle grond,...) kan het nuttig zijn de systemen CDS en ASR
uit te schakelen, zodat de wielen kunnen spinnen en weer grip kunnen
krijgen.
Schakel deze systemen weer in zodra er weer voldoende grip is.
F
Druk op deze knop.
Het lampje van de knop gaat branden.
De systemen CDS en
ASR grijpen niet meer in op de werking van de
motor en het remsysteem als de auto uit de koers raakt.
Hierdoor wordt ook het automatisch inschakelen van de alarmknipperlichte\
n
uitgeschakeld (behalve bij de uitvoering 1.6
THP
270 pk).
Opnieuw inschakelen
Deze systemen worden automatisch weer ingeschakeld als het contact
opnieuw wordt aangezet.
U kunt de systemen ook handmatig weer inschakelen:
F
Druk nogmaals op deze knop.
Hierdoor wordt ook het automatisch inschakelen van de alarmknipperlichte\
n
weer ingeschakeld (behalve bij de uitvoering 1.6
THP
270 pk).
Storing
CDS/ASR
De systemen CDS en ASR zorgen voor meer veiligheid tijdens het
rijden. De bestuurder mag zich echter nooit laten verleiden tot het
nemen van meer risico's of te hard rijden.
In situaties die tot gladheid kunnen leiden (regen, sneeuw, ijzel)
wordt de kans dat de wielen hun grip verliezen groter. Het is voor
uw veiligheid dus van het grootste belang dat de systemen CDS
en ASR altijd ingeschakeld zijn, zeker als de omstandigheden
gevaarlijker worden.
De goede werking van deze systemen wordt verzekerd door de
naleving van de voorschriften van de fabrikant met betrekking tot
de wielen (banden en velgen), onderdelen van het remsysteem,
elektronische onderdelen alsmede de montageprocedure en het
uitvoeren van werkzaamheden door het PEUGEOT-netwerk.
Voor een doeltreffende werking van de systemen CDS en ASR
onder winterse omstandigheden is het noodzakelijk de auto te
voorzien van winterbanden voor en achter die ervoor zorgen dat
de wegligging zo neutraal mogelijk is. Als dit verklikkerlampje en het lampje van de uitschakelknop
gaan branden in combinatie met een geluidssignaal en een
melding, duidt dit op een storing in het systeem.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats
om het systeem te laten controleren.
Laat het systeem na een aanrijding controleren door het
PEUGEOT-netwerk of door een gekwalificeerde werkplaats.
5/
VEILIGHEID

185
RCZ_nl_Chap08_info-pratiques_ed01-2015
SLEPEN VAN UW AUTO
Sleepoog aan de voorzijde
F Maak het klepje in de voorbumper los door op de linkerkant ervan
te drukken.
F
Draai het sleepoog vast tot de aanslag.
F
Bevestig de sleepstang.
F
Zet de versnellingshendel in de neutraalstand (stand N
bij de
automatische transmissie).
Het niet naleven van dit voorschrift kan er toe leiden dat
bepaalde onderdelen (remsysteem, transmissie) beschadigd
raken en dat de rembekrachtiger na het starten mogelijk niet
meer werkt.
F
Deblokkeer het stuurslot door het contact aan te zetten en zet de
handrem vrij.
F
Schakel de alarmknipperlichten van beide auto's in.
F
Rijd voorzichtig weg en rijd langzaam. Leg geen grote afstanden af.
Wegslepen aan de achterzijde
In een noodsituatie waarbij de auto aan de achterzijde moet worden
weggesleept (bijvoorbeeld uit een parkeervak of, als de auto van de
weg is geraakt, uit de berm), kan gebruik worden gemaakt van het
sleepoog aan de achterzijde.
F
Maak het klepje in de achterbumper los door op de linkerkant ervan te dr\
ukken.
F Draai het sleepoog vast tot de aanslag.
F
Bevestig de sleepkabel.
F
Zet de versnellingshendel in de neutraalstand (stand N
bij de
automatische transmissie).
F
Schakel de alarmknipperlichten van beide auto's in.
F
Rijd voorzichtig weg om de auto te bevrijden.
* Behalve uitvoeringen met een symmetrisch dubbel uitlaatsierstuk.
SLEPEN VAN EEN ANDERE AUTO *
F Maak het klepje in de achterbumper los door op de linkerkant ervan
te drukken.
F
Draai het sleepoog vast tot de aanslag.
F
Bevestig de sleepstang.
F
Schakel de alarmknipperlichten van beide auto's in.
F
Rijd voorzichtig weg en rijd langzaam. Leg geen grote afstanden af.
8/
PRAKTISCHE INFORMATIE

190
RCZ_nl_Chap08_info-pratiques_ed01-2015
ACCESSOIRES
Een ruime keuze aan accessoires en originele onderdelen wordt u
aangeboden door het PEUGEOT-netwerk.
Deze accessoires en onderdelen zijn volledig aangepast aan uw auto,
zijn voorzien van een artikelnummer en beschikken over de garantie
van PEUGEOT.
"Comfort":
parkeerhulp vóór, thermomodule...
"Familie en recreatie":
bak in bagageruimte, bagagestopper, fietsendrager op
trekhaak, trekhaak met zonder gereedschap afneembare kogel,
trekhaakbedrading...
"Styling":
met leder en alcantara bekleed sportstuurwiel, met alcantara beklede
pookhoes, lichtmetalen velgen, koolstofvezel buitenspiegelkappen...
"Veiligheid":
inbraakalarm, graveren van ruiten, slotbouten, alcoholtest,
EHBO-trommel, brandblusser, gevarendriehoek, veiligheidsvest,
zitverhogingen en kinderzitjes, voertuigvolgsysteem voor lokalisering na\
diefstal, sneeuwkettingen, sneeuwsokken...
"Bescherming":
bak in bagageruimte, matten*, bumperstootlijsten, autohoes...
*
Om te voorkomen dat pedalen blijven hangen:
-
controleer of de mat goed op zijn plaats ligt en goed is bevestigd,
-
leg nooit meerdere matten op één plaats.
Bij montage van een trekhaak en bedrading door een andere dan
een dealer van het PEUGEOT
-netwerk, moeten de voorschriften
van de fabrikant worden opgevolgd.

202
RCZ_nl_Chap10a_BTA_ed01-2015
URGENCE-OPROEP OF A SSISTANCE - OPROEP
Druk in geval van nood langer dan 2 seconden op
deze toets. Het knipperen van het groene ledlampje en
een geluidssignaal bevestigen dat de oproep naar de
alarmcentrale "Peugeot Connect SOS" is verstuurd*.
Het groene ledlampje blijft branden (zonder te knipperen) wanneer de v\
erbinding
tot stand is gebracht. Aan het einde van het gesprek gaat het lampje uit.
Bij het aanzetten van het contact, gaat
het groene lampje 3 seconden branden.
Dit duidt op een goede werking van het
systeem.
Door deze toets meteen opnieuw in te drukken, wordt de aanvraag
geannuleerd.
Dit wordt bevestigd door een gesproken bericht.
Druk langer dan 2 seconden op deze toets voor het
aanvragen van hulp bij het stranden van de auto.
Een gesproken bericht bevestigt dat de oproep is
verstuurd**.
Door deze toets meteen opnieuw in te drukken, wordt de oproep
geannuleerd. Het groene ledlampje dooft. De annulering wordt bevestigd
met een gesproken bericht.
Om een oproep te annuleren kunt u ook de alarmcentrale "Peugeot
Connect SOS" melden dat de oproep per vergissing werd verstuurd.
De alarmcentrale "Peugeot Connect SOS" lokaliseert onmiddellijk uw
auto, neemt in uw landstaal contact met u op** en roept indien nodig de \
hulp in van de bevoegde hulpdiensten**. In landen waar de alarmcentrale \
niet operationeel is of wanneer de lokalisatie uitdrukkelijk is geweiger\
d,
wordt de oproep meteen doorgestuurd naar de hulpdiensten (112), zonder
lokalisatie. Wanneer de elektronische eenheid airbags een botsing heeft
waargenomen, wordt onafhankelijk van het eventueel afgaan van
de airbags, automatisch een noodoproep gedaan.
*
Afhankelijk van de algemene gebruiksvoorwaarden, die u bij uw verkooppun\
t
kunt opvragen, en de technische beperkingen van het systeem. Het oranje lampje knippert: er is een storing
in het systeem.
Het oranje lampje blijft branden: de
noodbatterij moet vervangen worden.
Raadpleeg in beide gevallen het
PEUGEOT-netwerk.
Wanneer u uw auto buiten het PEUGEOT-netwerk hebt gekocht, raden
wij u aan de aanwezigheid van deze diensten bij het netwerk te laten
controleren en eventueel configureren. In een meertalig land kunt u het
systeem laten configureren in de officiële landstaal van uw voorkeur .
Om technische redenenen, zoals het verbeteren van de diensten
PEUGEOT CONNECT, behoudt de constructeur zich het recht voor om op
elk willekeurig moment het telematicasysteem in de auto te wijzigen.
Peugeot Connect SOS Peugeot Connect Assistance
Werking van het systeem
** Afhankelijk van de geografische dekking van "Peugeot Connect SOS"
en "Peugeot Connect
Assistance" en van de officiële landstaal die door
de eigenaar van de auto is gekozen.
De lijst van de landen waar het systeem werkzaam is en de lijst van besc\
hikbare
diensten PEUGEOT CONNECT kunt u bij uw verkooppunt opvragen of op
www.peugeot.nl bekijken.

279
RCZ_nl_Chap11_Index-alpha_ed01-2015
Aanhangergewichten ...............192, 195
Aansluiting 12V.................................. 69
ABS met elektronische
remdrukregelaar
............................. 89
Accessoires
..................................... 190
Accu.................................. 148, 165-167
Accu laden
............................... 165, 167
Achterlichten
....................172, 175, 188
Achterruitverwarming......................... 63
Achteruitrijlicht
......................... 172, 175
Actieve motorkap
............................... 92
Afmetingen
...................................... 197
Afstandsbediening
................. 37, 38, 40
Afzetten van de motor
......................11 6
Airbags
.............................................. 99
Airbags vóór
............................ 100, 103
Airconditioning
................................... 10
Alarmknipperlichten
...........................87
Alarmsysteem
.................................... 41
Algemeen menu
.............................. 262
Aluminium dakbogen
....................... 188
Antiblokkeersysteem (ABS)
...............89
Antispinregeling (ASR)
................17, 90
Armleuning vóór
................................ 70
Asbak................................................. 69
Audio-aansluitingen
........... 71, 267, 269
Automatische airconditioning....... 60, 61
Automatische ruitenwissers
.........83, 85
Automatische transmissie
...10, 122, 149
Automatisch inschakelen alarmknipperlichten
......................... 87Automatisch inschakelen verlichting ...76, 79 Autoradio's
.........................................
36
AU
x -aansluiting
.......................
245, 269
Aux-aansluitingen
...................... 71, 267
A/ A/
Bagageruimte .................................... 49
Bagageruimte (openen) .....................37
Banden
.............................................. 10
Bandenreparatieset
.........................150
Bandenspanning........................ 10, 199
Bandenspanningscontrole (met set) .... 150
Bandenspanning te laag (detectie) .... 127
Batterij afstandsbediening
........... 39, 40
Batterij afstandsbediening vervangen
... 39
Bediening autoradio aan stuurkolom ...261
Bekerhouder ...................................... 67
Beladen
............................................. 10
Benzinemotor
.................. 140, 142, 192
Beveiliging tegen beknellen
............... 44
Beweegbare spoiler
........................... 93
Binnenspiegel
.................................... 57
Bluetooth (handsfree set)
........ 226, 270
Bluetooth (telefoon)
......................... 226
Bochtverlichting
......................... 82, 170
Boordcomputer
............................ 27, 29
Brandstof
................................... 10, 140
Brandstofniveaumeter
..................... 139
Brandstoftank
.................................. 139
B/ B/
C/
Brandstof tanken
.....................139, 140
Brandstoftank leeg (diesel) ..............144
Brandstofverbruik
.............................. 10
Brandstofvulklep
.............................. 139
Buitenspiegels
............................. 55, 56
Carrosserie
...................................... 188
CD MP3
........................................... 266
CD-/MP3 -speler
.............................. 266
Centrale vergrendeling
................38, 47
CHECK
.............................................. 25
Claxon
............................................... 88
Configuratie van de auto
.............30, 34
Contact
............................................. 11
8
Controle motorolieniveau................... 21
Controles
................. 142, 143, 148, 149
INDEx
INDEX