
Rijden
128
208_nl_Chap06_conduite_ed01-2016
Programma Sport
Dit specifieke programma vult de
automatische werking aan onder bijzondere
rijomstandigheden. F
D
ruk bij draaiende motor op de
toets "S" .
Het schakelprogramma maakt dan automatisch
een dynamische rijstijl mogelijk.
Op het instrumentenpaneel verschijnt de
aanduiding "S" .
Programma Sneeuw Terugkeren naar het
automatische programma
Parkeren van de auto
De automatische transmissie kan
beschadigd raken:
F
a
ls u gelijktijdig het gas- en het
rempedaal intrapt,
F
a
ls u, wanneer de accu geen
stroom levert, de selectiehendel
geforceerd in de stand P of een
andere stand zet.
Als u langere tijd stilstaat met draaiende
motor (files...), kunt u, om brandstof te
besparen, de selectiehendel in de stand
N zetten en de parkeerrem aantrekken.
Als de selectiehendel niet in de stand
P staat, wordt bij het openen van
het bestuurdersportier of ongeveer
45
seconden nadat het contact is
afgezet een waarschuwingsmelding
weergegeven op het display.
F
Z
et de selectiehendel in de stand P ;
de waarschuwingsmelding verdwijnt.
Rijd altijd stapvoets wanneer u op
een ondergelopen weg rijdt of bij het
door waden van een diepe plas.
Als bij aangezet contact dit
verklikkerlampje gaat branden in
combinatie met een geluidssignaal en een
waarschuwingsmelding op het display,
duidt dit op een storing in de transmissie.
In dit geval werkt de transmissie met een
noodprogramma en blijft de 3e versnelling
ingeschakeld. U kunt dan een hevige schok
voelen bij het selecteren van R vanuit de
stand P , of R vanuit de stand N . Dit heeft geen
schadelijke gevolgen voor de transmissie.
Rijd in deze situatie niet harder dan 100
km/h
(afhankelijk van de geldende snelheidslimiet).
Raadpleeg zo snel mogelijk het PEUGEOT-
netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.
Dit specifieke programma vult de automatische
werking aan. Het vergemakkelijkt het wegrijden
en verbetert de tractie op wegen met weinig
grip. Voordat u de motor afzet:
F
Z
et de auto stil.
F
Z
et de selectiehendel in de stand P of N .
F
T
rek de parkeerrem aan.
F
D
ruk op de knop T als de motor
draait.
De transmissie past zich aan voor het rijden op
gladde wegen.
Op het instrumentenpaneel verschijnt de
aanduiding T . F
U k
unt op elk moment terugkeren
naar de auto-adaptieve stand door
nogmaals op de knop te drukken
om het programma Sport uit te
schakelen.

Rijden135
208_nl_Chap06_conduite_ed01-2016
Activeren/onderbreken
Knipperen van de snelheid
Overschrijden van de
ingestelde snelheidslimiet
Als het gaspedaal geleidelijk wordt ingetrapt,
wordt de snelheid niet verhoogd. Als het
gaspedaal met kracht wordt ingetrapt, tot
voorbij het zware punt , wordt de begrenzer
tijdelijk uitgeschakeld, gaat de ingestelde
snelheid op het display knipperen en klinkt een
geluidssignaal.
Verminder om de snelheidsbegrenzer weer in
te schakelen uw snelheid tot deze lager is dan
de ingestelde snelheid. De snelheid knippert:
-
a
ls het gaspedaal tot voorbij het zware punt
wordt ingetrapt,
-
a
ls de snelheidsbegrenzer door het profiel
van de weg of tijdens een steile afdaling
niet kan voorkomen dat de snelheid
toeneemt,
- bij krachtig accelereren.
Storing
De ingestelde snelheid wordt gewist en op het
display worden in plaats daarvan drie streepjes
weergegeven.
Laat het systeem controleren door het PEUGEOT-
netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.
De laatste ingestelde snelheid blijft in het
geheugen opgeslagen.
Druk op deze toets om de snelheidsbegrenzer
te activeren. Druk er nogmaals op om de
snelheidsbegrenzer te onderbreken (OFF)
.
F
Z
et de draaiknop in de stand 0 of zet het
contact af om het systeem uit te schakelen.
Uitschakelen van de functie
Bij het gebruik van de
snelheidsbegrenzer moet de bestuurder
te allen tijde de snelheidslimiet in acht
nemen en zijn aandacht op het verkeer
gevestigd houden.
Let op uw snelheid als deze door het profiel
van de weg of door snel accelereren kan
worden overschreden, zodat u optimaal de
controle over uw auto kunt bewaren.
Om te voorkomen dat de bediening van
de pedalen wordt gehinderd:
-
controleer of de mat goed op zijn plaats
ligt en goed op de vloer is bevestigd,
- leg nooit meerdere matten op elkaar.
6

Rijden
138
208_nl_Chap06_conduite_ed01-2016
Let tijdens het wijzigen van de
ingestelde snelheid op wanneer u
de snelheid instelt door de toets
ingedrukt te houden; dit kan een snelle
verandering van de wagensnelheid
veroorzaken.
Gebruik de snelheidsregelaar niet op
gladde wegen of bij zeer druk verkeer.
Bij een steile afdaling kan de
snelheidsregelaar niet voorkomen dat de
ingestelde snelheid wordt overschreden.
Bij het gebruik van de snelheidsregelaar
moet de bestuurder te allen tijde de
snelheidslimiet in acht nemen en zijn
aandacht op het verkeer gevestigd houden.
Om te voorkomen dat de werking van
de pedalen wordt geblokkeerd:
-
c
ontroleer of de mat goed op zijn
plaats ligt en goed op de vloer is
bevestigd,
-
g
ebruik nooit meer dan één mat per
plaats.
Storing
De ingestelde snelheid wordt gewist en op het
display worden in plaats daarvan drie streepjes
weergegeven.
Laat het systeem controleren door het
PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats.
Uitschakelen van de functie
Zonder het gaspedaal te bedienen
Met behulp van het gaspedaal
Om de ingestelde snelheid te verlagen :
-
D
ruk op de toets SET +
.
Druk de toets kort in om de snelheid met
1 km/h te verhogen.
Houd de toets ingedrukt om de snelheid in
stappen van 5 km/h te verhogen.
-
O
verschrijd de ingestelde snelheid
tot de gewenste snelheid is bereikt.
-
D
ruk op de toets SET + of SET -
.
-
D
ruk op de toets SET - .
Druk de toets kort in om de snelheid met 1 km/h te verlagen.Houd de toets ingedrukt om de snelheid in
stappen van 5
km/h te verlagen. -
Z
et de draaiknop in de stand "0"
: de
selectie van de snelheidsregelaar wordt
ongedaan gemaakt. Op het display wordt
weer de kilometerstand weergegeven.
Bij het afzetten van het contact wordt de
ingestelde snelheid gewist.

Rijden
144
208_nl_Chap06_conduite_ed01-2016
Parkeerhulp
Inschakelen van de
achteruitversnelling
Een geluidssignaal bevestigt dat het systeem
in werking treedt zodra de achteruitversnelling
wordt ingeschakeld.
Een geluidssignaal geeft de afstand tot het
obstakel aan. Hoe dichter de auto bij het
obstakel komt, hoe korter de tijd tussen de
geluidssignalen is.
Als de auto minder dan ongeveer 30 centimeter
van het obstakel ver wijderd is, is het
geluidssignaal continu hoorbaar. De weergave op het display is een aanvulling
op het geluidssignaal. Op het display worden
blokjes weergegeven die de auto steeds dichter
naderen. Als de auto het obstakel zeer dicht
genaderd is, verschijnt het symbool "Gevaar".
De parkeerhulp met geluidssignalen (voor
en achter) en/of een grafische weergave
(achter) bestaat uit parkeersensoren die zijn
aangebracht in de bumpers.
Het systeem waarschuwt de bestuurder voor
elk obstakel (persoon, auto, boom, hek, …) dat
zich binnen het bereik van het systeem achter
de auto bevindt.
Het waarschuwt u niet voor objecten die zich
direct onder de bumper bevinden.
Paaltjes, pionnen bij wegwerkzaamheden of
gelijksoortige voorwerpen worden waargenomen
bij aanvang van de aanrijmanoeuvre, maar niet
meer wanneer de auto te dicht genaderd is.
Weergave op het display

Rijden153
208_nl_Chap06_conduite_ed01-2016
Resetten
Elke keer nadat u een of meer banden op
spanning hebt gebracht en na het verwisselen
van een of meer wielen, moet u het systeem
resetten.Controleer voordat u het systeem
gaat resetten of de spanning van
de vier banden overeenkomstig de
gebruiksomstandigheden van de auto
en de voorschriften op de sticker met
de bandenspanningen is.
Het waarschuwingssysteem voor
te lage bandenspanning is alleen
betrouwbaar als de vier banden tijdens
het resetten de juiste spanning hebben.
Het bandenspanningscontrolesysteem
geeft geen meldingen als de
bandenspanning bij het resetten onjuist is.
F Druk met aangezet contact en stilstaande auto gedurende
ongeveer drie seconden op deze
knop en laat de knop vervolgens
los; het resetten wordt bevestigd
door een geluidssignaal.
De nieuw opgeslagen drukwaarden
worden door het systeem beschouwd
als referentiewaarden.
Het resetten van het systeem moet gebeuren
bij afgezet contact en stilstaande auto.
F
D
ruk op " Initialisatie
bandensp.controle ".
Via het menu "
Rijhulpsysteem " van
het touchscreen:
F
Bevestig het resetten door op de toets " Ja "
te drukken. Als het resetten is voltooid, klinkt
een geluidssignaal en wordt een melding
weergegeven.
Storing
Als het waarschuwingslampje te lage
bandenspanning gaat knipperen en vervolgens
blijft branden in combinatie met het lampje
Service, wijst dit op een storing in het systeem.
In dat geval werkt de bandenspanningscontrole
mogelijk niet goed.
Laat het systeem controleren door
het PEUGEOT-netwerk of door een
gekwalificeerde werkplaats.
Touchscreen Display A
Controleer na werkzaamheden aan
het systeem altijd de spanning van
de vier banden en reset het systeem
vervolgens.
6

Praktische informatie155
208_nl_Chap07_informations-pratiques_ed01-2016
Na het tanken:
F b reng de dop aan,
F
d
raai de sleutel naar rechts en ver wijder
deze vervolgens uit de dop,
F
s
luit de brandstoftankklep.
Diesel
Als het roetfilter vervuild is, wordt
u hierop geattendeerd door
het permanent branden van dit
lampje in combinatie met een
waarschuwingsmelding op het
display (volgens uitvoering).
Bij een nieuwe auto kunt u de
eerste paar keer dat het roetfilter
geregenereerd wordt een brandlucht
ruiken; dit is normaal.
Als langdurig met zeer lage snelheid
wordt gereden of de motor langdurig
stationair draait, kan bij gasgeven
soms rook uit de uitlaat waargenomen
worden. Dit heeft geen invloed op de
prestaties en heeft geen gevolgen voor
het milieu.
Ga om het roetfilter te regenereren, zodra de
omstandigheden het toelaten, met een snelheid
van minimaal 60
km/h rijden tot het lampje dooft.
Als het lampje blijft branden is het minimum
brandstofadditiefniveau bereikt: raadpleeg de
paragraaf "Niveau brandstofadditief". Bijvullen
Laat het bijvullen zo spoedig mogelijk uitvoeren
door het PEUGEOT-netwerk of door een
gekwalificeerde werkplaats.
Brandstofadditief (diesel)
Een te laag additiefniveau
wordt aangegeven door het
verklikkerlampje Service in
combinatie met een geluidssignaal
en een melding op het display
(volgens uitvoering).
Brandstofafsluiter
Voor uw veiligheid wordt bij een aanrijding de
brandstoftoevoer door de brandstof-afsluiter
onderbroken.
Roetfilter
Wanneer er brandstof wordt getankt
die niet geschikt is voor de motor
van uw auto, moet de tank worden
afgetapt en weer met de juiste
brandstof worden gevuld alvorens de
motor opnieuw kan worden gestar t.
7

Praktische informatie
172
208_nl_Chap07_informations-pratiques_ed01-2016
Niveau te laag
Als het motorolieniveau te laag is, gaat het
symbool " OIL" knipperen of wordt een melding
op het instrumentenpaneel weergegeven.
Controleer het olieniveau met de peilstok. Als
blijkt dat het olieniveau te laag is, moet olie
worden bijgevuld om te voorkomen dat ernstige
motorschade ontstaat.
Storing
Als de motorolieniveaumeter defect is, gaat het
symbool " OIL _ _" knipperen of wordt een melding
op het instrumentenpaneel weergegeven.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats.
Niveau correct
Het is normaal om tussen twee
onderhoudsbeurten (of tussen twee
keer olie verversen) olie bij te vullen.
PEUGEOT adviseert u elke 5000
km het
olieniveau te controleren met de peilstok
en indien nodig olie bij te vullen.
Elektronische olieniveaumeter
Het olieniveau wordt enkele seconden na
het aanzetten van het contact automatisch
gecontroleerd, waarbij een melding verschijnt op
het display of het scherm (volgens uitvoering).
Het weergegeven niveau is alleen betrouwbaar als de
auto op een vlakke, horizontale ondergrond staat en
de motor ten minste 30
minuten niet heeft gedraaid.
Vermijd langdurig huidcontact met
afgewerkte olie en andere vloeistoffen.
De meeste van deze vloeistoffen zijn
bijtend en schadelijk voor de gezondheid.
Gooi afgewerkte olie en andere
vloeistoffen niet in het riool, in het water
of op de grond.
Deponeer afgewerkte olie in de
daarvoor bestemde containers
bij het PEUGEOT-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats.
Afgewerkte producten

227
208_nl_Chap10b_SMEGplus_ed01-2016
Volumeregeling (voor elke bron afzonderlijk,
ook voor verkeersinformatieberichten (TA) en
navigatieaanwijzingen).Druk op Menu
om het keuzemenu
voor de menu's weer te geven.
Druk op SRC om het keuzemenu
voor de geluidsbronnen weer te
geven.
Bij draaiende motor wordt het geluid
onderbroken door de toets in te drukken.
Bij afgezet contact wordt het systeem
ingeschakeld door de toets in te
drukken.
Selecteren van de geluidsbron (volgens
uitvoering):
-
R
adio FM / DAB* / AM.
-
"USB"-stick.
-
C
D-speler (in het dashboardkastje)*.
-
S
martphone via MirrorLink
TM of CarPlay®.
-
T
elefoon aangesloten via Bluetooth* en
streaming-verzending via Bluetooth*.
-
M
ediaspeler aangesloten via de AUX-
aansluiting (Jack, kabel niet meegeleverd).
-
J
ukebox*, na audiobestanden te hebben
gekopieerd op het interne geheugen van
het systeem.
* Volgens uitrusting.
Sneltoetsen: met behulp van de toetsen in
de bovenste balk van het touchscreen, is
het mogelijk direct de geluidsbron of de lijst
met zenders (of titels, afhankelijk van de
geluidsbron) te kiezen.
Het is een "resistief " scherm dat
voelbaar aangeraakt moet worden, met
name bij bewegingen (door een lijst
bladeren, scrollen over de kaart, enz.).
Lichtjes aanraken is niet voldoende.
Als het scherm met meerdere
vingers wordt aangeraakt, worden de
commando's niet opgevolgd.
Het scherm kan ook worden bediend
als u handschoenen draagt. Dankzij
deze technologie kan het scherm bij
elke temperatuur worden gebruikt. Als het zeer warm is in het interieur,
kan het geluidsvolume worden beperkt
om het systeem te beschermen. Zodra
de temperatuur in het interieur is
gezakt, zal de oorspronkelijke instelling
weer worden gebruikt.
Gebruik voor het schoonmaken van
het display een zacht, niet-schurend
doekje (bijvoorbeeld een brillendoekje)
zonder schoonmaakmiddel.
Raak het scherm niet met een puntig
voor werp aan.
Raak het scherm niet met vochtige
handen aan.
10
Audio en telematica