
79
Het parkeerlicht en het dimlicht worden
automatisch ingeschakeld als de lichtsterkte
van de omgeving onvoldoende is of in
bepaalde gevallen dat de ruitenwissers worden
ingeschakeld.
De verlichting wordt uitgeschakeld als de
lichtsterkte van de omgeving weer voldoende is
of nadat het wissen is gestopt.
Modus AUTO
Inschakelen
F Draai de ring in de stand "AUTO". Het
inschakelen wordt bevestigd door een
melding op het display.
Uitschakelen
F Draai de ring in een andere stand. Het uitschakelen wordt bevestigd door een
melding op het display.
Automatische follow me home-
verlichting
De koppeling van de automatische follow me
home-verlichting aan de automatische verlichting
biedt de volgende extra mogelijkheden:
- instellen van de duur van de follow me home-verlichting (15, 30 of 60 seconden),
-
a
utomatische inschakeling van de follow
me home-verlichting als de automatische
verlichting is ingeschakeld. Bij een storing in de lichtsensor
gaat de verlichting branden,
Als de lichtsensor bij mist of sneeuw
voldoende licht waarneemt, wordt
de verlichting niet automatisch
ingeschakeld.
Dek de met de regensensor
gecombineerde lichtsensor die zich in
het midden van de voorruit achter de
binnenspiegel bevindt, niet af. De aan
de sensor gekoppelde functies worden
dan niet meer bediend.
Configuratie
Druk op "MENU" om het
"HOOFDMENU" weer te geven.
Selecteer "Rijden" .
Selecteer "Secundaire pagina" .
Selecteer het tabblad
"Rijhulpsysteem" .
Activeer de functie "Follow me
home-verlichting" .
Selecteer "Configuratie auto"
.Uitschakelen
Inschakelen Deactiveer de functie "Follow me
home-verlichting"
.
wordt dit pictogram weergegeven op het
instrumentenpaneel en/of verschijnt een
melding op het display in combinatie met een
geluidssignaal.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats.
4
Verlichting en zicht

83
Dagrijverlichting
De dagrijverlichting is verplicht in sommige
landen en wordt automatisch ingeschakeld
als de motor wordt gestart zodat de auto
overdag beter zichtbaar is voor de overige
weggebruikers.
LED-verlichting
Deze wordt automatisch ingeschakeld als de
motor wordt gestart.
Afhankelijk van het land van bestemming doet
deze verlichting dienst als:
-
d
agrijverlichting* en als parkeerlicht
's nachts (bij dagrijverlichting is de
lichtsterkte groter),
of als
-
p
arkeerlichten overdag en 's nachts.
*
F
unctie kan worden ingesteld via het
configuratiemenu van de auto. De dagrijverlichting is beschikbaar:
-
i
n landen waar dit volgens de wetgeving
verplicht is; het dimlicht brandt in
combinatie met de parkeerlichten en de
kentekenplaatverlichting; deze functie kan
niet worden uitgeschakeld.
-
i
n overige landen; er branden speciale
lichtunits (gloeilampen of LED's); deze
functie kan worden in- en uitgeschakeld via
het configuratiemenu van de auto.
De lichtschakelaar moet in de stand "0" of
"AUTO" (verlichting overdag) staan.
Het uitschakelen van de dagrijverlichting
vindt plaats als de lichtschakelaar wordt
bediend of als de motor weer wordt gestart;
het inschakelen van de dagrijverlichting vindt
onmiddellijk plaats.
De verlichting van de cockpit (instrumentenpaneel,
multifunctioneel display, bedieningspaneel
airconditioning, ...) gaat niet branden, behalve
wanneer deze bij donker automatisch wordt
ingeschakeld of wanneer de verlichting wordt
ingeschakeld (handmatig of automatisch).
4
Verlichting en zicht

Veiligheid91
208_nl_Chap05_securite_ed01-2015
Antiblokkeersysteem (ABS) en elektronische
remdrukregelaar (REF)
Trap het rempedaal bij een noodstop
krachtig en volledig in en laat het
niet los.
Zorg er bij vervanging van de wielen (banden
en velgen) voor dat wielen worden gemonteerd
die voor uw auto zijn gehomologeerd.
De normale werking van het
antiblokkeersysteem kan merkbaar zijn
door het trillen van het rempedaal.
Als dit lampje blijft branden, duidt dit
op een storing in het ABS-systeem.
Als dit lampje gaat branden in
combinatie met de verklikkerlampjes
STOP
en ABS, een geluidssignaal
De normale remwerking van uw auto blijft
behouden. Rijd wel voorzichtig en matig uw
snelheid.
en een melding op het display, duidt dit op een
storing in de elektronische remdrukregelaar.
Zet de auto zo snel mogelijk op een veilige
plaats stil.
Laat in beide gevallen zo snel mogelijk uw auto
controleren door het PEUGEOT-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats.
Dynamische stabiliteitscontrole
(CDS) en antispinregeling (ASR)
Deze systemen worden automatisch
ingeschakeld zodra de motor wordt gestart.
Gedurende een ingreep van de
dynamische stabiliteitscontrole of
de antispinregeling knippert het
desbetreffende verklikkerlampje op
het instrumentenpaneel.
5

Rijden
118
208_nl_Chap06_conduite_ed01-2016
Starten
Versnellingsbak Contact
Hang geen zware voor werpen aan de
sleutel of de afstandsbediening: dit kan
namelijk storingen aan het contactslot
veroorzaken.
Bovendien kunnen deze voorwerpen
bij het activeren van de airbag vóór
ernstige verwondingen veroorzaken.
In de originele sleutel is een gecodeerde chip
aangebracht. Als het contact wordt aangezet,
kan alleen worden gestart als de code van de
chip wordt gedetecteerd en herkend.
Deze diefstalbeveiliging blokkeert het
motormanagementsysteem zodra het contact
wordt afgezet en voorkomt zo het starten van
de motor bij een inbraak.
Elektronische startblokkering
Bewaar de sticker die u bij de aflevering
van uw auto samen met de sleutels is
overhandigd op een plaats buiten de
auto. Met behulp van deze sticker kan
de originele code in een nieuwe sleutel
worden geprogrammeerd.
Bij een storing in het systeem
wordt u gewaarschuwd door het
Handgeschakelde versnellingsbak
F Zet de versnellingshendel in de neutraalstand.Praktische informatie
Automatische transmissie
F Zet de selectiehendel in de stand P of N .
Elektronisch gestuurde
versnellingsbak
F Zet de selectiehendel in de stand N.
Stuurwiel
In bepaalde gevallen (bijvoorbeeld als
de wielen niet in de rechtuitstand staan)
moet veel kracht worden gezet bij het
draaien aan het stuurwiel.
Starten
F Steek de sleutel in het contactslot. H
et systeem herkent de code van de
startblokkering.
F
O
ntgrendel het stuurslot door gelijktijdig aan
het stuur wiel en aan de sleutel te draaien.
F
D
raai de sleutel maximaal rechtsom in de
stand 3
(Star ten).
F
L
aat zodra de motor draait de sleutel los. verklikkerlampje in combinatie met een
geluidssignaal en de melding op het display.
Uw auto kan dan niet gestart worden. Raadpleeg
zo snel mogelijk het PEUGEOT-netwerk.

Rijden121
208_nl_Chap06_conduite_ed01-2016
Parkeerrem
Aantrekken
F Trek de hefboom van de parkeerrem aan om uw auto stil te zetten.
Vrijzetten
F Trek de hefboom van de parkeerrem licht omhoog, druk de ontgrendelknop in en duw
de hefboom geheel omlaag. Als de handrem een te grote slag heeft
of als het systeem minder goed werkt,
moet de handrem, zelfs tussen twee
onderhoudsbeurten door, worden
afgesteld.
Laat dit veiligheidssysteem controleren
door het PEUGEOT-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats.
Als tijdens het rijden dit
verklikkerlampje en het
verklikkerlampje STOP
branden in
combinatie met een geluidssignaal
en een melding op het display, geeft
dit aan dat de parkeerrem nog (iets)
is aangetrokken. Denk er bij het
vrijzetten van de parkeerrem aan om
de hefboom volledig te laten zakken. Draai bij het parkeren van de auto
op een steile helling de wielen vast
tegen het trottoir, trek de parkeerrem
aan, schakel een versnelling in (de
achteruitversnelling als de auto
bergafwaarts is geparkeerd) en zet het
contact uit.
Vergeet bij vertrek voordat u de auto
start niet dat de auto in de versnelling
staat.
6

Rijden
122
Schakel de achteruitversnelling alleen
in als de auto stilstaat en de motor
stationair draait. Voor uw veiligheid en om het starten
van de motor te vergemakkelijken:
-
zet de versnellingshendel altijd in
de neutraalstand,
- trap het koppelingspedaal in.
Zes versnellingen
Inschakelen van de achteruitversnelling
Handgeschakelde versnellingsbak
Vijf versnellingen
)
Beweeg de versnellingshendel zo ver
mogelijk naar rechts om de 5 e of de 6 e
versnelling in te schakelen.
)
Beweeg de versnellingshendel zo ver
mogelijk naar rechts om de 5e versnelling
in te schakelen.
Inschakelen van de achteruitversnelling
)
Beweeg de versnellingshendel zo ver
mogelijk naar rechts en ver volgens naar
achteren. )
Trek de ring onder de pookknop omhoog
en beweeg de versnellingshendel zo ver
mogelijk naar links en ver volgens naar
voren.
Op het display van het instrumentenpaneel
wordt de schakelindicator met de
geadviseerde versnelling weergegeven.
Schakel de achteruitversnelling alleen
in als de auto stilstaat en de motor
stationair draait.

Rijden123
208_nl_Chap06_conduite_ed01-2016
Elektronisch gestuurde versnellingsbak
Vijf versnellingen Zes versnellingen
R. Achteruit.
N. N
eutraalstand.
A.
A
utomatische stand.
M.
H
andgeschakelde stand.
R. A
chteruit.
N. N
eutraalstand.
A.
A
utomatisch schakelprogramma.
M.
H
andmatig schakelen.
Automatisch
schakelprogramma
In deze stand wordt automatisch geschakeld,
zonder tussenkomst van de bestuurder.
Starten en wegrijden
Selectiehendel in de stand N .
F
H
oud het rempedaal stevig
ingetrapt.
F
S
tart de motor.
F
Z
et de selectiehendel in de stand A of R .
F
L
aat het rempedaal los en geef voorzichtig
gas.
Als de motor niet aanslaat:
-
Als " N" knippert op het
instrumentenpaneel, zet dan de
selectiehendel in de stand A en vervolgens
in de stand N .
-
Als de melding "Voet op het rempedaal" wordt
weergegeven, trap dan stevig het rempedaal in.
De geselecteerde stand A , R of N van de
selectiehendel wordt weergegeven op het
display.
U kunt op elk gewenst moment overschakelen
van de stand A naar M en van M naar A.
6

Rijden
124
208_nl_Chap06_conduite_ed01-2016
Stoppen op een helling
Houd de auto niet stil met het gaspedaal maar
gebruik hiervoor de parkeerrem.
Parkeren van de auto
Zet de selectiehendel in de stand N en trek de
parkeerrem aan.
Handmatig schakelen
In deze sequentiële stand kunt u zelf
schakelen. F
B
eweeg de selectiehendel kort
naar voren om op te schakelen.
F
B
eweeg de selectiehendel
kort naar achteren om terug te
schakelen.
F
Z
et de selectiehendel in de stand M .
Schakelflippers aan de stuurkolom
U kunt tijdelijk handmatig schakelen,
bijvoorbeeld om even snel in te halen, ter wijl de
automatische stand blijft ingeschakeld.
F
Bedien de flippers "+" of "-" achter het stuurwiel.De desbetreffende versnelling wordt
ingeschakeld als het motortoerental dit
toestaat. De aanduiding AUTO blijft op het
display van het instrumentenpaneel staan.
Als de flippers enige tijd niet meer gebruikt
worden, gaat de versnellingsbak weer over op
de automatische stand.
Tijdelijk handmatig schakelen
F Druk op de achterzijde van de schakelflipper "+" om op te schakelen.
F
D
ruk op de achterzijde van de
schakelflipper "-" om terug te schakelen.
De ingeschakelde versnelling wordt
weergegeven op het display.