
28
208_nl_Chap01_instruments-bord_ed01-2016
Opnieuw weergeven van de
onderhoudsinformatie
U kunt op elk moment de onderhoudsinformatie
weergeven.
F
Druk op de knop voor nulstelling van de dagteller. De onderhoudsinformatie wordt enkele seconden weergegeven en verdwijnt
vervolgens weer.
Druk, als de dagteller wordt weergegeven,
enkele seconden op de knop.
Nulstelling dagteller
Als u na deze handeling de accu wilt
loskoppelen, vergrendel dan de auto
en wacht minimaal 5 minuten. Het op
0
zetten van de onderhoudsindicator zal
anders niet worden opgeslagen.
Op 0 zetten van de
o nderhoudsindicator
De onderhoudsindicator moet na elke
onderhoudsbeurt op 0
gezet worden.
Als u zelf het onderhoud van uw auto uitvoert:
F
zet
het contact af,
F
d
ruk op de resetknop van de dagteller en
houd deze ingedrukt,
F
z
et het contact aan; de kilometerteller
begint terug te tellen,
F
l
aat de knop los als het display "=0"
aangeeft; de sleutel verdwijnt.
Praktische informatieBij de uitvoeringen met een BlueHDi-
dieselmotor wordt deze waarschuwing
gecombineerd met het permanent
branden van het verklikkerlampje
Service (zodra het contact is aangezet).
De factor tijd kan worden meegewogen
bij de nog af te leggen kilometers,
afhankelijk van de rijgewoonten van de
bestuurder.
De sleutel kan dus ook gaan
branden als de tijd sinds de laatste
onderhoudsbeurt, zoals aangegeven
in het onderhoudsschema van de
fabrikant, is overschreden.
Bij de uitvoeringen met een BlueHDi-
dieselmotor kan de sleutel ook
voortijdig gaan branden vanwege de
mate van vervuiling van de motorolie.
De vervuiling van de motorolie is
afhankelijk van de rijomstandigheden
van de auto.
Instrumentenpaneel

30
208_nl_Chap01_instruments-bord_ed01-2016
Boordcomputer
Display van het instrumentenpaneel
F Druk herhaaldelijk op de toets op het uiteinde van de ruitenwisserschakelaar
om de verschillende gegevens weer te
geven. -
A ctuele informatie:
● actieradius,
● actueel
br
andstofverbruik,
● de
teller van het Stop & Start-systeem.
-
Traject "1":
● gemiddelde
s
nelheid,
● gemiddeld
b
randstofverbruik,
● de
afgelegde afstand,
v
oor het eerste traject.
-
Traject "2" :
● gemiddelde
s
nelheid,
● gemiddeld
b
randstofverbruik,
● de
afgelegde afstand,
v
oor het tweede traject.
Traject resetten
F Druk zodra het gewenste traject wordt aangegeven de toets op het uiteinde van
de ruitenwisserschakelaar langer dan
2
seconden in.
De trajecten "1" en "2" zijn onafhankelijk en
hebben dezelfde eigenschappen.
Traject "1" kan bijvoorbeeld gebruikt worden
voor een dagelijks verbruik en traject "2" voor
een maandelijks verbruik.
Praktische informatie
Hoewel de definities van de onder werpen van
elk traject gelijk zijn, zijn de pictogrammen op
het touchscreen dat niet.
Instrumentenpaneel

31
208_nl_Chap01_instruments-bord_ed01-2016
F Selecteer het menu " Rijden ".
F
S
electeer de gewenste functie met uw
vinger.
Touchscreen
F Druk op de toets MENU om het
hoofdmenu weer te geven. Achtereenvolgens:
Actuele informatie
Actieradius
(km of miles)
Aantal kilometers dat u nog
met de resterende hoeveelheid
brandstof kunt rijden (berekend
op basis van het gemiddelde
verbruik over de laatste
afgelegde kilometers).
Als de actieradius minder dan 30 km bedraagt, verschijnen
s treepjes op het display. Na het tanken van minimaal
5
liter brandstof wordt de actieradius opnieuw berekend en
weergegeven als deze meer dan 100
km bedraagt.
Actueel brandstofverbruik
(l/100 km of km/l of mpg)
Berekend over de laatste verstreken
seconden.
Stop & Star t-teller (volgens
uitvoering)
(minuten/seconden of uren/
minuten)
Deze functie wordt alleen weergegeven
bij snelheden vanaf 30
km/h.
Deze waarde kan variëren door een
gewijzigde rijstijl of het rijden op een
helling, waardoor het momentele
brandstofverbruik aanzienlijk kan wijzigen.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of
een gekwalificeerde werkplaats als
tijdens het rijden de streepjes continu
worden weergegeven. Als uw auto is uitgerust met het Stop & Start-
systeem, registreert een teller hoelang de
STOP-stand tijdens een traject is geactiveerd.
De teller wordt, elke keer als u het contact met
de sleutel aanzet, weer op nul gezet.
1
Instrumentenpaneel

Toegang tot de auto
40
208_nl_Chap02_ouvertures_ed01-2016
Van binnenuit
Vergrendelen
Het rijden met vergrendelde portieren
kan bij een noodgeval de toegang tot de
auto voor de hulpdiensten belemmeren.
Het lampje van de knop gaat branden.
Als één van de portieren is geopend of
niet goed is gesloten, werkt de centrale
vergrendeling van binnenuit niet. Bij vergrendeling /
supervergrendeling van buitenaf
Als de auto van buitenaf is vergrendeld of
als de supervergrendeling van buitenaf is
ingeschakeld, is de knop buiten werking.
F
T
rek de portierhandgreep aan de
binnenzijde naar u toe om de auto
te ontgrendelen.
F Als de supervergrendeling is ingeschakeld moet de
afstandsbediening of de sleutel worden
gebruikt om de auto te ontgrendelen.
Automatische centrale
vergrendeling
De portieren kunnen tijdens het rijden
automatisch worden vergrendeld (bij een
snelheid hoger dan 10
km/h).
Om deze functie in of uit te schakelen
(standaard is deze ingeschakeld):
F
D
ruk op de knop.
De portieren en de bagageruimte worden
vergrendeld.
Ontgrendelen
F Druk nogmaals op de knop.
Het lampje van de knop gaat uit. F
druk op de knop tot een geluidssignaal
klinkt en/of een melding op het display
wordt weergegeven.

Toegang tot de auto
44
208_nl_Chap02_ouvertures_ed01-2016
Batterij vervangen
Batterij ref.: CR1620 / 3 V.
Als de batterij van de afstandsbediening leeg
is, wordt u gewaarschuwd door dit lampje op
het dashboard, een geluidssignaal, en een
melding op het display.
F Wip het deksel los door een kleine schroevendraaier in de uitsparing te steken.
F
T
il de deksel op.
F
V
erwijder de lege batterij.
F
P
laats de nieuwe batterij in de juiste
richting.
F
K
lik het deksel vast.
Gooi de lege batterijen van de
afstandsbediening niet weg: ze bevatten
metalen die schadelijk zijn voor het milieu.
Lever lege batterijen in bij een speciaal
verzamelpunt.
Storing afstandsbediening
Synchroniseren
F Zet het contact af.
F
Z et de sleutel in de stand 2 (Contact).
F
D
ruk zo snel mogelijk gedurende enkele
seconden op de vergrendelknop (gesloten
hangslot) van de afstandsbediening.
F
Z
et het contact af en ver wijder de sleutel
uit het contactslot.
De afstandsbediening werkt nu weer.
Na het losnemen en weer aansluiten van de
accukabels, het vervangen van de batterij
van de afstandsbediening of een storing in de
afstandsbediening kan de auto niet meer met
de afstandsbediening ontgrendeld, vergrendeld
en gelokaliseerd worden.
F
O
ntgrendel of vergrendel de auto eerst met
de sleutel in het slot.
F
S
ynchroniseer vervolgens de
afstandsbediening.
Raadpleeg zo snel mogelijk het PEUGEOT-
netwerk als de storing niet is verholpen.

Ergonomie en comfort63
208_nl_Chap03_ergonomie-confort_ed01-2016
Instelling op een waarde van ongeveer 21 biedt
e en optimaal comfort. Desgewenst kunt u een
andere waarde instellen, die gebruikelijk tussen
18
en 24 ligt.
Het is raadzaam het verschil tussen de
instellingen links en rechts niet meer dan 3
te
laten bedragen.
Temperatuur
De bestuurder en voorpassagier kunnen de
temperatuur afzonderlijk naar wens instellen.
De op het display weergegeven waarde heeft
betrekking op een bepaald comfortniveau en
niet op de temperatuur in graden Celsius of
Fahrenheit.
F
D
uw de impulstoets omlaag
(blauw) om de waarde te
verlagen of omhoog (rood) om de
waarde te verhogen.
Automatische airconditioning met gescheiden regeling
Stand AUTO
Om bij koude motor de toevoer van
koude lucht te beperken, wordt de
ventilatie geleidelijk op het optimale
niveau gebracht.
Bij koud weer wordt de warme lucht
uitsluitend naar de voorruit, de zijruiten
en de beenruimte van de passagiers
verdeeld.
Voor het beste compromis tussen
thermisch comfort en een laag
geluidsniveau.
Voor een aangenaam comfort en een zo
laag mogelijk geluidsniveau, aangezien
de aanjagersnelheid beperkt wordt.
Voor een doeltreffende en
dynamische luchttoevoer.
F
D
ruk herhaaldelijk op de toets
"AUTO" . Het lampje gaat
branden zodra de toets wordt
ingedrukt; de ingeschakelde
stand verschijnt op het
display van de automatische
airconditioning.
Programma "comfort"
Inschakelen
UitschakelenF
D
ruk op de toets "lege ventilator"
van de luchtopbrengstregeling
tot het symbool van de ventilator
is verdwenen. Instellen
3

Ergonomie en comfort65
208_nl_Chap03_ergonomie-confort_ed01-2016
Gebruik de luchtrecirculatie alleen
als dit echt nodig is (kans op beslaan
van de ruiten en vermindering van de
luchtkwaliteit).
Uitschakelen van het systeem
Toevoer van buitenlucht/luchtrecirculatie
F Druk op deze toets "gevulde ventilator" om de
luchtopbrengst te verhogen.
Luchtverdeling
F Druk op de toets "lege ventilator" tot het symbool van
de ventilator is verdwenen en
"---" wordt weergegeven.
Hierdoor worden alle functies van de
airconditioning uitgeschakeld.
Het thermische comfort wordt niet meer
geregeld. Door de rijwind blijft er nog wel een
kleine luchtstroom gehandhaafd.
F
Druk deze toets in om de lucht in het
interieur te laten recirculeren. Het
lampje van de toets gaat branden en
het symbool van de luchtrecirculatie
wordt weergegeven.
Deze stand dient om de toevoer van buitenlucht
bij stank en stofoverlast af te sluiten. De
luchtrecirculatie wordt automatisch ingeschakeld
als de ruitensproeiers worden geactiveerd.
F
D
ruk deze toets herhaaldelijk in
om de luchtstroom te verdelen
naar:
-
d
e voorruit, de zijruiten en de beenruimte,
-
d
e voorruit en zijruiten (ontwasemen of
ontdooien),
-
d
e middelste ventilatieroosters en
zijventilatieroosters,
-
de
middelste ventilatieroosters, de
zijventilatieroosters en de beenruimte,
-
d
e beenruimte.
Luchtopbrengst
Het symbool van de luchtopbrengst (ventilator) wordt
op het display weergegeven en wordt afhankelijk van
de ingestelde waarde geleidelijk voller.
F Druk op deze toets "lege ventilator" om de
luchtopbrengst te verlagen.
Vermijd het te lang rijden met een
uitgeschakeld systeem om te voorkomen dat de
ruiten beslaan of de luchtkwaliteit vermindert.
Inschakelen
Uitschakelen
Handmatige stand
Het is mogelijk één of meer functies van de
airconditioning handmatig in te stellen, terwijl
de overige functies automatisch worden
geregeld.
F
D
ruk zodra de omstandigheden
het toelaten de toets nogmaals
in om de toevoer van buitenlucht
weer te activeren en het beslaan
van de ruiten te voorkomen. Het
lampje van de toets gaat uit. Zodra u een instelling wijzigt, dooft het lampje
van de toets "AUTO"
.
Als u op de toets "gevulde
ventilator" drukt, wordt het
systeem weer ingeschakeld
waarbij de instellingen van vóór de
uitschakeling worden toegepast.
3

Ergonomie en comfort
72
208_nl_Chap03_ergonomie-confort_ed01-2016
Aansluitingen - Connectiviteit
12V-aansluiting
F Til, wanneer u een accessoire van 12 V (maximaal vermogen: 120 W) wilt
aansluiten, het deksel op en sluit een
geschikte adapter aan.
Houd rekening met het maximale
vermogen van de aansluiting (anders kans
op beschadiging van uw accessoire).
USB-/Jack-aansluiting
Deze aansluitmodule, die bestaat uit een USB-
en een Jack-aansluiting, bevindt zich op de
middenconsole.
Hierop kunt u draagbare apparatuur aansluiten,
zoals een iPod
® of een USB-stick.
Dankzij de aansluitmodule kunt u de
audiobestanden op uw draagbare apparatuur
beluisteren via de luidsprekers van uw
audiosysteem.
U kunt deze bestanden beheren met de toetsen
op het stuur wiel of het bedieningspaneel van
de autoradio en ze weergeven op het display
van het instrumentenpaneel. Raadpleeg voor meer informatie over
het gebruik van deze uitrusting de
rubriek "Audio en telematica".
Tijdens het gebruik van de USB-aansluiting kan
de draagbare apparatuur automatisch worden
opgeladen.
Tijdens het opladen wordt een melding
weergegeven als het stroomverbruik van het
externe apparaat groter is dan de door de auto
geleverde stroomsterkte.
Het aansluiten van elektrische
apparatuur die niet door PEUGEOT is
goedgekeurd, zoals een lader met USB-
aansluitingen, kan leiden tot storingen
in de werking van de elektrische
componenten van de auto, zoals een
slechte radio-ontvangst of storingen in
de weergave van de displays.