92VEILIGHEIDSTARTEN EN
RIJDENLAMPJES EN
BERICHTENNOODGEVALLENONDERHOUD
EN ZORGTECHNISCHE
GEGEVENSALFABETISCH
REGISTERDASHBOARD EN
BEDIENINGSE-
LEMENTEN
PARKEERSENSOREN
(indien aanwezig)Deze bevinden zich in de achterbumper
van de auto fig. 114en attenderen de be-
stuurder via een repeterend geluidssignaal
op de aanwezigheid van obstakels achter
de auto.
Druk voor uitschakeling van de parkeer-
sensoren op de knop A-fig. 115op het
schakelaarpaneel op de middenconsole.
Als het systeem is uitgeschakeld, brandt
het lampje Bop de knop.
Druk voor inschakeling de knop Anog-
maals in.
Als de afstand tot het obstakel achter de
auto kleiner wordt, neemt de frequentie
van het geluidssignaal toe.
BELANGRIJK De instelling voor de par-
keersensoren (in- of uitgeschakeld) wordt
opgeslagen bij het uitzetten van de motor.AKOESTISCH
WAARSCHUWINGSSYSTEEM
Als bij ingeschakelde sensoren de achter-
uit wordt ingeschakeld, klinkt er automa-
tisch een onderbroken geluidssignaal.
De frequentie van het geluidssignaal:
❒
neemt toe als de afstand tot het ob-
stakel kleiner wordt;
❒
klinkt ononderbroken als de afstand tot
het obstakel minder is dan ongeveer 30
cm en stopt onmiddellijk als de afstand
tot het obstakel groter wordt;
❒
blijft constant als de gemeten afstand
onveranderd blijft, terwijl, als deze si-
tuatie zich voordoet bij de sensoren aan
de zijkant, het signaal na 3 seconden on-
derbroken wordt, om bijvoorbeeld sig-
nalen te voorkomen als u langs een
muur rijdt.STORINGSMELDINGEN
Een storing in de parkeersensoren wordt
tijdens het inschakelen van de achteruit
aangegeven door een geluidssignaal, een
brandend waarschuwingslampje B-fig.
115en een melding op het display.
fig. 114
F0P0605m
fig. 115
F0F0106m
083-096 SCUDO LUM NL 27/03/14 10:40 Pagina 92
93
VEILIGHEIDSTARTEN EN
RIJDENLAMPJES EN
BERICHTENNOODGEVALLENONDERHOUD
EN ZORGTECHNISCHE
GEGEVENSALFABETISCH
REGISTERDASHBOARD EN
BEDIENINGSE-
LEMENTEN
ALGEMENE OPMERKINGEN❒
Controleer tijdens parkeermanoeuvres
of zich geen obstakels boven of onder
de sensor bevinden.
❒
Obstakels die zich dicht bij de auto be-
vinden, worden onder bepaalde om-
standigheden niet door het systeem ge-
signaleerd en kunnen dus de auto be-
schadigen of zelf beschadigd worden.
❒
De metingen van de sensoren kunnen
beïnvloed worden/zijn door beschadi-
ging van de sensoren zelf, door vuil,
sneeuw of ijs op de sensoren of door
ultrasone systemen (bijv. luchtdruk-
remmen van vrachtwagens of pneuma-
tische hamers) die zich in de nabijheid
bevinden. Voor een juiste werking van
het systeem mag er geen mod-
der, vuil, sneeuw of ijs op de
sensoren zitten. Wees voor-
zichtig bij het reinigen van de sensoren
om krassen of beschadigingen te voor-
komen; gebruik geen droge, grove of
harde doek. De sensoren moeten wor-
den gereinigd met schoon water, waar-
aan eventueel autoshampoo is toege-
voegd.
De verantwoordelijkheid tij-
dens het parkeren en andere
gevaarlijke handelingen ligt altijd en
overal bij de bestuurder. Controleer als
u de auto parkeert of zich geen perso-
nen (in het bijzonder kinderen) of die-
ren in de buurt van de auto bevinden.
De parkeersensoren moeten als een
hulpmiddel voor de bestuurder be-
schouwd worden. De bestuurder moet
tijdens eventueel gevaarlijke parkeer-
manoeuvres altijd volledig zijn aandacht
behouden, ook als de manoeuvres met
lage snelheid worden uitgevoerd.
ATTENTIE!
WERKING MET
AANHANGER
Schakel de parkeersensoren uit als u een
aanhanger trekt.
AUTORADIO
(indien aanwezig)Raadpleeg voor de werking van de auto-
radio met CD- of MP3 CD-speler (indien
aanwezig) het supplement dat bij dit in-
structieboekje is geleverd.
INBOUWVOORBEREIDING
AUTORADIO (indien aanwezig)
Zie voor de in uw auto geïnstalleerde au-
toradio en de bijbehorende audio-instal-
latie, het supplement “Autoradio” dat bij
dit instructieboek is geleverd.
Laat de aansluiting op de in-
bouwvoorbereiding in de au-
to uitsluitend door het Fiat Service-
netwerk uitvoeren. Zo bent u verzekerd
van het beste resultaat en wordt voor-
komen dat de rijveiligheid in gevaar
wordt gebracht .
ATTENTIE!
083-096 SCUDO LUM NL 27/03/14 10:40 Pagina 93
94VEILIGHEIDSTARTEN EN
RIJDENLAMPJES EN
BERICHTENNOODGEVALLENONDERHOUD
EN ZORGTECHNISCHE
GEGEVENSALFABETISCH
REGISTERDASHBOARD EN
BEDIENINGSE-
LEMENTEN
RADIOZENDAPPARATUUR
EN MOBIELE TELEFOONS
Radiozendapparaten (mobiele telefoons,
27 mc en dergelijke) mogen alleen in de
auto worden gebruikt met een aparte an-
tenne aan de buitenkant van de auto.
BELANGRIJK Het gebruik van dergelijke
apparaten in de auto (zonder buitenan-
tenne) kan niet alleen schadelijk zijn voor
de gezondheid van de inzittenden, maar
kan ook storingen in de elektrische sys-
temen van de auto veroorzaken. Hierdoor
wordt de veiligheid in gevaar gebracht.
Bovendien wordt de zend- en ontvangst-
kwaliteit aanzienlijk beperkt door de iso-
lerende eigenschappen van de carrosserie.
Houdt u bij het gebruik van mobiele tele-
foons (GSM, GPRS, UMTS) met het offi-
ciële EU-keurmerk, strikt aan de instruc-
ties die door de fabrikant van de mobiele
telefoon zijn bijgeleverd.
EXTRA ACCESSOIRESAls u na aanschaf van uw auto accessoi-
res wilt monteren die constante voeding
nodig hebben (autoradio, anti-diefstalsa-
tellietbewaking, enz.), of accessoires die
de elektrische installatie zwaar belasten,
wendt u dan tot het Fiat Servicenetwerk.
Deze kan u de meest geschikte installaties
aanraden uit Fiat Lineaccessori en con-
troleren of de elektrische installatie van de
auto geschikt is voor het extra stroom-
verbruik of dat het noodzakelijk is een ac-
cu met een grotere capaciteit te monte-
ren.ELEKTRISCHE/ELEKTRONISCHE
SYSTEMEN MONTEREN
De elektrische/elektronische systemen die
na aankoop van de auto en binnen de af-
tersales-service worden gemonteerd,
moeten voorzien zijn van het merkteken:
Fiat Auto S.p.A. autoriseert de montage
van zend-/ontvangstapparatuur op voor-
waarde dat de montagewerkzaamheden
op de juiste wijze bij een gespecialiseerd
bedrijf worden uitgevoerd, waarbij de aan-
wijzingen van de fabrikant in acht moeten
worden genomen.
BELANGRIJK Als door de montage van
systemen de kenmerken van de auto wor-
den gewijzigd, kan het kentekenbewijs
worden ingenomen door de bevoegde in-
stanties en eventueel de garantie komen
te vervallen bij defecten die veroorzaakt
zijn door de bovengenoemde modificatie
of op defecten die direct of indirect daar-
van het gevolg zijn.
Fiat Auto S.p.A. is op geen enkele wijze
verantwoordelijk voor schade die het ge-
volg is van de installatie van accessoires die
niet door Fiat Auto S.p.A. zijn geleverd of
aanbevolen en die niet conform de gele-
verde instructies zijn geïnstalleerd.
083-096 SCUDO LUM NL 27/03/14 10:40 Pagina 94
95
VEILIGHEIDSTARTEN EN
RIJDENLAMPJES EN
BERICHTENNOODGEVALLENONDERHOUD
EN ZORGTECHNISCHE
GEGEVENSALFABETISCH
REGISTERDASHBOARD EN
BEDIENINGSE-
LEMENTEN
Tankinhoud
Om te zorgen dat de tank volledig gevuld
wordt, moet u twee keer bijvullen nadat
het vulpistool voor de eerste keer afslaat.
Vul niet nog een keer bij om storingen in
het brandstofsysteem te voorkomen.
TANKDOP fig. 116
Om te tanken moet u het klepje Aope-
nen, de contactsleutel in het slot steken
en linksom draaien en vervolgens de dop
Blosdraaien.
Door de hermetische afsluiting van de
tank kan de druk in de tank iets verhoogd
zijn. Het is daarom normaal als u bij het
losdraaien van de tankdop een sissend ge-
luid hoort.
Haak tijdens het tanken de dop Caan het
klepje.
fig. 116
F0F0107m
Kom niet dicht bij de vulope-
ning met open vuur of een
brandende sigaret : brandgevaar.
Houd uw hoofd ook niet dicht bij de
vulopening om te voorkomen dat u
schadelijke dampen inademt .
ATTENTIE!
BRANDSTOF TANKENWerking bij lage temperaturen
Bij lage buitentemperaturen kan de vloei-
baarheid van de dieselbrandstof vermin-
deren door de vorming van paraffine,
waardoor het brandstofsysteem niet meer
goed werkt.
Om dit probleem te voorkomen wordt er,
afhankelijk van het seizoen, dieselbrand-
stof geleverd die speciaal voor de zomer,
voor de winter en voor zeer lage tempe-
raturen (bergachtige/koude gebieden) is
ontwikkeld. Als dieselbrandstof wordt ge-
tankt die niet toereikend is voor de ge-
bruikstemperatuur, raden wij aan de die-
selbrandstof te mengen met het vorstbe-
veiligingsmiddel TUTELA DIESEL ART in
de verhouding die in de gebruiksaanwijzing
van het middel is aangegeven. Doe eerst
het middel in de tank en voeg daarna de
dieselbrandstof toe.
Als de auto lange tijd wordt gebruikt/stilstaat
in bergachtige/koude gebieden, is het raad-
zaam dieselbrandstof te tanken die ter plaat-
se beschikbaar is.
In dat geval is het bovendien raadzaam een
hoeveelheid brandstof in de tank te hou-
den die groter is dan 50% van de nuttige
inhoud.Gebruik uitsluitend diesel-
brandstof voor motorvoertuigen
die voldoet aan de Europese
specificatie EN590. Het gebruik
van andere producten of mengsels kan de
motor onherstelbaar beschadigen en het
vervallen van de garantie tot gevolg heb-
ben. Mocht u onverhoopt een ander ty-
pe brandstof tanken, dan mag de motor
niet worden gestart en moet de brand-
stoftank worden afgetapt . Ook als de mo-
tor slechts kort heeft gedraaid, moet naast
de brandstoftank, ook alle brandstof uit
de brandstofleidingen worden afgetapt .
Open de linker zijschuifdeur
niet tijdens het tanken, omdat
hierdoor het tankluikje be-
schadigd kan raken.
083-096 SCUDO LUM NL 27/03/14 10:40 Pagina 95
96VEILIGHEIDSTARTEN EN
RIJDENLAMPJES EN
BERICHTENNOODGEVALLENONDERHOUD
EN ZORGTECHNISCHE
GEGEVENSALFABETISCH
REGISTERDASHBOARD EN
BEDIENINGSE-
LEMENTEN
BESCHERMING VAN
HET MILIEUDe emissiereductiesystemen voor diesel-
motoren zijn:❒
oxidatiekatalysator;
❒
uitlaatgasrecirculatie-systeem (EGR);
❒
roetfilter (DPF) (indien van toepassing).DPF-ROETFILTER (DIESEL
PARTICULATE FILTER)
(indien aanwezig)
Het DPF-roetfilter (Diesel Particulate Fil-
ter) is een mechanisch filter in het uit-
laatsysteem dat de partikels in het uitlaat-
gas van dieselmotoren opvangt.
Het roetfilter vangt bijna de totale hoe-
veelheid roetdeeltjes op, waardoor vol-
daan wordt aan de huidige/toekomstige
wettelijke normen.
Tijdens het normale gebruik van de auto
registreert de inspuitregeleenheid een aan-
tal gegevens met betrekking tot het ge-
bruik (gebruiksduur, type traject, bereikte
temperatuur enz.) en berekent de hoe-
veelheid verzameld roet in het filter. Om-
dat het filter de roetdeeltjes verzamelt,
moet het periodiek worden geregene-
reerd (schoongemaakt) door de roet-
deeltjes te verbranden.
De regeneratieprocedure wordt geregeld
door de regeleenheid van de motor op ba-
sis van de hoeveelheid opgevangen roet-
deeltjes en de bedrijfsomstandigheden van
de auto. Tijdens de regeneratie kan het
volgende worden waargenomen: een be-
perkte toerentalverhoging, inschakeling
van de elektroventilateur, een beperkte
toename van de rook uit de uitlaat en een
hogere temperatuur bij de uitlaat. Dit zijn
geen storingen en deze situatie heeft geen
invloed op het milieu of het gedrag van de
auto.
Onder normale bedrijfsom-
standigheden bereikt het
roetfilter (DPF) (indien aanwezig) ho-
ge temperaturen. Parkeer daarom niet
boven brandbare materialen (gras, dro-
ge bladeren, dennennaalden enz.):
brandgevaar.
ATTENTIE!
Onder normale bedrijfsom-
standigheden bereikt de ka-
talysator hoge temperaturen. Parkeer
daarom niet boven brandbare mate-
rialen (gras, droge bladeren, dennen-
naalden enz.): brandgevaar.
ATTENTIE!
fig. 117
F0F0357m
Handopvoerpomp voor diesel
Als de brandstoftank is leeggereden, dan
moet het brandstofcircuit worden gevuld:❒
giet ten minste 5 liter diesel in de tank;
❒
bedien de handopvoerpomp, die onder
de motorkap onder een bescherming is
geplaatst, totdat er brandstof in de
doorzichtige slang verschijnt;
❒
start de motor m.b.v. de startmotor,
totdat de motor aanslaat.
083-096 SCUDO LUM NL 27/03/14 10:40 Pagina 96
97
STARTEN EN
RIJDENLAMPJES EN
BERICHTENNOODGEVALLENONDERHOUD
EN ZORGTECHNISCHE
GEGEVENSALFABETISCH
REGISTERDASHBOARD EN
BEDIENINGSE-
LEMENTENVEILIGHEID
VEILIGHEIDSGORDELS ..................................................... 98
SBR SYSTEEM ....................................................................... 100
GORDELSPANNERS .......................................................... 100
VEILIG KINDEREN VERVOEREN .................................... 103
HET “UNIVERSELE” KINDERZITJE MONTEREN ........ 104
HET “ISOFIX UNIVERSELE”
KINDERZITJE MONTEREN .............................................. 107
AIRBAGS ................................................................................ 112
ZIJAIRBAGS ........................................................................... 115
V V
E E
I I
L L
I I
G G
H H
E E
I I
D D
097-118 SCUDO LUM NL 02/04/14 11:03 Pagina 97
98STARTEN EN
RIJDENLAMPJES EN
BERICHTENNOODGEVALLENONDERHOUD
EN ZORGTECHNISCHE
GEGEVENSALFABETISCH
REGISTERDASHBOARD EN
BEDIENINGSE-
LEMENTEN
VEILIGHEID
VEILIGHEIDSGORDELSGEBRUIK VAN DE
VEILIGHEIDSGORDELS fig. 1
De veiligheidsgordel moet omgelegd wor-
den terwijl men goed rechtop, met de rug
tegen de rugleuning zit.
Pak, om de gordel om te leggen, het lipjeAen steek dit in de gesp B
B, totdat de klik
van het vergrendelen wordt gehoord.
Als tijdens het uittrekken de gordel blijft
blokkeren, laat hem dan een stukje terug-
lopen en trek hem vervolgens langzaam
uit.
Druk, om de gordel los te maken, op knop
C. Begeleid de gordel tijdens het teruglo-
pen, zodat hij niet draait.
Via de oprolautomaat past de gordel zich
automatisch aan het lichaam van de inzit-
tenden aan, waarbij voldoende bewe-
gingsvrijheid wordt gelaten.
De oprolautomaat kan blokkeren als de
auto op een steile helling staat: dit is nor-
maal. Bovendien blokkeert de oprolauto-
maat als de gordel snel wordt uitgetrok-
ken of bij hard remmen, botsingen en bij
bochten die op hoge snelheid worden ge-
nomen.
De achterbank is voorzien van driepunts-
veiligheidsgordels met oprolautomaat.
fig. 1
F0P0108m
Druk nooit op knop C - fig. 1
tijdens het rijden.
ATTENTIE!
GEBRUIK VAN DE
VEILIGHEIDSGORDELS
VAN DE VOORSTOELEN
Met frontairbags: bestuurder en passagier
(voor bepaalde versies/markten).
De voorstoelen zijn uitgerust met pyro-
technische gordelspanners en krachtbe-
grenzers. Zie paragraaf - gordelspanners
en krachtbegrenzers.
Als het voertuig is uitgerust met voor-
stoelen in de vorm van een bank voor 2
personen, en de frontairbag voor de pas-
sagier ontbreekt, heeft de veiligheidsgor-
del voor de middelste passagier geen py-
rotechnische gordelspanner en kan deze
niet in hoogte versteld worden.
De voorste veiligheidsgordels zijn afstel-
baar in de hoogte, zodat zij aangepast kun-
nen worden aan het lichaam van de inzit-
tenden. Dit reduceert het risico op ver-
wondingen bij een ongeval aanzienlijk. De
gordel is goed afgesteld als hij halverwe-
ge tussen de nek en het uiteinde van de
schouder ligt. Om de gordel af te stellen,
op hendel A
Adrukken en de schuif hoger
of lager zetten.
097-118 SCUDO LUM NL 02/04/14 11:03 Pagina 98
99
STARTEN EN
RIJDENLAMPJES EN
BERICHTENNOODGEVALLENONDERHOUD
EN ZORGTECHNISCHE
GEGEVENSALFABETISCH
REGISTERDASHBOARD EN
BEDIENINGSE-
LEMENTENVEILIGHEID
fig. 2
F0P0111m
De afstelling in de hoogte
moet uitgevoerd worden als
het voertuig stil staat.
ATTENTIE!
Controleer, na het afstellen,
altijd of de schuif correct
vergrendeld is in een van de van te vo-
ren ingestelde standen. Om dit te
doen de hendel loslaten en weer in-
drukken om de bevestiging vast te zet-
ten, als de hendel niet is losgelaten in
een van de van te voren ingestelde
standen.
ATTENTIE!
De veiligheidsgordels zijn
ontworpen voor de bescher-
ming van de inzittenden en niet om
de vervoerde lading tegen te hou-
den/vast te zetten of voor ander on-
eigenlijk gebruik.
ATTENTIE!
GEBRUIK VAN DE
VEILIGHEIDSGORDEL
OP DE ACHTERSTOELEN fig. 2
Als het voertuig uitgerust is met een en-
kele stoel en een dubbele stoel, de drie
stoelen zijn uitgerust met veiligheidsgor-
dels met drie bevestigingspunten en op-
rolautomaten. De middelste stoel is uit-
gerust met een geleider en met de oprol-
automaat voor de gordel ingebouwd in de
rugleuning.
De drie zitplaatsen van de bank (versie
verlengde cabine) zijn voorzien van vei-
ligheidsgordels met oprolautomaten. De
veiligheidsgordels zijn vast verbonden met
de rugleuning van de bank. Let erop dat
de veiligheidsgordel in de juiste blokkeer-
inrichting wordt gestoken.
Voor de tweede en derde rij, altijd de vei-
ligheidsgordel in de bijbehorende zitting
steken. Verwissel de veiligheidsgordel of
de zitting van de zijstoelen niet met die van
de middelste stoel.
Na het opklappen of ver-
plaatsen van de stoel, con-
troleren of de veiligheidsgordel cor-
rect is opgerold en dat de speciale zit-
ting klaar is voor vergrendeling.
ATTENTIE!
Verzeker u ervan dat de rug-
leuning correct aan beide
kanten is vastgezet om te voorkomen
dat hij naar voren klapt en de passa-
giers, in geval van plotseling remmen,
verwondt.
ATTENTIE!
Onthoud dat passagiers op
de achterbank die geen gor-
del dragen bij een heftige botsing
blootgesteld worden aan een groot ri-
sico en bovendien een gevaar ople-
veren voor de inzittenden voorin.
ATTENTIE!
097-118 SCUDO LUM NL 02/04/14 11:03 Pagina 99