
Klimaatregeling153
Handmatige instellingenInstellingen van het klimaatregelsys‐
teem kan handmatig worden aange‐
past door de knoppen voor de lucht‐
verdeling en de regeleenheid voor de
ventilatorsnelheid als volgt te gebrui‐
ken. Bij het handmatig wijzigen van
de instellingen wordt de automatische modus gedeactiveerd.
Luchtdebiet SZR
Tip ZS of R aan. De geselecteerde
ventilatorsnelheid verschijnt gedu‐
rende korte tijd op het infodisplay.
Als de aanjager wordt uitgeschakeld,
wordt ook de airconditioning gedeac‐
tiveerd.
Automatische modus opnieuw in‐
schakelen: AUTO indrukken.
Luchtverdeling l, M , K
Druk op de desbetreffende knop voor
de gewenste afstelling. De activering
wordt aangeduid door de LED in de
toets.
l=naar de voorruit en de voorste
zijruiten.M=naar hoofdhoogte via de verstel‐ bare luchtroosters.K=naar de voetenruimte.Er zijn ook combinaties mogelijk.
Automatische modus opnieuw in‐
schakelen: AUTO indrukken.
Koeling A/C
Druk op A/C om naar koeling om te
schakelen. De activering wordt aan‐
geduid door de LED in de toets. Koe‐ ling werkt alleen bij een draaiende
motor en ingeschakelde ventilator
van de klimaatregeling.
Druk opnieuw op A/C om koeling uit
te schakelen.

154Klimaatregeling
De airconditioning koelt en ontvoch‐
tigt (droogt) zo nodig de lucht in de
cabine. Er kan zich dan condens vor‐
men en onder de auto op de grond
druppelen.
Als geen koeling of droging gewenst
is, moet u omwille van het brandstof‐
verbruik de koeling uitschakelen.
Systeem AAN/UIT X
De koeling, ventilator en automati‐ sche modus kunnen worden uitge‐
schakeld door op X te drukken. Wan‐
neer het systeem gedeactiveerd is, is de LED in de toets X uit.
Activering door indrukken van X of
toets voor koeling A/C of toets voor
automatische modus AUTO. De acti‐
vering wordt aangeduid door de LED
in de toets.Handmatig bediende
luchtrecirculatie 4
Luchtrecirculatiemodus met 4 in‐
schakelen. De activering wordt aan‐
geduid door de LED in de toets.
Selecteer luchtrecirculatie als hulp bij het koelen van het interieur of het we‐
ren van geuren van buiten of uitlaat‐
gassen. Bij het selecteren van recir‐
culatie wordt de lucht in het interieur
ter verfrissing elke 10 minuten deels
geventileerd.
Recirculatiemodus uitschakelen door
weer op 4 te drukken.
Wanneer de omgevingslucht warm
en zeer vochtig is, kan de voorruit aan de buitenkant aandampen wanneer
er koud lucht naartoe stroomt. Als de
voorruit aan de buitenkant aandampt, moet u de ruitenwisser aanzetten en
l uitzetten.
Automatische luchtrecirculatie
Een luchtvochtigheidssensor scha‐ kelt automatisch over op buitenlucht
als de luchtvochtigheid in het interieur te hoog is.
Basisinstellingen Sommige basisinstellingen kunnen in
het menu Persoonlijke instellingen op
het Colour-Info-Display worden ge‐
wijzigd.
Selecteer de betreffende instellingen
in Instellingen , I Voertuig op het Co‐
lour-Info-Display.
Colour-Info-Display 3 121.
Persoonlijke instellingen 3 126.

Klimaatregeling157PollenfilterFiltering lucht
passagierscompartiment Een partikelfilter verwijdert stof, roet,
stuifmeel en sporen uit de lucht van de passagiersruimte.
Actief koolstoffilter Aanvullend op het partikelfilter ver‐
mindert het actieve-koolstoffilter on‐
aangename geuren.
Het filter moet tijdens een onder‐
houdsbeurt worden vervangen.
Airconditioning regelmatig
aanzetten
Om te zorgen dat het systeem goed
blijft werken, wordt het aanbevolen de
airco eenmaal per maand, ongeacht
de weersgesteldheid of het seizoen,
enkele minuten in te schakelen.Service
Om de koeling optimaal te laten wer‐
ken, is het raadzaam het klimaatre‐
gelsysteem jaarlijks te laten controle‐ ren, te beginnen drie jaar na afleve‐
ring van de nieuwe auto, te weten:
■ functie- en druktest
■ werking van de verwarming
■ lektest
■ controle van de aandrijfriemen
■ afvoer van condensor en verdam‐ per reinigen
■ prestatietest

Rijden en bediening165
Herstarten van de motor doorhet stop-startsysteem De keuzehendel moet in neutraal
staan om automatisch herstarten mo‐
gelijk te maken.
Als er zich een van de volgende om‐
standigheden voordoet tijdens een
Autostop, dan zal de motor automa‐
tisch door het stop-startsysteem wor‐ den herstart:
■ Het stop-startsysteem is manueel uitgeschakeld.
■ De motorkap is open.
■ De veiligheidsgordel van de be‐ stuurders is losgemaakt en het be‐
stuurdersportier is geopend.
■ De motortemperatuur is te laag.
■ Het oplaadniveau van de accu is onder een bepaald niveau.
■ Het remvacuüm is niet voldoende.
■ De auto reed minstens stapvoets.
■ Het klimaatregelsysteem vereist het starten van de motor.
■ De airconditioning wordt handmatig
ingeschakeld.Als de motorkap niet volledig geslo‐
ten is, verschijnt een waarschuwings‐
bericht op het Driver Information Cen‐
ter.
Als een elektrische accessoire, bijv.
een draagbare cd-speler, op de elek‐ trische aansluiting is aangesloten,merkt u mogelijk een korte span‐
ningsdaling tijdens het herstarten.
Parkeren9 Waarschuwing
■Parkeer de auto niet op een licht
ontvlambaar oppervlak. Door de
hoge temperatuur van het uit‐
laatsysteem kan het oppervlak
ontbranden.
■ Trek altijd de handrem aan. Trek
de handrem aan zonder op de
ontgrendelingsknop te drukken.
Op een aflopende of oplopende
helling zo stevig mogelijk. Trap
tegelijkertijd de rem in om de be‐ dieningskracht te verminderen.
Trek bij auto's met elektrische
handrem gedurende ongeveer
één seconde aan schakelaar
m .
De elektrische handrem is aan‐
getrokken wanneer controle‐
lamp m oplicht 3 108.
■ Zet de motor af.
■ Wanneer de auto vlak of op een
oplopende helling staat, dan
vóór het verwijderen van de
contactsleutel de eerste ver‐
snelling inschakelen of de keu‐
zehendel in stand P zetten. Op
een oplopende helling boven‐
dien de voorwielen van de
stoeprand wegdraaien.
Wanneer de auto op een aflo‐
pende helling staat, dan vóór
het verwijderen van de contact‐
sleutel de achteruitversnelling
inschakelen of de keuzehendel
in stand P zetten. Bovendien de
voorwielen naar de stoeprand toedraaien.

Verzorging van de auto255
Nr.Stroomkring17–18Adaptief rijlicht (AFL)19Adaptief rijlicht (AFL)20Brandstofpomp21Elektrische ruitbediening
achterin22ABS23Variabele stuurbekrachtiging24Elektrische ruitbediening voorin25Stekkerdozen26ABS27Elektrische handrem28Verwarmbare achterruit29Elektr. stoelverstelling links30Elektr. stoelverstelling rechts31Airconditioning32Carrosserieregelmodule33Verwarmde voorstoelen34Zonnedak35Infotainment-systeemNr.Stroomkring36–37Grootlicht rechts38Grootlicht links39–40–41Vacuümpomp42Koelventilator43Accu/gelijkstroomomvormer
(alleen bij auto's met een Stop/
Start-systeem)44Koplampsproeiers45Koelventilator46Klem 87/hoofdrelais47Lambdasonde48Mistlampen49Dimlicht rechts50Dimlicht links51Claxon52OntstekingNr.Stroomkring53Ontsteking/geventileerde voor‐
stoelen54Ontsteking55Elektrisch bediende ruiten/
inklapbare spiegels56Voorruitsproeiers57–58–59Dieselverwarming/emissiere‐
gelsysteem60Spiegelverwarming61Spiegelverwarming62–63Achterruitsensor64Adaptief rijlicht (AFL)65Extra pomp (alleen bij auto's met
Stop/Start-systeem)66Achterruitsproeier67Regelmodule brandstofsysteem68–

Verzorging van de auto257
Nr.Stroomkring9Carrosserieregelmodule10Carrosserieregelmodule11Aanjager12–13–14Diagnosestekker15Airbag16Centrale vergrendeling/achter‐
klep17Airconditioning18Transportzekering19Geheugen20–21Instrumentengroep22Ontsteking23Carrosserieregelmodule24Carrosserieregelmodule25–26Stekkerdoos bagageruimteDe nummers 12 en 13 van de elek‐
trisch verstelbare stoelen zijn bevei‐
ligd tegen overbelasting. Na afkoelen wordt het circuit weer gesloten.
Zekeringenkast in
bagageruimte
De zekeringenkast zit links in de ba‐
gageruimte achter een deksel. Ver‐
wijder het deksel.

258Verzorging van de auto
Nr.Stroomkring1Centrale vergrendeling/elektri‐
sche achterklep2Aanhangermodule3–4–5Aanhangerstekkerdoos6Stuurwielverwarming7Systeem voor selectieve kataly‐
satorreductie8Aanhangerstekkerdoos9Zonnedak10Centrale vergrendeling/achter‐
klep11–12Systeem voor selectieve kataly‐
satorreductie13–14–15Elektr. achterklepslot16AirconditioningNr.Stroomkring17Systeem voor selectieve kataly‐
satorreductie18Systeem voor selectieve kataly‐
satorreductie19Zijdelingse obstakeldetectie20Zijdelingse obstakeldetectie/
geventileerde voorstoelen21Actief dempingssysteem/groot‐
lichtassistentie/cruise control/
verkeersbordherkenning/Lane
Departure Warning/aanhange‐
rmodule22Diefstalalarmsysteem23Aandrijving op alle wielen/dief‐
stalalarmsysteem24–25–26–27–28–29Aanhangermodule/vervoersze‐
keringNr.Stroomkring30Zijdelingse obstakeldetectie31–32–33–34Zonnedak35–36–37–

334TrefwoordenlijstAAan/Uit-knop ............................... 159
Aanbevolen vloeistoffen en smeermiddelen ..............283, 287
Aanduidingen op banden ..........260
Aangeslagen lampenglazen ......138
Aanhangerkoppeling ..................228
Aanhangerstabilisatie ................231
Aanhanger trekken ....................228
Accessoires en modificaties van auto ........................................ 232
Accu ........................................... 239
Achterlichten .............................. 247
Achterruitverwarming ................... 44
Achteruitkijkcamera ...................210
Achteruitrijlichten .......................138
Actieve hoofdsteunen ...................48
Actieve noodrem......................... 199 Adaptief rijlicht (AFL) .................134
Adaptieve cruise control .....113, 187
Adaptive Forward Lighting .........113
AdBlue ................................ 111, 168
Afmetingen auto ........................302
Afstand tot voorligger .................110
Airbag deactiveren ....................... 65
Airbag-deactivering .................... 108
Airbag en gordelspanners .........107
Airbaglabel.................................... 60
Airbagsysteem ............................. 60Airconditioning ........................... 143
Airconditioning regelmatig aanzetten ............................... 157
Alarmknipperlichten ...................136
Algemene informatie .................. 228
Algemene richtlijnen voor het rijden ....................................... 158
All-wheel drive ........................... 175
Andere auto slepen ...................277
Antiblokkeersysteem .................176
Antiblokkeersysteem (ABS) .......109
Armsteun ................................ 55, 56
Armsteun met opbergruimte ........74
Asbakken ..................................... 96
Autogegevens ............................ 287
Autokrik....................................... 259
Automatische dimfunctie .......40, 41
Automatische transmissievloeistof .................236
Automatische verlichting ............ 131
Automatische versnellingsbak ...170
Automatisch geregelde airconditioning ........................ 146
Automatisch geregelde airconditioning met twee zones 150
Automatisch vergrendelen ...........28
Auto ontgrendelen .........................6
Auto slepen ................................ 275