
96
Comfort
308_nl_Chap03_confort_ed02-2013
Neem voor een optimale werking van de ver warming, ventilatie en airconditioning de volgende gebruiksadviezen in acht: Let erop dat voor een gelijkmatige verdeling van de lucht naar het interieur de uitstroomopening onder de voorruit, de verschillende luchtkanalen, ventilatieroosters en overige uitstroomopeningen alsmede de ventilatieopening in de bagageruimte vrij blijven. Let erop dat de zonnesensor op het dashboard niet wordt afgedekt. Deze sensor dient voor de regeling van de automatische airconditioning. Zet de airconditioning minstens één tot twee keer per maand vijf tot tien minuten aan om het systeem in per fecte staat te houden. Controleer regelmatig de staat van het interieur filter en laat de filterelementen periodiek vervangen. Wij raden u een gecombineerd interieur filter aan. Dankzij het toegevoegde speciale actieve middel draagt het bij tot een gezuiverde lucht voor de inzittenden en een schoon interieur (vermindering van allergische reacties, stank en vetaanslag). Laat om de per fecte werking van de airconditioning te garanderen het systeem regelmatig controleren zoals voorgeschreven in het garantie- en onderhoudsboekje. Gebruik de airconditioning niet als deze niet koelt en raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.
Gebruiksadviezen voor de verwarming, ventilatie en airconditioning
Als de auto lange tijd in de zon heeft gestaan en de temperatuur in het interieur hoog is opgelopen, zet dan de ruiten enige tijd open. Zorg ervoor dat de aanjagersnelheid voldoende hoog is ingesteld, zodat de lucht in het interieur goed ververst
wordt. Het airconditioningssysteem is chloorvrij en is niet schadelijk voor de ozonlaag.
Condensvorming in de airconditioning kan ertoe leiden dat zich een klein plasje water onder de auto vormt. Dit is een normaal verschijnsel.
Bij een zware belasting van de motor (trekken van een aanhanger op een steile helling bij een hoge buitentemperatuur) kan de airconditioning tijdelijk worden uitgeschakeld voor een optimale trekkracht van de motor.
Stop & Start-systeem
De ver warming en de airconditioning werken uitsluitend bij draaiende motor.
Als u het thermische comfort in de auto op het door u gewenste niveau wilt houden, kunt u tijdelijk de functie Stop & Start uitschakelen (zie de desbetreffende rubriek).

149
4
Rijden
308_nl_Chap04_conduite_ed02-2013
PictogramBijbehorende meldingToelichting
"SYSTEEM UITGESCHAKELD: Snelheid ongeschikt"
Als de snelheid van uw auto buiten het werkingsbereik ligt. Als de snelheid niet geschikt is, wordt een melding weergegeven zolang de snelheid niet aan de voor waarden voldoet (ongeveer lager dan 70 km/h of hoger dan 150 km/h. Bij het verminderen van snelheid wordt de functie echter uitgeschakeld zodra de snelheid lager is dan 45 km/h).
" Systeem gedeactiveerd " Dit wordt als de functie wordt uitgeschakeld weergegeven in de weergavemodus "RIJDEN".
SYSTEEM UITGESCHAKELD: Verminderd zicht Het systeem wordt automatisch uitgeschakeld als de sensor het voertuig vóór u niet goed waarneemt (slechte weersomstandigheden, sensor slecht afgesteld, ... ).

150
Rijden
308_nl_Chap04_conduite_ed02-2013
Onder bepaalde omstandigheden is het mogelijk dat de gevolgde auto niet kan worden gedetecteerd, bijvoorbeeld: - als u in een bocht rijdt, - als u van rijstrook wisselt, - als de voorligger zich buiten het bereik van de sensor bevindt (maximaal bereik: ongeveer 100 m),
Beperkingen van de
werking
In het geval van een storing in het systeem wordt dit pictogram weergegeven in combinatie met een melding.
Storing
Laat het systeem controleren door het PEUGEOT-netwerk of door een gekwalificeerde werkplaats.
Als u het systeem na een reparatie voor het eerst gebruikt, kan een melding worden weergegeven die aangeeft dat het systeem bezig is met resetten. De functie is dan niet beschikbaar. Zodra deze melding is verdwenen, is het systeem weer klaar voor gebruik. Als de melding niet verdwijnt, raadpleeg dan het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.
De werking van de radar, die achter de voorbumper is gemonteerd, kan verstoord worden door bepaalde weersomstandigheden, die een opeenhoping van sneeuw, ijs, modder enz. veroorzaken. Reinig de voorbumper door de sneeuw of de modder te ver wijderen.

156
Rijden
308_nl_Chap04_conduite_ed02-2013
Dodehoekbewaking
Werking
In de buitenspiegel aan de zijde waar zich dat voertuig bevindt, brandt dan permanent een lampje: - direct, wanneer u wordt ingehaald, - na circa een seconde, wanneer u langzaam een andere auto inhaalt.
Deze rijhulp waarschuwt de bestuurder wanneer zich een ander voertuig in de dode hoek van zijn auto bevindt, dat een potentieel gevaar betekent.
Op het instrumentenpaneel gaat dit verklikkerlampje branden. Sensoren in de voor- en achterbumper controleren de dode hoek van de auto.
Het systeem dient als hulp voor de bestuurder maar kan nooit een vervanging zijn voor de spiegels. De bestuurder blijft te allen tijde verantwoordelijk voor het op tijd waarnemen wat er zich achter hem bevindt, het inschatten van de snelheid en afstand van achteropkomend verkeer en de beslissing of hij al dan niet veilig van rijstrook kan wisselen. Het systeem dient als een hulp voor de bestuurder en kan alleen waarschuwen; de bestuurder blijft zelf te allen tijde verantwoordelijk voor een veilig weggedrag.
De functie kan worden geactiveerd via het menu "Rijhulpsysteem" van het touchscreen.
Druk op deze toets: het bijbehorende lampje gaat branden.

158
Rijden
308_nl_Chap04_conduite_ed02-2013
Om deze functie uit te schakelen drukt u nog een keer op deze toets: het lampje van de toets en het bijbehorende verklikkerlampje op het instrumentenpaneel gaan uit.
Bij een storing in het systeem gaat dit verklikkerlampje enkele seconden knipperen; vervolgens gaat het uit.
Storing
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.
De dodehoekbewaking wordt automatisch uitgeschakeld als u een aanhanger trekt met een door het PEUGEOT-netwerk gehomologeeerde trekhaak.
Bij slechte weersomstandigheden (zware regen, hagel enz.) kan het systeem tijdelijk minder nauwkeurig werken. Vooral het rijden op een nat wegdek of van een droog wegdek op een nat wegdek terechtkomen kan tot een vals alarm leiden (zo kan een wolk waterdruppels in de dode hoek worden aangezien voor een voertuig). Let er bij slecht weer en in de winter altijd op dat de sensoren niet met modder, sneeuw of ijs bedekt zijn. Plak geen stickers of andere zaken op het gedeelte onder de buitenspiegels waar de waarschuwingslampjes zitten, omdat de de dodehoekbewaking dan mogelijk niet goed werkt. Dit geldt ook voor de detectiezones op de voor- en achterbumper.
Bij het afzetten van het contact wordt de status van het systeem opgeslagen.
Wassen met hogedrukspuit Houd tijdens het wassen van de auto het uiteinde van de hogedrukspuit op minimaal 30 centimeter van de sensoren.

159
4
Rijden
308_nl_Chap04_conduite_ed02-2013
Deze functie signaleert met behulp van sensoren in de bumper obstakels in de nabijheid van de auto (personen, auto's, bomen, slagbomen, enz.) die binnen het detectiebereik vallen. Bepaalde obstakels (paaltjes, pionnen, enz.) die aanvankelijk wel worden gedetecteerd, worden door dode hoeken in het detectiebereik mogelijk niet meer gedetecteerd als ze zich vlak bij de auto bevinden.
Parkeerhulp
Deze functie is een hulpsysteem: de bestuurder dient altijd alert te blijven en is zelf verantwoordelijk.
De functie wordt geactiveerd zodra de achteruitversnelling wordt ingeschakeld. Hierbij klinkt een geluidssignaal. Zodra de achteruitversnelling wordt uitgeschakeld, is de functie niet meer actief.
Geluidssignalen
De bestuurder wordt via een onderbroken geluidssignaal gewaarschuwd bij het naderen van obstakels. De frequentie van het geluidssignaal neemt toe naarmate de auto het obstakel nadert. Aan de weergave van het geluidssignaal via de luidspreker (rechts of links) is te herkennen aan welke zijde van de auto het obstakel zich bevindt. Zodra de afstand tussen de auto en het obstakel kleiner wordt dan dertig centimeter, klinkt het geluidssignaal ononderbroken.
Parkeerhulp
achter
G r a fi s c h e w e e r g a v e
De grafische weergave is een aanvulling op het geluidssignaal. Op het display of op het instrumentenpaneel worden blokjes weergegeven die het pictogram van de auto steeds dichter naderen. Als de auto het obstakel zeer dicht genaderd is, verschijnt het symbool "Gevaar".

160
Rijden
308_nl_Chap04_conduite_ed02-2013
Parkeerhulp
vóór
Aan de hand van het geluid dat via de luidspreker (voor of achter) wordt weergegeven, is te herkennen of het obstakel zich voor of achter de auto bevindt.
De functie wordt automatisch uitgeschakeld zodra een aanhanger wordt aangekoppeld of een fietsendrager wordt gemonteerd (auto's voorzien van een door PEUGEOT aanbevolen trekhaak of fietsendrager).
Controleer bij slecht weer of in winterse omstandigheden of de sensoren soms bedekt zijn met modder, ijs of sneeuw. Bij het inschakelen van de achteruitversnelling geeft een geluidssignaal (lange pieptoon) aan dat de sensoren vuil kunnen zijn. De parkeerhulp kan geluidssignalen geven als reactie op bepaalde omgevingsgeluiden (motoren, vrachtwagens, drilboren, enz.).
De parkeerhulp vóór is een aanvulling op de parkeerhulp achter en wordt geactiveerd zodra er bij een wagensnelheid van maximaal 10 km/h vóór de auto een obstakel wordt gedetecteerd. De parkeerhulp vóór wordt uitgeschakeld zodra de auto langer dan drie seconden stilstaat met een ingeschakelde versnelling vooruit, als er geen obstakel meer wordt gedetecteerd of wanneer de wagensnelheid hoger wordt dan 10 km/h.
Uitschakelen/activeren van de parkeerhulp vóór en achter
Storing
Als er een storing optreedt, gaat bij het inschakelen van de achteruitversnelling dit verklikkerlampje op het instrumentenpaneel branden en/of wordt er een melding weergegeven, in combinatie met een geluidssignaal (korte pieptoon).
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.
De functie kan worden uitgeschakeld via het menu " Rijhulpsysteem " van het touchscreen.
Druk op deze toets. Het lampje van de toets gaat branden.
Door de knop opnieuw in te drukken wordt de functie weer geactiveerd. Het controlelampje dooft.

162
Rijden
308_nl_Chap04_conduite_ed02-2013
Park Assist
Dit systeem assisteert u actief bij het parkeren door een parkeerplek te detecteren en vervolgens het sturen van u over te nemen bij het inparkeren. Het systeem bedient de stuurinrichting ter wijl de bestuurder het gaspedaal, het rempedaal, de versnellingsbak en de koppeling (handgeschakelde versnellingsbak) bedient. Tijdens het in- en uitparkeren informeert het systeem de bestuurder met beelden op het scherm en geluidssignalen, zodat hij erop kan toezien dat de manoeuvres veilig worden uitgevoerd. Bij het parkeren kan het noodzakelijk zijn dat u enkele keren moet steken.
Tijdens de manoeuvres draait het stuur wiel snel rond: houd daarom het stuur wiel niet tegen, steek niet uw handen tussen de spaken en zorg dat ook uw kleding, uw sjaal, een handtas en dergelijke niet tussen de spaken terechtkomen. U zou hierdoor letsel kunnen oplopen.
Als de Park Assist is geactiveerd, gaat het Stop & Start-systeem niet over op de STOP-stand. In de STOP-stand wordt bij het activeren van de Park Assist de motor weer gestart. Het Park Assist-systeem is een hulpmiddel voor de bestuurder die desondanks waakzaam moet blijven en verantwoordelijk is. De bestuurder moet ervoor zorgen dat de auto tijdens de gehele manoeuvre onder controle blijft en geen obstakels kan raken. Onder bepaalde omstandigheden detecteren de sensoren mogelijk geen kleine obstakels die zich in hun dode hoeken bevinden.
De bestuurder kan op elk gewenst moment het stuur zelf weer overnemen.
De Park Assist assisteert u bij de volgende parkeermanoeuvres:
- fileparkeren
- uitparkeren na fileparkeren
- haaks inparkeren
De Park Assist kan maximaal 4 parkeercycli achter elkaar uitvoeren. Na deze 4 cycli wordt de functie gedeactiveerd. Als u vindt dat uw auto op dat moment niet goed geparkeerd staat, moet u zelf het stuur weer ter hand nemen om de manoeuvre te voltooien. De functie Park Assist werkt niet als de motor is afgezet.