199
6
Veiligheid
308_nl_Chap06_securite_ed02-2013
Airbags
De airbags zijn speciaal ontworpen om de veiligheid van de inzittenden (uitgezonderd de middelste passagier achter) bij ernstige aanrijdingen te verbeteren. De airbags vormen een aanvulling op de werking van de veiligheidsgordels met spanbegrenzers (behalve bij de middelste passagier achter). De elektronische schoksensoren registreren de frontale en zijdelingse aanrijdingen waaraan de registratiezones voor een aanrijding worden blootgesteld: - bij een ernstige aanrijding gaan de airbags onmiddellijk af om de inzittenden van de auto (uitgezonderd de middelste passagier achter) te helpen beschermen. Direct na de aanrijding ontsnapt het gas snel uit de airbags, zodat het zicht niet wordt belemmerd en de inzittenden de auto eventueel kunnen verlaten, - bij een minder ernstige aanrijding of een aanrijding van achteren en in bepaalde gevallen waarbij de auto over de kop slaat, treden de airbags niet in werking. De veiligheidsgordels helpen u in deze situaties voldoende te beschermen.
De airbags werken alleen als het contact aan is. De airbags werken slechts eenmaal. Als er een tweede aanrijding plaatsvindt (tijdens hetzelfde of een volgend ongeval), worden de airbags niet meer opgeblazen.
Het activeren van de airbags gaat gepaard met wat rook en een knal, als gevolg van de activering van de pyrotechnische lading die in het systeem is geïntegreerd. De rook is niet schadelijk, maar kan voor personen die hier gevoelig voor zijn, irriterend zijn. De knal die bij het afgaan wordt geproduceerd, kan het gehoor gedurende een korte periode enigszins verminderen.
Registratiezones voor een aanrijding
A. Impactzone vóór. B. Impactzone opzij.
05
308_nl_Chap10c_SMEGplus_ed02-2013
De straatnamen worden op de kaart weergegeven bij een schaal van 100 m of kleiner.
Confi gureren
Selecteer " Kenmerk ".
Selecteer:
- " Kaartkleur "dag" " om de kaart altijd in de dagstand weer te geven.
- " Kaartkleur "nacht" " om de kaart altijd in de nachtstand weer te geven.
- " Dag-/nachtst. automat. " om de weergave van de kaart automatisch aan de hoeveelheid buitenlicht aan te passen.
Deze instelling werkt met behulp van de lichtsensor van de auto of door handmatig de verlichting in te schakelen. Selecteer " Confi g. kaart ".
Druk op Navigatie om de hoofdpagina weer te geven en druk vervolgens op de secundaire pagina.
KAART
Druk vervolgens op " Bevestigen " om de wijzigingen op te slaan.
334