
4PRESENTATIE
In de rubrieken kunt u de volgende symbolen aantreffen:
Dit instructieboekje is ontwikkeld om u in korte tijd
vertrouwd te maken met alle functies van uw nieuwe auto.
Het instructieboekje is verdeeld in 10 rubrieken met elk
een eigen kleur. In de rubrieken komen alle mogelijke
functies van de auto gerangschikt per thema aan bod.
COMMUNICATIE, BEZOEK DE WEBSITE VAN PEUGEOT
Surf naar http://public.servicebox.peugeot.com en
selecteer:
- het model van uw auto,
- de carrosserievariant van uw auto: 3-/5-deurs, sedan,
CC, SW, break, gesloten bestelwagen...,
- de periode die overeenkomt met de eerste
tenaamstelling van uw auto,
- het hoofdstuk "Laatste informatie". De technische gegevens, uitrusting en accessoires
kunnen in de loop van het jaar gewijzigd worden.
Raadpleeg voor meer informatie over deze wijzigingen
gratis de pagina "Laatste informatie" op de website
SERVICEBOX. In rubriek 8 vindt u een overzicht van de technische
gegevens van uw auto. De visuele index achter in dit
instructieboekje verwijst u naar de bladzijden met meer
informatie over de desbetreffende uitrusting en functies. dit symbool verwijst naar de rubriek en het gedeelte waar
meer informatie over de desbetreffende functie is te vinden,
dit symbool vraagt uw aandacht voor aanvullende
informatie die u helpt de gebruiksmogelijkheden van uw
auto optimaal te benutten,
dit symbool geeft een waarschuwing met betrekking tot
de veiligheid van de inzittenden en de voorzieningen aan
boord.

http://public.servicebox.peugeot.com

Toegang tot de auto
VOORDAT u GAAT RIJDEN
2
23
PORTIEREN
Automatische centrale
vergrendeling
Zodra sneller wordt gereden dan
10 km/h, worden de portieren
automatisch vergrendeld.
U kunt deze functie desgewenst
inschakelen of uitschakelen.
Uitschakelen
Druk bij aangezet contact
lang op het hangslot.
Bij het uitschakelen van de
functie is een geluidssignaal te horen.
Openen van buitenaf
Openen van binnenuit
Als de normale vergrendeling of
supervergrendeling van buitenaf
is ingeschakeld, knippert het
rode lampje en kunnen de portieren
niet worden ontgrendeld door op het
hangslot te drukken. Gebruik dan de
sleutel of de afstandsbediening om van
buitenaf te ontgrendelen.
De portieren kunnen niet met de
portiergrepen worden geopend wanneer
de supervergrendeling is ingeschakeld.
Vergrendelen/ontgrendelen
van binnenuit
Druk op het hangslot, het
rode lampje gaat branden bij
het vergrendelen en het gaat
uit bij het ontgrendelen.
Met deze knop kunnen de portieren en
de achterklep worden vergrendeld en
ontgrendeld.
Inschakelen
Druk bij aangezet contact
lang op het hangslot.
Bij het inschakelen van de
functie is een geluidssignaal te horen
in combinatie met een melding op het
display
.
Waarschuwingsmelding
"portier open"
Als een portier of de achterklep niet goed is
gesloten:
-
worden bij draaiende motor
gedurende
enkele seconden een grafische voorstelling
en een melding weergegeven op het display,
-
gaat tijdens het rijden
(wagensnelheid
hoger dan 10 km/h) het verklikkerlampje
service branden, in combinatie met een
geluidssignaal, een grafische voorstelling
en een melding op het display gedurende
enkele seconden.

Cockpit
30
Verklikkerlampje
status signaleert Wat te doen
Koelvloeistoftemperatuur
en -niveau
brandt. een abnormale verhoging van
de temperatuur. Zet de auto stil, zet het contact af en laat de
koelvloeistof afkoelen. Controleer visueel het niveau.
Zie in rubriek 2 het gedeelte "Cockpit".
knippert. een te laag
koelvloeistofniveau. Zie in de rubriek 6 het gedeelte "Niveaus". Raadpleeg
het PEUGEOT-netwerk.
Service blijft kort
branden. lichte storingen of
waarschuwingen. Raadpleeg het waarschuwingenlogboek op het
display. Zie rubriek 9 "Technologie aan boord",
gedeelte "Autoradio - Boordcomputer", afhankelijk van
de ernst van de storing. Raapleeg het PEUGEOT-
netwerk.
Zie rubriek 6, gedeelte "Niveaus" voor het
minimumniveau dieseladditief. blijft branden. ernstige storingen.
Veiligheidsgordel
zitrij 1 niet
vastgemaakt
brandt. dat de bestuurder en/
of voorpassagier zijn
veiligheidsgordel niet heeft
vastgemaakt. Doe de gordel om en steek de gesp in de
gordelsluiting.
knippert in
combinatie met
een steeds
luider wordend
geluidssignaal. tijdens het rijden is
de veiligheidsgordel
van de bestuurder of
de voorpassagier niet
vastgemaakt. Trek aan de gordel om de vergrendeling van de
gesp te controleren. Zie in rubriek 4 het gedeelte
"Veiligheidsgordels".
De bestuurder dient te controleren of alle inzittenden
hun veiligheidsgordel dragen en deze correct hebben
vastgemaakt.
Airbag vóór/
zij-airbag/
window-airbag knippert of blijft
branden. een defecte airbag. Laat het systeem zo snel mogelijk controleren door
het PEUGEOT-netwerk. Zie rubriek 4, gedeelte
"Airbags".
Uitschakeling
airbag vóór aan
passagierszijde
brandt.
dat deze airbag handmatig is
uitgeschakeld op het moment dat
een kinderzitje met de rug in de
rijrichting op deze plaats is bevestigd. Zie in de rubriek 4 het gedeelte "Airbags - kinderen
aan boord".

Cockpit
VOORDAT u GAAT RIJDEN
2
33
Verklikkerlampje status signaleert Wat te doen
Mistlampen
vóór brandt. dat de functie handmatig is
geselecteerd. De mistlampen werken uitsluitend als het parkeerlicht
of dimlicht is ingeschakeld.
Mistachterlicht brandt. dat de functie handmatig is
geselecteerd. Het mistachterlicht werkt uitsluitend als het
parkeerlicht of dimlicht is ingeschakeld. Schakel
het mistachterlicht uit als het zicht meer dan
50 m bedraagt. Laat u het branden, dan kunt u
medeweggebruikers verblinden en het risico lopen te
worden bekeurd.
Verklikkerlampje display status signaleert Wat te doen
Snelheidsregelaar
brandt. dat de snelheidsregelaar is
geselecteerd. Handmatig selecteren. Zie in rubriek 3 het gedeelte
"Stuurkolomschakelaars".
Snelheidsbegrenzer
brandt. dat de snelheidsbegrenzer is
geselecteerd. Handmatig selecteren. Zie in rubriek 3 het gedeelte
"Stuurkolomschakelaars".
Onderhoudssleutel
brandt. een bijna verstreken
onderhoudsinterval. Zie het overzicht van controlepunten in het
onderhoudsboekje. Laat onderhoud uitvoeren door
het PEUGEOT-netwerk.
Automatische
transmissie wordt
weergegeven. de geselecteerde stand van de
selectiehendel. Raadpleeg in rubriek 2 het gedeelte "Cockpit".
Waarschuwing
vervuild
roetfilter
wordt weergegeven
in combinatie met
het branden van het
verklikkerlampje service. een storing van het roetfilter
(niveau brandstofadditief,
dreigt verstopt te raken, ...). Laat het filter controleren door het PEUGEOT-
netwerk. Rubriek 6, gedeelte "Niveaus".

Cockpit
VOORDAT u GAAT RIJDEN
2
35
Onderhoudsindicator
De onderhoudsindicator wordt
weergegeven op het controledisplay
en geeft de afstand tot de volgende
onderhoudscontrole aan volgens het
onderhoudsschema van de constructeur
(zie het onderhoudsboekje). Deze
afstand wordt bepaald op basis van
de afgelegde afstand sinds de vorige
onderhoudscontrole.
Enkele seconden na het aanzetten
van het contact geeft de teller eerst het
oliepeil en vervolgens weer de normale
kilometerstand en de stand van de
dagteller aan.
De afstand tot de eerstvolgende
beurt is minder dan 1000 km.
Elke keer dat het contact wordt
aangezet knippert de sleutel en
de resterende kilometers worden
aangegeven: Enkele seconden na het aanzetten
van het contact, wordt het oliepeil
aangegeven, geeft de teller vervolgens
weer de normale kilometerstand
en de stand van de dagteller aan
en blijft de sleutel branden. Dit om
aan te geven dat er binnenkort
onderhoudswerkzaamheden
uitgevoerd moeten worden.
De afstand tot de eerstvolgende
beurt is overschreden.
Elke keer als het contact wordt
aangezet, gaat de sleutel gedurende
enkele seconden knipperen en geeft
de teller het aantal kilometers aan dat
er te veel gereden is.
Bij draaiende motor blijft de
sleutel branden totdat de
onderhoudscontrole is uitgevoerd.
Voorbeeld:
de afstand tot de
eerstvolgende onderhoudscontrole
bedraagt 4800 km. Als het contact wordt
aangezet, geeft het display gedurende
enkele seconden het volgende aan:
Raadpleeg het overzicht van
de onderhoudscontroles in het
onderhoudsboekje dat u bij de
aflevering van de auto is overhandigd.
Werking
Als het contact wordt aangezet, gaat
gedurende enkele seconden de sleutel
branden.
De kilometerteller geeft de
resterende kilometers (afgerond) tot de
eerstvolgende onderhoudscontrole aan.
Het onderhoudsinterval wordt
berekend vanaf de laatste nulstelling
van de onderhoudsindicator.
Deze interval wordt bepaald door het
aantal afgelegde kilometers.
Raadpleeg voor meer informatie
de volgende internetsite:
http://public.servicebox.peugeot.com

Cockpit
36
Op 0 zetten
Het PEUGEOT -netwerk zet de
onderhoudsindicator na elke
onderhoudscontrole weer op 0.
Als u zelf de onderhoudscontrole
van uw auto hebt uitgevoerd, kan de
onderhoudsindicator op de volgende
wijze op 0 gezet worden:
- zet het contact af.
- druk op de resetknop van de
dagteller en houd deze ingedrukt.
- zet het contact aan.
De kilometerteller begint terug te tellen.
Laat de knop los als de
onderhoudsindicator "= 0
" aangeeft; de
sleutel verdwijnt.
Motorolieniveaumeter
Bij het aanzetten van het contact
wordt eerst de onderhoudsindicator
weergegeven en vervolgens
gedurende enkele seconden het
motorolieniveau.
Olieniveau
correct
Te weinig olie
Als de aanduiding
"OIL"
knippert in
combinatie met het
verklikkerlampje
service, een geluidssignaal en
een melding op het display, is het
motorolieniveau te laag, waardoor
ernstige motorschade kan ontstaan.
Controleer het olieniveau met de
peilstok. Als blijkt dat het olieniveau te
laag is, moet olie worden bijgevuld.
Storing
motorolieniveaumeter
Als de aanduiding
"OIL --"
knippert,
duidt dit op een
storing in de motorolieniveaumeter.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk.
Oliepeilstok
A
= maxi, het oliepeil mag
nooit boven dit niveau
uitkomen. Een te hoog
oliepeil kan schade aan de
motor veroorzaken.
Raadpleeg in dat geval zo
snel mogelijk het PEUGEOT-
netwerk .
B
= mini, als het oliepeil niet
boven dit niveau uitkomt, moet
het voor de motor van uw auto
voorgeschreven type motorolie
worden bijgevuld via de vuldop.
Nulstelling dagteller
Druk, terwijl het contact
aan is, de knop in tot de
nullen verschijnen.
Dimmer
dashboardverlichting
Druk, tijdens het branden
van de verlichting, op de
knop om de sterkte van de
dashboardverlichting te veranderen.
Als de verlichting de zwakste (of felste)
stand heeft bereikt, laat dan de
knop los en druk deze vervolgens
opnieuw in om de verlichting weer
feller (of zwakker) te maken.
Laat de knop los zodra de gewenste
lichtsterkte is bereikt. Een controle van het olieniveau
is alleen betrouwbaar als de
auto op een vlakke, horizontale
ondergrond staat en de motor
minstens 15 minuten niet heeft
gedraaid. Als u na deze handeling de accu
wilt loskoppelen, vergrendel
dan de auto en wacht minimaal
vijf minuten. Het resetten van de
onderhoudsindicator zal anders niet
worden opgeslagen.

Stuurkolomschakelaars
ERGONOMIE en COMFORT
3
45
Follow me home (automatisch)
Als het contact is afgezet en de
functie automatisch inschakelen
van de verlichting
actief is, blijven de
parkeer- en dimlichten gedurende een
geselecteerde tijdsduur branden als u
de auto verlaat.
Deze functie kan worden
in- en uitgeschakeld via het
configuratiemenu van het
display.
De tijdsduur kan eveneens worden
ingesteld (15, 30 of 60 s) via het
configuratiemenu van het display.
Voer deze handelingen bij stilstaande
auto uit.
KOPLAMPVERSTELLING
Afhankelijk van de belading van de
auto kan het noodzakelijk zijn om de
koplampen in hoogte te verstellen.
0
- 1 of 2 personen voorin.
1
- 5 personen.
2
- 6 - 8 personen.
3
- Bestuurder + maximaal toegestane
belading.
Stand 0: basisinstelling.
Bij mist of sneeuwval kan de
lichtsensor voldoende licht
waarnemen en zullen de
lichten niet automatisch worden
ingeschakeld.
Automatisch inschakelen van de verlichting
Uitschakelen
Draai de ring naar voren of naar
achteren. Bij het uitschakelen van de
functie verschijnt een melding op het
display.
De functie wordt tijdelijk uitgeschakeld
als de verlichting met de
lichtschakelaar wordt bediend.
Bij een storing in de lichtsensor
gaat de verlichting branden en wordt
het pictogram service weergegeven in
combinatie met een geluidssignaal en
een melding op het display.
Raadpleeg het PEUGEOT netwerk .
Dek de lichtsensor, die zich in
het midden van het dashboard
bevindt, niet af. Deze sensor dient
voor de regeling van de automatische
verlichting en ruitenwissers.
Inschakelen
Draai de ring in de stand AUTO
. Bij het
inschakelen van de functie verschijnt
een melding op het display.
AUTOMATISCHE
KOPLAMPVERSTELLING
(XENON)
Bij auto’s met xenonlampen stelt het
systeem automatisch de hoogte van
de lichtbundel af, ongeacht de belading
van de auto. De bestuurder is dus
verzekerd van een optimale verlichting
en kan andere weggebruikers niet
verblinden.
Uitschakelen:
-
geef een "lichtsignaal",
- verlaat en vergrendel de auto.
Als uw auto is
voorzien van een
lichtsensor, worden
het parkeerlicht en het
dimlicht automatisch
ingeschakeld als
de lichtsterkte van de omgeving
onvoldoende is en als de ruitenwissers
zijn ingeschakeld. De verlichting wordt
uitgeschakeld als de lichtsterkte van de
omgeving weer voldoende is of het wissen
is gestopt. Deze functie is niet mogelijk in
combinatie met verlichting overdag.