Page 168 of 670

555
Rijden met uw auto
Trailer Stability Assist (TSA)
(indien van toepassing)
De Trailer Stability Assist werkt op
dezelfde manier als de elektronische
stabiliteitsregeling. De Trailer Stability
Assist probeert de auto en de aanhangerte stabiliseren als de aanhanger
uitbreekt of begint te slingeren. Het
uitbreken of slingeren van een
aanhanger kan verschillende oorzaken
hebben. Het slingeren gebeurt meestal
bij hogere rijsnelheden, maar het risico is
het grootst bij zijwind, windstoten en/ofonjuiste belading.
Oorzaken van slingeren: - Hoge snelheid- Harde zijwind
- Te zware of onjuist verdeelde lading- Plotselinge uitwijkmanoeuvres
- Oneffenheden in het wegdekDe Trailer Stability Assist houdt de
stabiliteit van de auto en de aanhanger
constant in de gaten. Als de Trailer
Stability Assist signaleert dat de
aanhanger begint te slingeren, worden
automatisch de voorwielen van de autoafgeremd om de combinatie te
stabiliseren. Als dat niet voldoende is,
worden alle wielen automatisch
afgeremd en wordt het motorvermogen
voor zover nodig verminderd. Zodra de
stabiliteit van de combinatie is hersteld,
stopt de werking van de Trailer StabilityAssist.
Hill-start Assist Control (HAC)
(indien van toepassing)
Een auto heeft de neiging om achteruit te
rijden als u wegrijdt op een helling. De
Hill-start Assist Control (HAC) voorkomt
dat de auto dan achteruitrijdt, doordat de
remmen automatisch ongeveer 2
seconden bediend worden. De remmen
worden weer gelost wanneer het
gaspedaal ingetrapt wordt of na
ongeveer 2 seconden.
✽✽
AANWIJZING
Page 182 of 670

569
Rijden met uw auto
Om het LDWS in te schakelen, drukt u op de toets terwijl de toets ENGINE
START/STOP in stand ON staat. Hetcontrolelampje op het
instrumentenpaneel gaat branden. Druk
opnieuw op de toets om het LDWS uit te
schakelen.
De kleur van het symbool is afhankelijk
van de conditie van het LDWS.
- Wit : De sensor signaleert geenrijstrookmarkering.
- Groen : De sensor signaleert de rijstrookmarkering. Als uw auto de rijstrook verlaat terwijl het
LDWS is ingeschakeld en de rijsnelheid
hoger is dan 60 km/h, dan werkt de
waarschuwing als volgt:
1. Visuele waarschuwing
Als u de rijstrook verlaat, knippert de
rijstrook die u verlaat geel op het LCD-
display met een interval van 0,8 s.
2. Hoorbare waarschuwing
Als u de rijstrook verlaat, klinkt het
waarschuwingsgeluid met een interval
van 0,8 s.
ODM052049
ODM042147
ODM042150
ODM042148
ODM042149
■
Wanneer de sensor de rijstrookmarkering
signaleert■ Waarschuwing bij het overschrijden van de
linker rijstrookmarkering
■ Wanneer de sensor de rijstrookmarkering niet
signaleert
■ Waarschuwing bij het overschrijden van de
rechter rijstrookmarkering
Page 205 of 670

Rijden met uw auto
92
5
Is het niet anders mogelijk dan de auto
op een helling te parkeren, doe dit dan
als volgt:
1. Zet de auto op de parkeerplaats. Draai
het stuurwiel in de richting van de
stoeprand (rechtsom als u parkeert opeen aflopende helling, linksom op eenstijgende helling).
2. Als de auto een handgeschakelde versnellingsbak heeft, zet u deze in de
vrijstand. Als de auto een
automatische versnellingsbak heeft,
zet u deze in de stand P (Park).
3. Trek de parkeerrem aan en sluit de auto af.
4. Plaats blokken voor de wielen van de aanhanger in de richting van deaflopende helling.
5. Start de auto, houd de rem ingetrapt, schakel in de vrijstand, zet de
parkeerrem los en laat het rempedaal
langzaam opkomen tot de blokken het
gewicht van de aanhangertegenhouden. 6. Trap het rempedaal weer in, trek de
parkeerrem weer aan en zet de
versnelling in de stand R (achteruit) bij
een handgeschakelde versnellingsbak
en in de stand P (parkeren) bij een
automatische versnellingsbak.
7. Zet de motor af en laat het rempedaal los, maar laat de parkeerrem
aangetrokken blijven. Wegrijden op een helling
1. Zet de handgeschakelde transmissie
in de vrijstand of de automatische
transmissie in stand P, houd het
rempedaal ingetrapt en:
versnelling of in stand D.
2. Laat het rempedaal langzaam los.
3. Rijd langzaam vooruit tot de aanhanger los komt van de blokken.
4. Stop en laat de blokken door iemand oprapen en opbergen.
WAARSCHUWING
- Parkeerrem
Stap niet uit voordat de parkeerrem
goed is aangetrokken.
Als u de motor laat draaien, kan de
auto plotseling in beweging komen.
Uzelf of andere mensen kunnen
hierdoor ernstig letsel oplopen.
Page 285 of 670

4267
Kenmerken van uw auto
Stuurwieltoetsen
1. VOLUME
regelen.
2. MUTE
3. SEEK
gedrukt (korter dan 0,8 seconden)
- Radiomodus: zoekt frequenties van uitzendingen die onder voorkeuzen zijn opgeslagen.
- Mediamodi (CD/USB/iPod/Mijn muziek/BT Audio): wisselt van
muziekstuk, bestand of hoofdstuk.
gehouden (langer dan 0,8 seconden)
- Radiomodus, zoekt automatisch naar frequenties waarop wordt uitgezonden
en zenders.
- Mediamodi (CD/USB/iPod/Mijn muziek), spoelt snel terug of vooruit in
het muziekstuk of bestand
- De BT Audio-modus wordt mogelijk niet op sommige mobiele telefoonsondersteund. 4. MODE
wijzigt de modus in de volgorde FM1 ➟
FM2 ➟FMA ➟AM ➟AMA ➟USB of
iPod ➟AUX ➟Mijn muziek ➟BT Audio
als er geen CD is geplaatst, worden de
corresponderende modi uitgeschakeld.
5. (indien van toepassing)
gedrukt (korter dan 0,8 seconden)
- Start de spraakherkenning
- Wanneer deze functie wordt geselecteerd tijdens een stembegeleiding, stopt de begeleiding
en wordt de wachtstatus voor het
spraakcommando ingeschakeld
gehouden (langer dan 0,8 seconden)
- Beëindiging van de spraakherkenning
Page 347 of 670

4329
Kenmerken van uw auto
SPRAAKHERKENNING
(indien van toepassing)
De spraakherkenning gebruiken
De spraakherkenning starten
Druk kort op de toets op het
stuurwiel. Geef een commandoAls de [Normal Mode] (normale modus)
voor de spraakcommando's is
ingeschakeld, zegt het systeem "Geef
een commando. Piep~"
voor de spraakcommando's is
ingeschakeld, zeg het systeem alleen"Piep~"
Mode (normale modus/expertmodus)wilt wijzigen, gaat u naar
[System] (systeem) [Prompt
Feedback] [stembegeleiding].
✽✽ AANWIJZING
Geef het spraakcommando voor een
juiste spraakherkenning direct na destembegeleiding en de pieptoon.
Stembegeleiding overslaan
Tijdens de stembegeleiding Druk kort
(korter dan 0,8 seconden) op de toets op het stuurwiel.
De stembegeleiding wordt onmiddellijk
gestopt en er klinkt een pieptoon. Geefhet commando na de "piep".
De spraakherkenning opnieuw starten
Als het systeem op een commando
wacht druk kort (korter dan 0,8
seconden) op de toets op hetstuurwiel.
De wachtstand voor het commando
wordt onmiddellijk gestopt en er klinkt
een pieptoon. Geef het commando na de"piep".SETUP
Page 462 of 670

419
Kenmerken van uw auto
Alarm geactiveerd
Het alarm wordt geactiveerd als een van
de volgende situaties zich voordoet
terwijl het alarm is ingeschakeld.
Een van de voor- of achterportierenwordt geopend zonder de afstands
-bediening of Smart Key.
De achterklep wordt zonder de afstandsbediening of de Smart Key geopend.
De motorkap wordt geopend.
Het alarm klinkt en de alarm
-knipperlichten knipperen gedurende 27
seconden, tenzij het systeem wordt
uitgeschakeld. Het alarm kan worden
uitgeschakeld door de portieren te
ontgrendelen met de afstandsbediening
of Smart Key. Alarm uitgeschakeld
Het systeem wordt in de volgende
situaties uitgeschakeld:
Afstandsbediening
- De toets voor portier ontgrendelen
wordt ingedrukt.
- De motor wordt gestart.
- Het contact staat gedurende ten minste 30 seconden in stand ON.
Smart Key
- De toets voor portier ontgrendelenwordt ingedrukt.
- De toets van het voorportier wordt ingedrukt terwijl u de Smart Key bij u heeft.
- De motor wordt gestart.
- De toets ENGINE START/STOP staat in stand ON.
Nadat de portieren zijn ontgrendeld,
knipperen de alarmknipperlichten
tweemaal om aan te geven dat het alarm
is uitgeschakeld.
Als er op de ontgrendeltoets van de
afstandsbediening wordt gedrukt en er
binnen 30 seconden geen portier (of
achterklep) wordt geopend, wordt het
alarm weer ingeschakeld.
✽✽ AANWIJZING
Page 501 of 670

Kenmerken van uw auto
58
4
Bediening instrumentenpaneel
Regelen dashboardverlichting
(indien van toepassing)
De intensiteit van de
dashboardverlichting kan worden
veranderd door de regelknop naar rechts
of links te bewegen als het contact of de
toets ENGINE START/STOP in de stand
ON staat of als de verlichting is
ingeschakeld. Er zijn 20 standen voor de
lichtintensiteit: 1 (MIN) ~ 20 (MAX)
Wanneer u de regelknop van de dashboardverlichting naar rechts (+) of
naar links (-) gedraaid houdt, wordt de
lichtintensiteit traploos geregeld.
Als de lichtintensiteit het maximale of minimale niveau bereikt, klinkt eengeluidssignaal. Bediening LCD-display
De instellingen van het LCD-display
kunnen worden gewijzigd met debedieningstoetsen op het stuurwiel.
(1) : Toets MODE voor het selecteren
van modi
(2) : Toets MOVE voor het selecteren van functies
(3) : Toets SELECT/RESET voor het instellen of resetten van de geselecteerde functie
❈ Zie "LCD-display" in dit hoofdstuk voorde LCD-modi.
ODM042056
ODM042224
ODMEDI2029/ODMEDI2029HO
■
Type A
■ Type B
ODMEDI2001■Type C
Page 504 of 670
461
Kenmerken van uw auto
Koelvloeistoftemperatuurmeter
Wanneer het contact of de toets ENGINE
START/STOP in stand ON staat, geeft
deze meter de koelvloeistoftemperatuur
weer.
Brandstofmeter
De brandstofmeter geeft bij benadering
de hoeveelheid brandstof aan die nog in
de tank aanwezig is.
WAARSCHUWING
Verwijder de radiateurdop nooit als
de motor heet is. De koelvloeistof
staat onder druk en kan ernstige
brandwonden veroorzaken. Wacht
totdat de motor is afgekoeld
alvorens het reservoir bij te vullen
met koelvloeistof.
OPMERKING
Als de naald van de meter buiten het normale bereik komt en in derichting van stand 130 of Hbeweegt, duidt dit op oververhitting
van de motor, waardoor schade aande motor kan ontstaan.
Blijf niet rijden met een oververhittemotor. Raadpleeg "Als de motoroververhit raakt" in hoofdstuk 6
wanneer de motor oververhit raakt.
ODMEMM2223/ODMNMM2223
■
Type A
ODMEMM2351/ODMNMM2351
■
Type B
ODMEMM2222/ODMNMM2222
■
Type A
ODMEMM2352/ODMNMM2352
■
Type B