
779
Onderhoud
Vervangen van koplampen (HID),parkeerlichten,richtingaanwijzerlampen, mistlampenvóór en bochtverlichting
Als de lamp niet brandt, adviseren we u contact op te nemen met een officiële
HYUNDAI-dealer.
✽✽ AANWIJZING
Gasontladingslampen hebben een
langere levensduur danhalogeenlampen. Gasontladingslampengaan volgens schatting van de fabrikant
twee keer zo lang of langer mee danhalogeenlampen, afhankelijk van de
gebruiksfrequentie. Ze zullenwaarschijnlijk wel op enig moment inhet leven van de auto moeten worden
vervangen. Vaker in- en uitschakelenvan de koplampen dan gebruikelijk
verkort de levensduur van degasontladingslampen.Gasontladingslampen raken niet op
dezelfde manier defect als
halogeenlampen. Als de koplampuitgaat na een werkingsperiode, maar
direct weer gaat branden als de
koplampschakelaar wordt bediend,moet de gasontladingslampwaarschijnlijk worden vervangen.Gasontladingslampen zijn complexerdan de conventionele halogeenlampen
en hebben dus hogerevervangingskosten.Koplampen en mistlampen voor afstellen
Afstellen koplampen
Zonder AFLS
1. Breng de banden op de voorgeschreven spanning en verwijder
alle lading uit de auto behalve het
reservewiel en het gereedschap. Laatiemand in de auto plaatsnemen op debestuurdersstoel.
2. De auto moet op een vlakke ondergrond staan.
3. Trek verticale lijnen (lijnen die door het hart gaan van de respectievelijke
koplamp) en een horizontale lijn (die
door het hart gaat van de koplamp) op
het scherm.
WAARSCHUWING - Gasontladingslamp
dimlicht (indien vantoepassing)
Probeer wegens elektrocutiegevaar
het dimlicht (xenonlamp) niet zelf te
controleren of te vervangen. Als het
dimlicht (xenonlamp) niet brandt,
adviseren we u contact op te
nemen met een officiële HYUNDAI-
dealer.
ODMEMC2027

Onderhoud
80
7
4. Controleer of de accu voldoende
geladen is, schakel de koplampen in
en stel de koplampen zo af dat het
helderste gedeelte van de lichtbundel
op de horizontale en verticale lijnen
valt.
5. Verdraai de schroevendraaier (1) rechtsom of linksom om de
dimlicht/grootlicht bundel naar links of
rechts te verstellen.
Verdraai de schroevendraaier (2) rechtsom of linksom om de
dimlicht/grootlicht bundel omhoog of
omlaag te verstellen. Met AFLS
1. Zet de motor uit
2. Zet de lichtschakelaar in de stand
dimlicht.
3. Zet de wielen met het stuur in de rechtuitstand.
4. Zet de motor uit.
5. Breng de banden op de voorgeschreven spanning en verwijder
alle lading uit de auto behalve het
reservewiel en het gereedschap. Laatiemand in de auto plaatsnemen op debestuurdersstoel.
6. De auto moet op een vlakke ondergrond staan.
7. Trek verticale lijnen (lijnen die door het hart gaan van de respectievelijke
koplamp) en een horizontale lijn (die
door het hart gaat van de koplamp) op
het scherm.
8. Controleer of de accu voldoende geladen is, schakel de koplampen in
en stel de koplampen zo af dat het
helderste gedeelte van de lichtbundel
op de horizontale en verticale lijnen
valt. 9. Verdraai de schroevendraaier (1)
rechtsom of linksom om de dimlicht-bundel naar links of rechts te
verstellen.
Verdraai de schroevendraaier (2) rechtsom of linksom om de dimlicht
-bundel omhoog of omlaag te
verstellen.
Verdraai de schroevendraaier (3)
rechtsom of linksom om de grootlicht
-bundel omhoog of omlaag te
verstellen.

Onderhoud
96
7
Roestgevoelige gebieden
Als u in een gebied woont waar uw auto
regelmatig wordt blootgesteld aan
factoren die roestvorming bevorderen, is
bescherming tegen roest uitermate
belangrijk. Een aantal veel voorkomende
oorzaken van versnelde corrosie zijn
strooizout, stofwerende chemicaliën,
zeelucht en luchtverontreiniging. Vocht werkt roest in de hand
Vocht creëert omstandigheden
waaronder roestvorming gemakkelijk
optreedt. Roestvorming wordt
bijvoorbeeld bevorderd door een hoge
luchtvochtigheid, met name als de
temperatuur net boven het vriespunt ligt.
Onder zulke omstandigheden blijven
agressieve stoffen in contact met de auto
omdat het vocht langzaam verdampt.
Modder is zeer corrosief omdat het
langzaam droogt en vocht in contact
houdt met de auto. Hoewel de modder
droog lijkt te zijn, zit er nog steeds vocht
in dat roestvorming bevordert.
Hoge temperaturen versnellen ook het
roesten van delen die niet goed
geventileerd waardoor het vocht niet
wordt afgevoerd. Daarom is het zeer
belangrijk uw auto schoon en vrij te
houden van modder en andere
vuilophopingen. Dit geldt niet alleen voor
zichtbare oppervlakken maar met name
ook voor de onderkant van de auto.
Voorkomen van roest
U kunt een bijdrage leveren aan het
voorkomen van roest door in eerste
instantie te letten op het volgende:Houd uw auto schoon De beste manier om roest tegen te gaan
is uw auto schoon te houden en vrij van
agressieve stoffen. Aandacht voor de
onderkant van de auto is zeer belangrijk.
Als u in een gebied woont waar de
kans op roestvorming groot is - waar
strooizout wordt gebruikt, dicht bij de
zee, gebied met luchtverontreiniging,
etc.-, dient u extra aandacht te
besteden aan het voorkomen van
roest. Spuit de onderkant van de autoin de winter ten minste eenmaal per
maand schoon en reinig de onderkant
aan het einde van de winter grondig.

Wanneer bovenstaande
voorzorgsmaatregelen niet in acht
worden genomen, kan schade aan dekatalysator en aan uw auto ontstaan.
Bovendien kan hierdoor de garantie
vervallen.Roetfilter (indien van toepassing)
Het roetfilter (DPF) verwijdert het roet dat
door de auto wordt uitgestoten.
In tegenstelling tot een gewoon luchtfilter
verbrandt en verwijdert het DPF-systeem
automatisch het verzamelde roet
overeenkomstig de rijomstandigheden.
Met andere woorden het actieve
verbranden door het motorregelsysteem
en de hoge uitlaatgastemperatuur die
optreedt bij het rijden met normale tot
hoge snelheid, verwijderen het
verzamelde roet.
Wanneer echter gedurende een lange
tijd langzaam wordt gereden, wordt als
gevolg van de lage
uitlaatgastemperatuur het verzamelde
roet niet automatisch verwijderd. In dat
geval bevindt de hoeveelheid roet zich
buiten de detectiegrens, zal er geen
roetoxidatie worden uitgevoerd door hetmotorregelsysteem en gaat mogelijk het
storingslampje knipperen.Wanneer het storingslampje gaatknipperen, ga dan gedurende een
bepaalde tijd (ongeveer 25 minuten)
rijden met een snelheid van ten minste
60 km/h of in een hogere versnelling dan
de tweede met een toerental van 1.500 -
2.000 omw/min. Als het storingslampje
ook na het uitvoeren van deze procedure
blijft knipperen, raden we u aan hetsysteem te laten controleren door een
officiële HYUNDAI-dealer. Indien u
gedurende lange tijd blijft doorrijden
terwijl het storingslampje knippert, kan
het DPF-systeem beschadigd raken en
het brandstofverbruik toenemen.
OPMERKING -
Dieselbrandstof (indien vantoepassing met DPF)
Het is raadzaam de aanbevolen
diesel voor dieselauto's uitgerust met een DPF-systeem te gebruiken.
Het gebruik van diesel met eenhoog zwavelgehalte (meer dan 50ppm zwavel) en niet- gespecificeerde toevoegingen kan
ertoe leiden dat het DPF-systeembeschadigd raakt en er witte rook wordt uitgestoten.
7102
Onderhoud

Rijden met uw auto
Vóór het rijden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5-4
Standen contactslot . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5-6
Toets engine start/stop . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5-10
Handgeschakelde transmissie . . . . . . . . . . . . . . . . 5-16
Automatische transmissie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5-19 . . . . . . . . . . . . . 5-19
Vierwielaandrijving (4WD) . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5-26
Remsysteem. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5-34 . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5-34
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5-36
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5-45
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5-48
. . . . . . . . . . 5-50
. . . . . . . . . . . . 5-54
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5-55
. . . . . . . . . . . . . . . . . 5-55
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5-56
. . . . . . . . . . . . . . . . . 5-56
Cruise control-systeem. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5-60
Snelheidslimietregelsysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . 5-65 Lane departure warning system (LDWS) . . . . . . 5-68
Actief ECO-systeem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5-72
Brandstofbesparing . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5-73
Rijden onder speciale rijomstandigheden . . . . . . 5-75
. . . . . . . . . 5-75
. . . . . . . . . . 5-76
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5-77
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5-78
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5-78
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5-79
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5-79
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5-79
Rijden in de winter. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5-81
Rijden met een aanhanger. . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5-86
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5-88
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5-89
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5-89
. . . . . 5-93
5

573
Rijden met uw auto
Het brandstofverbruik van uw auto is
voornamelijk afhankelijk van uw rijstijl, de
plaatsen waar u rijdt en de
omstandigheden waaronder u rijdt.
Al deze factoren zijn van invloed op het totale aantal kilometers dat u op een liter
brandstof kunt afleggen. Door de
onderstaande suggesties op te volgen,
verbruikt uw auto zo min mogelijk
brandstof en bespaart u geld op zowel de
brandstof als op reparaties enonderhoud:
Rijd zo vloeiend mogelijk. Verhoog uwsnelheid geleidelijk. Rijd niet volgas
weg bij een verkeerslicht en houd uw
snelheid zo constant mogelijk. Sprint
niet van verkeerslicht naar
verkeerslicht. Pas uw snelheid zoveel
mogelijk aan aan de snelheid van de
overige verkeersdeelnemers zodat u
niet onnodig moet vertragen of
versnellen. Vermijd indien mogelijk
verkeersopstoppingen. Bewaar altijd
voldoende afstand tot uw voorligger,
zodat u onnodig remmen kunt
voorkomen. Dat beperkt tevens deslijtage aan het remsysteem. Rijd niet harder dan nodig is. Hoe
harder u rijdt, hoe meer brandstof uw
auto verbruikt. Rijden met een
constante, niet al te hoge snelheid,
vooral op de snelweg, is een van de
meest effectieve manieren om
brandstof te besparen.
Regel de snelheid niet met het rempedaal of het koppelingspedaal.
Dat verhoogt het brandstofverbruik en
kan tevens de slijtage aan deze
componenten bespoedigen. Verder
kan, als u uw voet tijdens het rijden op
het rempedaal laat rusten, het
remsysteem oververhit raken,
waardoor de remwerking in negatieve
zin beïnvloed kan worden, hetgeen
ernstige consequenties kan hebben.
Zorg goed voor uw banden. Houd de bandenspanning op de geadviseerde
waarde. Een onjuiste bandenspanning,te hoog of te laag, leidt tot onnodige
bandenslijtage. Controleer de
bandenspanning minimaal een keerper maand. Zorg ervoor dat de wielen goed
uitgelijnd zijn. Een onjuiste uitlijning
van de wielen kan het gevolg zijn van
het rijden tegen stoepranden of van
het met een te hoge snelheid rijden
over een weg met kuilen en hobbels.
Een onjuiste uitlijning zorgt voor eensnellere bandenslijtage en kan naast
een hoger brandstofverbruik ook nog
andere problemen veroorzaken.
Houd uw auto in een goede conditie. Laat het onderhoud aan uw auto
uitvoeren volgens het onderhouds
-schema in hoofdstuk 7. Dat is
essentieel voor een zo laag mogelijk
brandstofverbruik en zo laag mogelijke
onderhoudskosten.
Bij ongunstige gebruiksomstandig-
heden dient er vaker onderhoud te
worden uitgevoerd (zie hoofdstuk 7
voor meer details).
BRANDSTOFBESPARING

Rijden met uw auto
80
5
Brandstof, koelvloeistof en motorolie
Bij het rijden met hoge snelheden wordt
meer brandstof verbruikt dan bij het
rijden in de stad. Vergeet niet zowel het
koelvloeistofpeil als het motoroliepeil tecontroleren.
Aandrijfriem
Een onvoldoende gespannen of
beschadigde aandrijfriem kan leiden tot
oververhitting van de motor.
WAARSCHUWING
Banden met een te hoge of een te lage spanning hebben een
negatieve invloed op het
rijgedrag en kunnen ervoor
zorgen dat u de macht over de
auto verliest, waardoor eenaanrijding met (ernstig) letsel het
gevolg kan zijn. Controleer
voordat u gaat rijden altijd eerst
de bandenspanning. Zie voor de
juiste bandenspanning “Banden
en velgen” in hoofdstuk 8.
Het rijden met banden zonder of met onvoldoende profiel is
gevaarlijk. Versleten banden
kunnen ertoe leiden dat u de
controle over uw auto verliest,
waardoor (ernstig) letsel kan
ontstaan. Versleten banden
moeten zo spoedig mogelijk
worden vervangen. Controleer
het profiel van uw banden altijd
voordat u gaat rijden. Zie voor
meer informatie en de
slijtagelimiet “Banden en velgen”in hoofdstuk 7.

589
Rijden met uw auto
Remsysteem aanhanger
Controleer of uw aanhanger voldoet aan
de wettelijke voorschriften als uw
aanhanger is uitgerust met eenremsysteem.
Als uw aanhanger zwaarder is dan het maximaal toegestane ongeremde
aanhangergewicht moet de aanhanger
zijn voorzien van een eigen remsysteem.
Volg de instructies van de fabrikant voor
het gebruiken, afstellen en onderhouden
van het remsysteem van de aanhanger.
Breng nooit wijzigingen aan in hetremsysteem van de auto Rijden met een aanhanger
Voor het rijden met een aanhanger is
enige ervaring vereist. Ga, voordat u zich
op de openbare weg begeeft, eerst
oefenen met het rijden met een
aanhanger. Probeer vertrouwd te raken
met het gewijzigde stuur- en remgedrag.Houd altijd in gedachten dat de auto metaanhanger langer is en minder snel
reageert.
Controleer voordat u gaat rijden de
bevestiging van de koppeling en de
losbreekvoorziening, de elektrische
aansluiting, de verlichting, de banden en
de afstelling van de spiegels. Als de
aanhanger is voorzien van elektrischeremmen, controleer dan de remmen door
langzaam te gaan rijden met deaanhanger en de remmen handmatig te
bekrachtigen. Dit is tevens een goede
controle van de elektrische aansluiting.
Controleer tijdens het rijden af en toe of
de lading nog goed vastzit en of de
verlichting en de remmen nog werken.Afstand tot voorganger
Houd tenminste tweemaal zo veel
afstand als tijdens het rijden zonder
aanhanger. Hierdoor kunt u plotselingeremacties en uitwijkmanoeuvres
voorkomen.
Inhalen
Het inhalen met een aanhanger neemt
meer tijd in beslag. Bovendien moet u
door de extra lengte de in te halen auto
verder voorbij voordat u weer terug kunt
keren naar de oorspronkelijke rijbaan.Ook het inhalen op een helling kan meertijd in beslag nemen dan het inhalen op
een vlakke weg, doordat de motor
zwaarder wordt belast.
WAARSCHUWING
- Remsysteem aanhanger
Ga niet rijden met een aanhanger
met eigen remsysteem voordat dit
systeem goed is afgesteld. Voor het
afstellen is specifieke vakkennis
benodigd. Laat dit daarom
uitvoeren bij een gespecialiseerd
bedrijf.