
78
Luchtvering
LUCHTVERING
Als uw auto is voorzien van luchtvering,
kunt u de hoogte van de wagenhoogte
achter wijzigen om het in- en uitladen te
vergemakkelijken.
Het bedieningspaneel bevindt zich op het
dashboard.
Naast de standaard wagenhoogte beschikt u
over 6 standen, omhoog (van +1 tot +3) en
omlaag (van -1 tot -3). De ingestelde stand
wordt aangegeven op het display van het
instrumentenpaneel.Handmatig wijzigen van de
wagenhoogte achter
Wagenhoogte achter omhoog
Druk op de schakelaar en laat de
schakelaar los om de beweging
te stoppen. Elke keer dat op de
schakelaar wordt gedrukt, wordt
de wagenhoogte achter één
stand verhoogd: +1 tot +3.
Wagenhoogte achter omlaag
Druk op de schakelaar en laat de
schakelaar los om de beweging te
stoppen.
Elke keer dat op de schakelaar wordt
gedrukt, wordt de wagenhoogte
achter één stand verlaagd: -1 tot -3.
Terugkeren naar de optimale wagenhoogte achter
Druk op de schakelaar "omhoog" (bij een
lage stand van de vering) of "omlaag" (bij een
hoge stand) tot de optimale stand is bereikt.
VerklikkerlampjeRaadpleeg in de rubriek 2 het gedeelte
"Cockpit".
Gebruiksvoorschrift
Het rijden met een te lage of te hoge
wagenhoogte kan schade aan de onderzijde
van de auto veroorzaken.
Gebruik dit systeem niet onder de volgende
omstandigheden:
- werkzaamheden onder de auto,
- het verwisselen van een wiel,
- vervoeren van de auto met een vrachtauto, trein, ferryboat, veerpont, ...

83
4
TECHNOLOGIE AAN BOORD
Autoradio
Scrollen
Selecteren
Weergave
Selecteren
Weergave
Selecteren
Weergave
Selecteren
Weergave
Functie
IGN TIME 20 MIN 00 MINInstellen van de duur van de werking van de autorad
io nadat
het contact in de stand "STOP" is gezet:- 20 MIN voor een werking van 20 minuten, - 00 MIN voor het onmiddellijk uitschakelen van de au toradio.Zet het contact in de stand "MAR" om de autoradio w eer te kunnen inschakelen.
NO HICUTHICUT
ON Selecteren van de dynamische afzwakking van hoge to
nen:
- ON voor ja,
- NO voor nee.
VOICE 22 21
...OFF Selecteer de instelling van het volume:
- 1 tot 66,
- OFF voor onderbreking van het geluid.
SVC OFF SVC ON Selecteren van de automatische regeling van het
geluidsvolume afhankelijk van de wagensnelheid:
- ON voor ja,
- OFF voor nee.
CD NAME
XYZ23ABCSelecteren en programmeren van de naam van de CD
(tijdens het afspelen) op het display:
- de eerder opgeslagen naam,
- 8 streepjes als de CD nog geen naam heeft.
Selecteer de letters met de 4 pijlen en sla ze op met de
toets MENU.
Druk om de naam te wissen lang op de toets "CLR".
Als een CD in de
speler is geplaatst,
wordt dit menu
weergegeven.ofABCDEFG5MENU
_ _ _ _ _
_ _ _

90
Mobiele telefoon met handsfree-functie
Voer wanneer de telefoon hierom verzoekt
de op het instrumentenpaneel weergegeven
PIN-code in.
Als het opslaan is gelukt, meldt het systeem
dat er verbinding wordt gemaakt.
A l s d e n a a m v a n d e g e ï d e n t i i c e e r d e t e l e f o o n o p
het display verschijnt, is het opslaan bevestigd.
Blauw verklikkerlampje aan
"Settings" \ wacht tot het systeem
reageert \ "Pairing".
PIN-code
Opslaan/koppelen van een mobiele telefoon
Om uw mobiele telefoon aan te sluiten op
het Bluetooth®-systeem van uw auto, moet
de telefoon worden gekoppeld.
Door uw mobiele telefoon op te slaan, wordt
deze voortaan onmiddellijk door het systeem
herkend.
MOBIELE TELEFOON MET HANDSFREE-FUNCTIE
Zorg dat het contact in de stand
MAR staat en activeer het
hoofdmenu.
Selecteer SETTINGS.
Bevestig.
Selecteer PAIRING.
Bevestig. Deze code, op basis waarvan
uw mobiele telefoon wordt
herkend, wordt willekeurig
door het systeem vastgesteld.
De code verschijnt op het
instrumentenpaneel en wordt door de
spraaksynthese van het systeem herhaald.
Deze PIN-code staat los van uw SIM-kaart en
de toegangscode van uw mobiele telefoon.
Het is niet nodig deze code na het invoeren
te onthouden of ergens te bewaren.
Wanneer u een andere telefoon in gebruik
neemt, dient u deze te koppelen met een
nieuwe door het systeem verstrekte PIN-code. Zoek de optie die weergeeft dat
uw telefoon het Bluetooth®-
systeem heeft gedetecteerd.
A l s h e t s y s t e e m i s g e ï d e n t i i c e e r d ,
verschijnt een melding op uw
telefoon (My car, ...). Als het blauwe lampje brandt,
geeft dit aan dat de telefoon goed
op het systeem is aangesloten.
Het is belangrijk om te wachten
tot de naam van de telefoon wordt
weergegeven.
Wanneer u de toets MAIN of ESC tijdens
het opslaan indrukt, loopt u het risico dat de
procedure wordt geannuleerd.
Als het opslaan mislukt, verschijnt een
foutmelding. Herhaal in dat geval de procedure.
Raadpleeg voor meer informatie over
de stand MAR van het contact het
gedeelte "Starten en stoppen" in rubriek 2.

102
ANTISPINREGELING
(ASR) EN ELEKTRONISCH
STABILITEITSPROGRAMMA (ESP)
Deze systemen staan in verbinding met het
ABS en zijn hier een aanvulling op.
De ASR zorgt voor een optimale
overbrenging van de aandrijfkracht op de
weg, zodat wordt voorkomen dat u tijdens
het accelereren de controle over de auto
verliest.
Het systeem past de aandrijfkracht aan om
het doorspinnen van de wielen te voorkomen
via de remmen van de aangedreven wielen
en de motor. De ASR zorgt ook voor meer
koersstabiliteit bij het accelereren.
Houd als het ESP is ingeschakeld in een
bocht het stuurwiel altijd in de gewenste
richting en stuur niet tegen.Het ESP-systeem grijpt automatisch in
via het remsysteem en de motor als de
koers van de auto afwijkt van de door de
bestuurder gewenste richting.
UITSCHAKELEN VAN DE ASR
In bijzondere omstandigheden (als de auto
vastzit in de modder, sneeuw, in mulle
grond, ...) kan het nuttig zijn het ASR uit te
schakelen, zodat de wielen kunnen slippen
en weer grip kunnen krijgen.
Werking van het ASR- en
ESP-systeem Het lampje knippert tijdens een
ingreep van de ASR of het ESP. Druk op deze toets.
Het lampje van de toets gaat branden: de
ASR heeft geen invloed meer op de werking
van de motor, maar blijft wel actief via het
remsysteem.
Storing Bij een storing in de ASR
zal dit verklikkerlampje gaan
branden in combinatie met een
geluidssignaal en een melding op
het display.
Veiligheid tijdens het rijden

103
5
VEILIGHEID
VASTE SNELHEIDSBEGRENZER
De vaste snelheidsbegrenzer (volgens
uitvoering) begrenst de maximumsnelheid
van de auto op 90 of 100 km/h. Deze
maximumsnelheid kan niet worden gewijzigd.
Deze maximumsnelheid staat aangegeven
op een sticker in het interieur.
Deze vaste snelheidsbegrenzer werkt
niet volgens het principe van een
snelheidsregelaar. De functie kan niet tijdens
het rijden worden in- en uitgeschakeld.
Bij een storing in het ESP zal dit
verklikkerlampje gaan branden in
combinatie met een geluidssignaal
en een melding op het display.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk om het
systeem na te laten kijken.
Gebruiksvoorschrift
Het ASR-/ESP-systeem zorgt voor meer
veiligheid tijdens het rijden. De bestuurder
mag zich echter nooit laten verleiden tot
het nemen van meer risico's en het te hard
rijden.
De goede werking van het systeem wordt
verzekerd onder voorwaarde dat de
voorschriften van de constructeur op het
gebied van wielen (banden en velgen),
onderdelen van het remsysteem en
elektronische onderdelen worden nageleefd
en dat de procedures voor montage en het
uitvoeren van werkzaamheden door het
PEUGEOT-netwerk worden opgevolgd.
Laat deze systemen na een aanrijding
controleren door het PEUGEOT-netwerk. Veiligheid tijdens het rijden

103
5
VEILIGHEID
VASTE SNELHEIDSBEGRENZER
De vaste snelheidsbegrenzer (volgens
uitvoering) begrenst de maximumsnelheid
van de auto op 90 of 100 km/h. Deze
maximumsnelheid kan niet worden gewijzigd.
Deze maximumsnelheid staat aangegeven
op een sticker in het interieur.
Deze vaste snelheidsbegrenzer werkt
niet volgens het principe van een
snelheidsregelaar. De functie kan niet tijdens
het rijden worden in- en uitgeschakeld.
Bij een storing in het ESP zal dit
verklikkerlampje gaan branden in
combinatie met een geluidssignaal
en een melding op het display.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk om het
systeem na te laten kijken.
Gebruiksvoorschrift
Het ASR-/ESP-systeem zorgt voor meer
veiligheid tijdens het rijden. De bestuurder
mag zich echter nooit laten verleiden tot
het nemen van meer risico's en het te hard
rijden.
De goede werking van het systeem wordt
verzekerd onder voorwaarde dat de
voorschriften van de constructeur op het
gebied van wielen (banden en velgen),
onderdelen van het remsysteem en
elektronische onderdelen worden nageleefd
en dat de procedures voor montage en het
uitvoeren van werkzaamheden door het
PEUGEOT-netwerk worden opgevolgd.
Laat deze systemen na een aanrijding
controleren door het PEUGEOT-netwerk. Veiligheid tijdens het rijden

kmC I T Y
108
Airbags
Uitschakelen van de airbag aan passagierszijde
Raadpleeg in de rubriek 4 het gedeelte
"Mode" en selecteer vervolgens OFF in
het menu "Airbag passagier". In de stand
OFF werkt de airbag aan
passagierszijde bij een eventuele aanrijding
niet.
Als u het kinderzitje heeft verwijderd,
selecteer dan ON om de airbag opnieuw
in te schakelen en zo de veiligheid van uw
passagier te garanderen. Zij-airbags en window-airbags
De zij-airbags (volgens uitvoering) zijn aan
de zijde van de portieren in de rugleuningen
van de voorstoelen aangebracht.
De window-airbags zijn aangebracht in
de stijlen en in de hemelbekleding bij de
voorste zitplaatsen van de cabine.
De window-airbag wordt opgeblazen tussen
de voorpassagier en de zijruit.
De zij- en window-airbags worden
opgeblazen aan de zijde waar de aanrijding
plaatsvindt.
Het verklikkerlampje op
het instrumentenpaneel
brandt zolang de airbag is
uitgeschakeld.
Schakel voor de veiligheid van uw kind de
airbag aan passagierszijde altijd uit als u
een kinderzitje met de rug in de rijrichting op
de voorstoel plaatst. Anders kan een kind bij
het afgaan van de airbag levensgevaarlijk
gewond raken.
Plaats als de passagiersairbag van uw
auto niet kan worden uitgeschakeld geen
kinderzitje op de voorstoel. Controle uitschakeling
Als de airbag is uitgeschakeld, gaat
elke keer dat de motor wordt gestart
dit verklikkerlampje branden.
Er verschijnt bovendien
een melding op dit display
(volgens uitvoering). Controle van werking
Het goed functioneren van het
systeem wordt aangegeven door
dit verklikkerlampje.

kmC I T Y
108
Airbags
Uitschakelen van de airbag aan passagierszijde
Raadpleeg in de rubriek 4 het gedeelte
"Mode" en selecteer vervolgens OFF in
het menu "Airbag passagier". In de stand
OFF werkt de airbag aan
passagierszijde bij een eventuele aanrijding
niet.
Als u het kinderzitje heeft verwijderd,
selecteer dan ON om de airbag opnieuw
in te schakelen en zo de veiligheid van uw
passagier te garanderen. Zij-airbags en window-airbags
De zij-airbags (volgens uitvoering) zijn aan
de zijde van de portieren in de rugleuningen
van de voorstoelen aangebracht.
De window-airbags zijn aangebracht in
de stijlen en in de hemelbekleding bij de
voorste zitplaatsen van de cabine.
De window-airbag wordt opgeblazen tussen
de voorpassagier en de zijruit.
De zij- en window-airbags worden
opgeblazen aan de zijde waar de aanrijding
plaatsvindt.
Het verklikkerlampje op
het instrumentenpaneel
brandt zolang de airbag is
uitgeschakeld.
Schakel voor de veiligheid van uw kind de
airbag aan passagierszijde altijd uit als u
een kinderzitje met de rug in de rijrichting op
de voorstoel plaatst. Anders kan een kind bij
het afgaan van de airbag levensgevaarlijk
gewond raken.
Plaats als de passagiersairbag van uw
auto niet kan worden uitgeschakeld geen
kinderzitje op de voorstoel. Controle uitschakeling
Als de airbag is uitgeschakeld, gaat
elke keer dat de motor wordt gestart
dit verklikkerlampje branden.
Er verschijnt bovendien
een melding op dit display
(volgens uitvoering). Controle van werking
Het goed functioneren van het
systeem wordt aangegeven door
dit verklikkerlampje.