
Afstellen helderheid
instrumentenpaneel
De helderheid van de verlichting van het
instrumentenpaneel kan afzonderlijk
worden aangepast wanneer de
achterlichten branden en wanneer de
achterlichten uit zijn. Wanneer de
omgeving echter licht is (bijvoorbeeld
overdag), wordt de helderheid van de
verlichting van het instrumentenpaneel
niet aangepast wanneer de achterlichten
worden ingeschakeld.
Afstellen van de klok
De klok kan worden ingesteld via het
multi-informatiedisplay of het
navigatie-/multimediasysteem.
Auto's zonder navigatiesysteem
Door het scherm “Clock :00” (klok :00)
weer te geven via het scherm
op het
multi-informatiedisplay, kunt u de
volgende instellingen met betrekking tot
de klok wijzigen.
• Resetten van de weergave van de
minuten
• Wijzigen van de klok tussen 12-uurs-
en 24-uursweergave.
• Instellen van de tijd
Resetten van de weergave van de
minuten
1. Druk op
ofvan de
bedieningstoetsen van het
instrumentenpaneel op het stuurwiel
en selecteer
.
2. Druk op
ofvan de
bedieningstoetsen van het
instrumentenpaneel op het stuurwiel
en selecteer “Clock :00” (klok :00).Door op
van de bedieningstoetsen
van het instrumentenpaneel op het
scherm “Clock :00” (klok :00) te drukken,
kunt u de “Minutes” (minuten) instellen
op 00.
• Minuten van 0 tot 29 worden naar
beneden afgerond.
(Bijvoorbeeld, van 1:00 tot 1:29 wordt
weergegeven als 1:00)
• Minuten van 30 tot 59 worden naar
boven afgerond.
(Bijvoorbeeld, van 1:30 tot 1:59 wordt
weergegeven als 2:00)
Instellen van de tijd
1. Druk op
ofvan de
bedieningstoetsen van het
instrumentenpaneel op het stuurwiel
en selecteer
.
2. Druk op
ofvan de
bedieningstoetsen van het
instrumentenpaneel op het stuurwiel
en selecteer “Clock :00” (klok :00).
3. Houd op het scherm “Clock :00” (klok
:00)
van de bedieningstoetsen van
het instrumentenpaneel ingedrukt.
4. Selecteer “12H/24H” (12 uur/24 uur),
“Time” (tijd) of “Minutes” (minuten)
door
ofvan de
bedieningstoetsen van het
instrumentenpaneel te bedienen.
5. Druk op
ofvan de
bedieningstoetsen van het
instrumentenpaneel om de weergave
op het display te wijzigen.
Druk als het instellen is voltooid op
om terug te keren naar het vorige
scherm.
Auto's met navigatiesysteem
Raadpleeg de handleiding voor het
multimediasysteem.
2.1 Instrumentenpaneel
78

Afstellen helderheid
instrumentenpaneel
De helderheid van de verlichting van het
instrumentenpaneel kan afzonderlijk
worden aangepast wanneer de
achterlichten branden en wanneer de
achterlichten uit zijn. Wanneer de
omgeving echter licht is (bijvoorbeeld
overdag), wordt de helderheid van de
verlichting van het instrumentenpaneel
niet aangepast wanneer de
achterlichten worden ingeschakeld.
Afstellen van de klok
De klok kan worden ingesteld via het
multi-informatiedisplay of het
navigatie-/multimediasysteem.
Alleen auto's zonder navigatiesysteem of
multimediasysteem
Door het scherm “Clock :00” (klok :00)
weer te geven via het scherm
op het
multi-informatiedisplay, kunt u de
volgende instellingen met betrekking tot
de klok wijzigen.
• Resetten van de weergave van de
minuten
• Wijzigen van de klok tussen 12-uurs-
en 24-uursweergave.
• Instellen van de tijd
Resetten van de weergave van de
minuten
1. Druk op
ofvan de
bedieningstoetsen van het
instrumentenpaneel op het stuurwiel
en selecteer
.
2. Druk op
ofvan de
bedieningstoetsen van het
instrumentenpaneel op het stuurwiel
en selecteer “Clock :00” (klok :00).
Door op
van de bedieningstoetsen
van het instrumentenpaneel op het
scherm “Clock :00” (klok :00) te drukken,
kunt u de “Minutes” (minuten) instellen
op 00.• Minuten van 0 tot 29 worden naar
beneden afgerond.
(Bijvoorbeeld, van 1:00 tot 1:29 wordt
weergegeven als 1:00)
• Minuten van 30 tot 59 worden naar
boven afgerond.
(Bijvoorbeeld, van 1:30 tot 1:59 wordt
weergegeven als 2:00)
Instellen van de tijd
1. Druk op
ofvan de
bedieningstoetsen van het
instrumentenpaneel op het stuurwiel
en selecteer
.
2. Druk op
ofvan de
bedieningstoetsen van het
instrumentenpaneel op het stuurwiel
en selecteer “Clock :00” (klok :00).
3. Houd op het scherm “Clock :00” (klok
:00)
van de bedieningstoetsen van
het instrumentenpaneel ingedrukt.
4. Selecteer “12H/24H” (12 uur/24 uur),
“Time” (tijd) of “Minutes” (minuten)
door
ofvan de
bedieningstoetsen van het
instrumentenpaneel te bedienen.
5. Druk op
ofvan de
bedieningstoetsen van het
instrumentenpaneel om de weergave
op het display te wijzigen.
Druk als het instellen is voltooid op
om terug te keren naar het vorige
scherm.
Alleen auto's met navigatiesysteem of
multimediasysteem
Raadpleeg de handleiding voor het
multimediasysteem.
2.1 Instrumentenpaneel
83
2
Voertuigstatusinformatie en controlelampjes

EWeergave doorslippen van
aangedreven wielen
Wanneer een band doorslipt, wijzigt
het icoon ervan op het display van
kleur en gaat het knipperen.
*Dit item wordt alleen weergegeven
wanneer de rijmodus is ingesteld op de
sportmodus.
De getoonde afbeelding dient slechts als
voorbeeld en verschilt mogelijk van het
werkelijke beeld op het
multi-informatiedisplay.
Weergave instellingen
De voertuiginstellingen en de op het
scherm weergegeven informatie kunnen
worden gewijzigd met behulp van de
bedieningstoetsen van het
instrumentenpaneel.
Instellen
1. Druk op
ofvan de
bedieningstoetsen van het
instrumentenpaneel en selecteer
.
2. Druk op
ofvan de
bedieningstoetsen van het
instrumentenpaneel en selecteer het
gewenste item.
• Als de functie wordt in- en
uitgeschakeld of als het volume, enz.
wordt gewijzigd op het instelscherm,
wordt de instelling, telkens wanneer
op
wordt gedrukt, gewijzigd.
• Het instelscherm wordt
weergegeven door
ingedrukt te
houden en wordt weergegeven voor
functies waarvoor informatie over
de werking, de informatie op het
display, enz. kan worden
geselecteerd. Selecteer, als het
instelscherm wordt weergegeven, de
instelling of de gewenste waarde
(tijd, enz.) met behulp van
.
3. Druk na het wijzigen van de
instellingen op
van de
bedieningstoetsen van het
instrumentenpaneel.“Clock :00” (klok :00) (indien aanwezig)
(→78, 83)
Hiermee kunt u de klok instellen.
LTA (Lane Tracing Assist) (indien
aanwezig) (→blz. 237)
Hiermee kunt u de volgende zaken
instellen.
• “Lane Centre” (midden rijstrook)
Hiermee kunt u de Lane
Centering-functie in- of uitschakelen.
• “Sensitivity” (gevoeligh.)
Hiermee kunt u de gevoeligheid van
de Lane Departure Alert instellen.
• “Sway Warning” (uitzw. waarsch.)
Hiermee kunt u de waarschuwing voor
slingeren in- of uitschakelen.
• “Sway Sensitivity” (gevoel. uitzw.)
Hiermee kunt u de gevoeligheid van
de waarschuwing voor slingeren
instellen.
PCS (Pre-Crash Safety-systeem)
(indien aanwezig) (→blz. 226)
Hiermee kunt u de volgende zaken
instellen.
• PCS aan/uit
Hiermee kunt u het Pre-
Collision-systeem in- of uitschakelen.
• “Warning timing”
(waarschuwingstijdstip)
Hiermee kunt u het
waarschuwingstijdstip van het
Pre-Crash Safety-systeem wijzigen.
BSM (Blind Spot Monitor) (indien
aanwezig) (→blz. 276)
Hiermee kunt u de volgende zaken
instellen.
• BSM (Blind Spot Monitor) aan/uit
Hiermee kunt u het BSM-systeem in-
of uitschakelen.
2.1 Instrumentenpaneel
94

Veranderen van de standen van het
contact
AUIT (stand LOCK)
Het stuurwiel is geblokkeerd en de
sleutel kan worden verwijderd.
(Auto's met automatische transmissie
of Multidrive CVT: de sleutel kan
alleen worden verwijderd als de
selectiehendel in stand P staat.)
BACC (stand ACC)
Sommige elektrische componenten
zoals het audiosysteem kunnen
worden gebruikt.
CAAN (stand ON)
Alle elektrische componenten kunnen
worden gebruikt.
DSTART (stand START)
Motor starten.
Het contact van stand ACC naar UIT
zetten
1. Zet de selectiehendel in stand P
(automatische transmissie of
Multidrive CVT) of in de neutraalstand
(handgeschakelde transmissie).
2. Druk de sleutel dieper in het slot en
draai deze naar UIT.Waarschuwingssysteem sleutel in
contactslot
Wanneer u het bestuurdersportier opent
terwijl het contact in stand ACC of UIT
staat, klinkt er een zoemer die u helpt
herinneren dat u de sleutel moet
verwijderen.
WAARSCHUWING!
Wees voorzichtig tijdens het rijden
Zet tijdens het rijden het contact niet
UIT. Als om welke dringende reden dan
ook de motor moet worden uitgezet
terwijl de auto nog rijdt, draai dan de
sleutel in stand ACC om de motor uit te
zetten. Als de motor wordt
uitgeschakeld tijdens het rijden kan
een ongeval het gevolg zijn.
(→Blz. 412)
OPMERKING
Voorkomen van ontlading van de accu
Laat het contact niet gedurende langere
tijd in stand ACC of AAN staan wanneer
de motor niet draait.
4.2.2 Startknop (auto's met
Smart entry-systeem en
startknop)
Als u de volgende handelingen uitvoert
terwijl u een elektronische sleutel bij u
hebt, wordt de motor gestart of de stand
van het contact veranderd.
Starten van de motor
1. Trek aan de parkeerremschakelaar om
te controleren of de parkeerrem is
geactiveerd. (→Blz. 204)
Het waarschuwingslampje van de
parkeerrem gaat branden.
2. Controleer of de selectiehendel in
stand P (automatische transmissie of
Multidrive CVT) of in de neutraalstand
(handgeschakelde transmissie) staat.
4.2 Rijprocedures
187
4
Rijden

WAARSCHUWING!(Vervolg)
Bij het slepen van de auto
2WD-uitvoeringen
Zorg ervoor dat de auto wordt vervoerd
met de voorwielen of met alle vier de
wielen van de grond. Als de voorwielen
tijdens het slepen de grond raken,
kunnen de aandrijflijn en de
bijbehorende onderdelen beschadigd
raken.
AWD-uitvoeringen
Zorg ervoor dat de auto wordt vervoerd
met alle vier de wielen van de grond.
Als de wielen tijdens het slepen de
grond raken, kunnen de aandrijflijn en
de bijbehorende onderdelen
beschadigd raken en kan de auto
losraken van de truck.
OPMERKING
Voorkomen van beschadigingen aan de
auto bij het slepen met een lepelwagen
• Sleep de auto niet aan de achterzijde
terwijl het contact UIT is (auto's met
Smart entry-systeem en startknop),
of wanneer het contact in de stand
LOCK staat of de sleutel is verwijderd
(auto's zonder Smart entry-systeem
en startknop). Het stuurslot (indien
aanwezig) is niet sterk genoeg om de
voorwielen in de rechtuitstand te
houden.
• Let erop dat de andere zijde van de
auto dan die op de lepel staat
voldoende bodemvrijheid heeft. Als
er onvoldoende speling aanwezig is,
kan de auto tijdens het slepen
beschadigd raken.
Slepen met een takelwagen
Sleep de auto niet met een takelwagen,
om beschadiging van de carrosserie te
voorkomen.
Vervoeren op een autoambulance
Gebruik bij vervoer van de auto op een
autoambulance bandengordels.
Raadpleeg de handleiding van de
autoambulance om de wielen op de juiste
wijze met de gordels vast te zetten.
Activeer de parkeerrem en zet het
contact UIT om tijdens het vervoer
beweging van de auto zoveel mogelijk te
voorkomen.
7.2 Stappen die genomen moeten worden in noodgevallen
415
7
Bij problemen