
OPMERKING
Vervangen van
bandenspanningssensoren en
-zenders (auto's met bandenspanning-
swaarschuwingssysteem)
• Omdat het repareren of vervangen
van een band invloed kan hebben op
de bandenspanningssensoren en
-zenders, adviseren we u deze
werkzaamheden uit te laten voeren
door een erkende Toyota-dealer of
hersteller/reparateur of een andere
naar behoren gekwalificeerde en
uitgeruste deskundige. Ga ook voor de
aanschaf van
bandenspanningssensoren en
-zenders naar een erkende
Toyota-dealer of hersteller/reparateur
of een andere naar behoren
gekwalificeerde en uitgeruste
deskundige.
• Gebruik voor uw auto alleen originele
Toyota-velgen. Bij niet-originele
velgen kan niet worden gegarandeerd
dat de bandenspanningssensoren en
-zenders goed werken.
Belangrijke aanwijzingen voor
lichtmetalen velgen
• Gebruik uitsluitend de Toyota-
wielmoeren en de Toyota-
wielmoersleutel bij uw lichtmetalen
velgen.
• Controleer de wielmoeren na de
eerste 1.600 km telkens als een band
is verwisseld, een band is gerepareerd
of is vervangen.
• Pas op dat lichtmetalen velgen niet
beschadigd raken als u
sneeuwkettingen gebruikt.
• Bij het balanceren moet gebruik
worden gemaakt van Toyota- of
gelijkwaardige balanceergewichtjes,
die geplaatst dienen te worden met
een kunststof of rubber hamer.
6.3.8 Interieurfilter
Het interieurfilter moet regelmatig
worden vervangen om de optimale
werking van de airconditioning te
behouden.
Verwijderen
1. Zet het contact UIT.
2. Open het dashboardkastje en schuif
de demper los.
3. Druk de nokken aan beide zijden van
het dashboardkastje in en open het
dashboardkastje langzaam helemaal
terwijl u het ondersteunt.
4. Til het volledig geopende
dashboardkastje iets omhoog en trek
het richting de stoel om de onderzijde
van het dashboardkastje los te maken.
Oefen geen overmatige kracht uit
wanneer het dashboardkastje niet
loskomt wanneer u er licht aan trekt.
6.3 Zelf uit te voeren onderhoud
393
6
Onderhoud en verzorging

Trek het dashboardkastje in plaats
daarvan richting de stoel terwijl u de
hoogte van het dashboardkastje
enigszins aanpast.
5. Ontgrendel de afdekkap van het filter
(
A), haal de afdekkap van het filter
uit de klauwen (
B) en verwijder de
afdekkap van het filter.
6. Verwijder de filterhouder.
7. Verwijder het interieurfilter uit de
filterhouder en vervang het.
De merktekens
UP op het filter
moeten naar boven wijzen.8. Plaatsen: Herhaal de genoemde
stappen in omgekeerde volgorde.
Controle-interval
Controleer en vervang het interieurfilter
volgens het onderhoudsschema. In
gebieden met veel stof of met veel
verkeer moet vervanging vaker
plaatsvinden. (Zie het onderhoudsboekje
of het garantieboekje voor het
onderhoudsschema.)
Als er te weinig lucht uit de
ventilatieroosters stroomt
Het filter kan verstopt zitten. Controleer
het filter en vervang het indien nodig.
OPMERKING
Bij het gebruik van de airconditioning
Controleer of het interieurfilter
aanwezig is.
Als de airconditioning zonder filter
gebruikt wordt, kan het systeem
beschadigd raken.
Bij het verwijderen van het
dashboardkastje
Volg altijd de voorgeschreven procedure
voor het verwijderen van het
dashboardkastje (→blz. 393). Als het
dashboardkastje wordt verwijderd
zonder dat de voorgeschreven
procedure wordt gevolgd, kan het
scharnier van het dashboardkastje
beschadigd raken.
Voorkomen van schade aan de
afdekkap van het filter
Oefen bij het bewegen van de afdekkap
van het filter in de richting van de pijl om
6.3 Zelf uit te voeren onderhoud
394

WAARSCHUWING!(Vervolg)
• Auto's met stuurslotfunctie: Zet het
contact niet UIT. De mogelijkheid
bestaat dat het stuurwiel wordt
vergrendeld en niet kan worden
bediend.
Plaatsen van de sleepogen op de auto
Controleer of de sleepogen goed
vastzitten. Als dat niet het geval is, dan
kunnen de sleepogen bij het slepen
losraken.
OPMERKING
Voorkomen van beschadigingen aan de
auto tijdens slepen in een noodgeval
Maak de kabel of de ketting niet vast aan
onderdelen van de wielophanging.
Bij het slepen van een auto met Stop &
Start-systeem (indien aanwezig)
Wanneer de auto moet worden gesleept
waarbij alle wielen de grond raken, voer
dan de volgende procedure uit alvorens
te slepen om het systeem te
beschermen. Zet het contact eenmaal
UIT en start vervolgens de motor. Zet, als
de motor niet start, het contact AAN.
7.2.2Als u denkt dat er iets mis is
Als u een van de volgende verschijnselen
opmerkt, moet uw auto mogelijk worden
afgesteld of gerepareerd. Neem zo snel
mogelijk contact op met een erkende
Toyota-dealer of hersteller/reparateur of
een andere naar behoren gekwalificeerde
en uitgeruste deskundige.
Zichtbare symptomen
• Lekkage onder de auto (Na gebruik
van de airconditioning is waterlekkage
echter normaal.)
• Banden die er te zacht uit zien of die
ongelijkmatig versleten zijn
• De naald van de
koelvloeistoftemperatuurmeter staat
voortdurend hoger dan normaal.Hoorbare symptomen
• Abnormale uitlaatgeluiden
• Overmatig piepende banden bij het
nemen van een bocht
• Vreemde geluiden die kennelijk in
verband staan met de bewegingen
van de wielophanging
• Pingelende of andere abnormale
geluiden uit de motorruimte
Merkbare symptomen
• De motor hapert, stottert of draait
onregelmatig
• Een merkbaar verlies aan trekkracht
• De auto trekt tijdens het remmen
sterk naar één kant
• De auto trekt sterk naar één kant,
terwijl u rechtuitrijdt op een vlakke
weg
• Teruglopende remwerking, sponzig
gevoel in het rempedaal, een
rempedaal dat bijna tot op de vloer
kan worden ingetrapt
7.2.3 Uitschakelsysteem
brandstofpomp
Het uitschakelsysteem van de
brandstofpomp onderbreekt de
brandstoftoevoer naar de motor om de
kans op brandstoflekkage te verkleinen als
de motor afslaat of als een airbag wordt
geactiveerd als gevolg van een aanrijding.
Opnieuw starten van de motor
Volg onderstaande procedure om de
motor te herstarten als het systeem
geactiveerd is.
1. Zet het contact in stand ACC of UIT.
2. Start de motor opnieuw.
7.2 Stappen die genomen moeten worden in noodgevallen
418

WAARSCHUWING!(Vervolg)
Voorkomen van schade aan de auto
(auto's met handgeschakelde
transmissie)
Probeer de auto niet aan te duwen of
aan te slepen omdat hierdoor de
driewegkatalysator te heet kan worden
en er brand kan ontstaan.
OPMERKING
Omgaan met startkabels
Zorg er bij het aansluiten van de
startkabels voor dat deze niet verstrikt
raken in de koelventilator of in de
aandrijfriem van de motor.
7.2.12 Als uw auto oververhit
raakt
Het volgende kan erop duiden dat de auto
oververhit raakt.
• De koelvloeistoftemperatuurmeter
(→blz. 75, blz. 79) komt in het rode
gebied of u merkt dat de motor
minder vermogen levert. (De auto
accelereert bijvoorbeeld niet als het
gaspedaal wordt ingetrapt.)
• “Engine Coolant Temp High Stop in a
Safe Place See Owner’s Manual”
(Temperatuur koelvloeistof te hoog.
Breng auto op veilige plaats tot
stilstand. Raadpleeg handleiding)
wordt weergegeven op het
multi-informatiedisplay.
• Er komt stoom onder de motorkap uit.
Correctieprocedures
1. Breng de auto op een veilige plaats tot
stilstand, schakel de airconditioning
uit en zet vervolgens de motor af.
2. Als er stoom te zien is: Open, nadat de
stoom is verdwenen, voorzichtig de
motorkap.
Als er geen stoom te zien is: Open
voorzichtig de motorkap.3. Controleer nadat de motor voldoende
is afgekoeld de slangen en het
radiateurblok (radiateur) op sporen
van lekkage.
ARadiateur
BKoelventilator
Neem bij lekkage van een grote
hoeveelheid koelvloeistof
onmiddellijk contact op met een
erkende Toyota-dealer of
hersteller/reparateur of een andere
naar behoren gekwalificeerde en
uitgeruste deskundige.
4. Het koelvloeistofniveau is correct als
het zich tussen de streepjes FULL en
LOW van het reservoir bevindt.
AReservoir
BFULL-streepje
CLOW-streepje
5. Vul indien nodig koelvloeistof bij.
In noodgevallen mag ook water
gebruikt worden als u geen
koelvloeistof bij de hand hebt. Laat,
als in een noodgeval water is
toegevoegd, zo snel mogelijk de auto
7.2 Stappen die genomen moeten worden in noodgevallen
458

nakijken door een erkende
Toyota-dealer of hersteller/
reparateur of een andere naar
behoren gekwalificeerde en
uitgeruste deskundige.
6. Start de motor, schakel de
airconditioning in en controleer of de
koelventilator van de radiateur draait
en of er geen koelvloeistof lekt uit de
radiateur of de slangen.
De koelventilator gaat draaien als de
airconditioning wordt ingeschakeld
direct na een koude start. Controleer
of de ventilator draait door ernaar te
luisteren en te voelen of er
luchtstroom is. Schakel als u hier niet
zeker van bent de airconditioning nog
een aantal keer in en uit. (De
ventilator werkt mogelijk niet bij
temperaturen beneden het
vriespunt.)
7. Als de koelventilator niet draait: Zet
de motor onmiddellijk uit en neem
contact op met een erkende
Toyota-dealer of hersteller/
reparateur of een andere naar
behoren gekwalificeerde en
uitgeruste deskundige.
Als de koelventilator draait: Laat de
auto nakijken door de dichtstbijzijnde
erkende Toyota-dealer of
hersteller/reparateur of een andere
naar behoren gekwalificeerde en
uitgeruste deskundige.8. Controleer of “Engine Coolant Temp
High Stop in a Safe Place See Owner’s
Manual (Temperatuur koelvloeistof te
hoog. Breng auto op veilige plaats tot
stilstand. Raadpleeg handleiding)”
wordt weergegeven op het
multi-informatiedisplay.
Als de melding niet verdwijnt: Zet de
motor uit en neem contact op met een
erkende Toyota-dealer of
hersteller/reparateur of een andere
naar behoren gekwalificeerde en
uitgeruste deskundige.
Als de melding niet wordt
weergegeven: Laat de auto nakijken
door de dichtstbijzijnde erkende
Toyota-dealer of hersteller/
reparateur of een andere naar
behoren gekwalificeerde en
uitgeruste deskundige.
WAARSCHUWING!
Bij controles in de motorruimte van
uw auto
Neem de volgende
voorzorgsmaatregelen in acht.
Het niet in acht nemen van de
voorzorgsmaatregelen kan ernstig
letsel, zoals brandwonden, tot gevolg
hebben.
• Als er stoom onder de motorkap
vandaan komt, open de motorkap
dan niet voordat de stoom is
verdwenen. De motorruimte kan zeer
heet zijn.
• Houd uw handen en kleding (met
name stropdassen, sjaals en dassen)
uit de buurt van de ventilator en
aandrijfriemen. Als u dit niet doet,
kunnen uw handen of kleding
bekneld raken, wat kan leiden tot
ernstig letsel.
• Draai de dop van het
koelvloeistofreservoir niet los als de
motor en de radiateur heet zijn. Er
kan hete stoom of koelvloeistof uit
spuiten.
7.2 Stappen die genomen moeten worden in noodgevallen
459
7
Bij problemen

Stop & Start-systeem*(→blz. 304)
FunctieStandaardin-
stellingPersoonlijke
voorkeursinstel-
lingABC
Wijzig de duur van het Stop &
Start-systeem wanneer de
airco is ingeschakeldStandaard Verlengd – O –
*Indien aanwezig
Automatische airconditioning
*(→blz. 336)
FunctieStandaardin-
stellingPersoonlijke
voorkeursinstel-
lingABC
Schakelen tussen buiten-
luchtmodus en de aan de
toets AUTO gekoppelde recir-
culatiemodusAan Uit O – O
Automatische bediening air-
coschakelaarAan Uit O – O
Schakelen naar de buiten-
luchtmodus als de auto ge-
parkeerd isAan Uit – – O
*Indien aanwezig
Verlichting (→blz. 345)
FunctieStandaardin-
stellingPersoonlijke
voorkeursinstel-
lingABC
Tijd die verstrijkt voordat de
interieurverlichting uitgaat15 secondenUit
O–O 7,5 seconden
30 seconden
Werking als het contact UIT
wordt gezetAan Uit – – O
Werking als de portieren wor-
den ontgrendeldAan Uit – – O
Werking wanneer u de auto
nadert terwijl u de elektroni-
sche sleutel bij u draagt
*1Aan Uit – – O
Voetenruimteverlichting
*2Aan Uit – – O
*1Alleen auto's met Smart entry-systeem en startknop
*2Indien aanwezig
Persoonlijke voorkeursinstellingen
auto
• Wanneer de functie koppeling van
portiervergrendeling aan rijsnelheid
en de functie koppeling van
portiervergrendeling aan standtransmissie allebei zijn ingeschakeld,
werkt de portiervergrendeling als
volgt.
– Als de auto wordt gestart terwijl alle
portieren zijn vergrendeld, werkt de
functie koppeling van rijsnelheid
aan portiervergrendeling niet.
8.2 Persoonlijke voorkeursinstellingen
486

Antidiefstalsysteem
Alarm*..................61
Bedienen van het systeem......60
Inbraaksensor en hellingsensor
(indien aanwezig)...........63
Inschakelen/uitschakelen/uitzetten
van het alarmsysteem.........61
Inschakelen/uitschakelen van de
supervergrendeling..........61
Startblokkering.............60
Supervergrendeling*.........61
Bedienen van verlichting en
ruitenwissers
Achterruitenwisser en -sproeier . .219
AHB (Automatic High Beam)* . . .211
Bedienen van de
ruitenwisserhendel......216 , 219
Bediening...............215
Extended Headlight Lighting-systeem
(indien aanwezig)...........211
Handmatig in- en uitschakelen van
het grootlicht.............214
Inschakelen van de koplampen . . .209
Inschakelen van het Automatic High
Beam-systeem............212
Inschakelen van het grootlicht . . .211
Lichtschakelaar............209
Ruitenwissers en -sproeiers. . . .216
Schakelaar mistlampen*......214
Belangrijke informatie
Alarmknipperlichten.........412
Als de auto onder water staat of het
water op de weg stijgt........413
Als uw auto in geval van nood tot
stilstand moet worden gebracht . .412
Bedieningsinstructies........412
De auto tot stilstand brengen . . .412
Gebruik van de airconditioning en de
achterruitverwarming
Automatische airconditioning* . .336
Bedienen van de
stoelverwarming...........343
Bedienen van de stoelverwarming
en -ventilatoren...........344
Bedieningspaneel
airconditioning.........332 , 336
Gebruik van de automatische
modus.................340Geconcentreerde
luchtcirculatiemodus voorstoel
(S-FLOW-modus)..........341
Handmatig bediende
airconditioning*...........332
Overzicht en bediening
uitstroomopeningen.....335 , 342
Stuurwielverwarming........343
Stuurwielverwarming*/
stoelverwarming*/
stoelventilatoren*..........343
Verwarming ruitenwissers voor
(indien aanwezig)...........335
Verwarming ruitenwissers voor
(indien aanwezig)/
voorruitverwarming
(indien aanwezig)...........340
Gebruik van de interieurverlichting
Bedienen van de
interieurverlichting.........346
Bedienen van de leeslampjes. . . .346
Overzicht interieurverlichting . . .345
Plaats van de interieurverlichting .345
Gebruik van de ondersteunende
systemen
BSM (Blind Spot Monitor)*.....276
Cruise control*...........
.272
Downhill Assist Control*......317
Dynamic Radar Cruise Control* . .263
Dynamic Radar Cruise Control met
Road Sign Assist
(auto's met RSA)........259 , 269
Dynamic Radar Cruise Control met
volledig snelheidsbereik*......252
Functies die zijn opgenomen in het
LTA-systeem..............240
Hervatten van het rijden met de
volgregeling als de auto is stilgezet
door het systeem
(afstandsregelmodus)........258
Hill Start Assist Control
(auto's met Multidrive CVT).....306
Inschakelen/uitschakelen Dynamic
Radar Cruise Control met Road Sign
Assist (auto's met RSA). . . .260 , 269
Inschakelen/uitschakelen van de
Parking Support Brake........297
Inschakelen/uitschakelen van de
RCTA ..................291
Trefwoordenlijst
636