
ECO-indicator
AECO-controlelampje
Tijdens milieuvriendelijk accelereren
(ECO-rijden) gaat het ECO-
controlelampje branden. Wanneer de
acceleratie de bovengrens van de
ECO-zone overschrijdt of wanneer de
auto tot stilstand komt, gaat het
lampje uit.
BECO-indicator
Toont de ECO-zone en de mate van
milieuvriendelijk rijden op basis van
de acceleratie.
CDe mate van milieuvriendelijk rijden
op basis van acceleratie
Als de acceleratie de bovengrens van
de ECO-zone overschrijdt, gaat de
rechterzijde van de ECO-indicator
branden. Op dat moment dooft het
ECO-controlelampje.
DECO-zone
De ECO-indicator werkt niet wanneer
In de volgende gevallen werkt de
ECO-indicator niet:
• De selectiehendel staat in een andere
stand dan D.
• De paddle shift-schakelaar (indien
aanwezig) wordt bediend.
• Noch de normale modus, noch de
ECO-rijmodus is geselecteerd.• De rijsnelheid is ongeveer 130 km/h
of hoger.
Weergave informatie ondersteunend
systeem
Hiermee kan de werkingsstatus van de
volgende systemen worden
weergegeven:
• LTA (Lane Tracing Assist)
*(→blz. 237)
• RSA (Road Sign Assist)*(→blz. 248)
• Cruise control*(→blz. 272)
• Dynamic Radar Cruise Control met
volledig snelheidsbereik
*(→blz. 252)
• Snelheidsbegrenzer*(→blz. 275)
*Indien aanwezig
Aan navigatiesysteem gekoppelde
weergave (indien aanwezig)
Hiermee kan de volgende aan het
navigatiesysteem gekoppelde informatie
worden weergegeven.
• Routebegeleiding naar bestemming
• Straatnaam
• Kompas
Aan audiosysteem gekoppelde
weergave
Hiermee kunt u een audiobron of
nummer selecteren op het
instrumentenpaneel met behulp van de
bedieningstoetsen van het
instrumentenpaneel.
2.1 Instrumentenpaneel
101
2
Voertuigstatusinformatie en controlelampjes

PKSB (Parking Support Brake
System) (indien aanwezig) (→blz. 296)
Hiermee kunt u de Parking Support
Brake-functie in- of uitschakelen.
RSA (Road Sign Assist) (indien
aanwezig) (→blz. 248)
Hiermee kunt u de volgende zaken
instellen.
• Road Sign Assist aan/uit
Hiermee kunt u de RSA (Road Sign
Assist) in- of uitschakelen.
• “Notification Method”
(meldingsmethode)
Hiermee kunt u elke
meldingsmethode wijzigen die wordt
gebruikt om de bestuurder te
waarschuwen wanneer het systeem
een te hoge snelheid of een
verkeersbord voor verboden in te
rijden signaleert.
• “Notification Level” (drempelwaarde
melding)
Hiermee kunt u elk meldingsniveau
dat wordt gebruikt om de bestuurder
te waarschuwen wanneer het systeem
een verkeersbord met een
snelheidslimiet signaleert, wijzigen.
Voertuiginstellingen
• DRCC (RSA) (indien aanwezig)
(→blz. 259)
Hiermee kunt u de Dynamic Radar
Cruise Control met Road Sign Assist
in- of uitschakelen.
•
PBD (elektrisch bedienbare
achterklep) (indien aanwezig)
Hiermee kunt u de volgende zaken
instellen.
– Systeeminstellingen
Hiermee kan de functie elektrisch
bedienbare achterklep worden in-
of uitgeschakeld.
– “Hands Free” (handsfree)
*
Hiermee kunt u de handsfree
elektrisch bedienbare achterklep in-
of uitschakelen.– “Opening Adjustment” (inst.
opening)
Selecteer de positie openen
wanneer de elektrisch bedienbare
achterklep geheel is geopend.
– “Volume”
Hiermee kunt u het volume instellen
van de zoemer die klinkt wanneer de
elektrisch bedienbare achterklep in
werking is.
*Auto's met handsfree elektrisch
bedienbare achterklep
•
Stop & Start-systeem (indien
aanwezig)
Hiermee kunt u de werkingsduur van
het Stop & Start-systeem instellen als
de airconditioning is ingeschakeld
met de aircoschakelaar.
• “Rear Seat Reminder”
(herinneringsfunctie achterbank)
(→blz. 118) Hiermee kunt u de
herinneringsfunctie voor de
achterbank in- of uitschakelen.
• TPWS
(bandenspanningswaarschuwingssysteem)
(→blz. 386)
– “Set Pressure” (spanning instellen)
Hiermee kan het
bandenspanningswaarschuwingssysteem
worden geïnitialiseerd.
– “Change Wheel” (band wisselen)
Hiermee kunt u de ingestelde
identificatiecode van de sensor van
het
bandenspanningswaarschuwingssysteem
wijzigen. Om deze functie te kunnen
inschakelen moet een tweede set
identificatiecodes van de sensoren
van het
bandenspanningswaarschuwingssysteem
door een Toyota-dealer worden
geregistreerd. Neem voor meer
informatie over het wijzigen van de
geregistreerde identificatiecode
contact op met een Toyota-dealer.
2.1 Instrumentenpaneel
104

4.1 Voordat u gaat rijden..........170
4.1.1Rijdenmetdeauto.........170
4.1.2 Lading en bagage.........177
4.1.3 Rijden met een aanhangwagen
(Azerbeidzjan, Georgië,
Tadzjikistan, Turkmenistan en
Nieuw-Caledonië).........178
4.1.4 Rijden met een aanhangwagen
(behalve Azerbeidzjan, Georgië,
Tadzjikistan, Turkmenistan en
Nieuw-Caledonië).........178
4.2Rijprocedures..............186
4.2.1 Contactslot (auto's zonder Smart
entry-systeem en startknop) . . .186
4.2.2 Startknop (auto's met Smart
entry-systeem en startknop) . . .187
4.2.3 Automatische transmissie
*....192
4.2.4 Multidrive CVT*..........196
4.2.5 Handgeschakelde transmissie*. .200
4.2.6 Richtingaanwijzerschakelaar....203
4.2.7 Parkeerrem............203
4.2.8 Brake Hold-systeem........207
4.3 Bedienen van verlichting en
ruitenwissers..............209
4.3.1 Lichtschakelaar..........209
4.3.2 AHB (Automatic High Beam)
*...211
4.3.3 Schakelaar mistlampen*......214
4.3.4 Ruitenwissers en -sproeiers....216
4.3.5 Achterruitenwisser en -sproeier . .219
4.4Tanken..................220
4.4.1 Openen van de tankdop......220
4.5 Gebruik van de ondersteunende
systemen................221
4.5.1 Toyota Safety Sense
*.......221
4.5.2 PCS (Pre-Crash Safety-systeem)*.226
4.5.3 LTA (Lane Tracing Assist)*.....237
4.5.4 RSA (Road Sign Assist)*......248
4.5.5 Dynamic Radar Cruise Control met
volledig snelheidsbereik
*.....252
4.5.6 Dynamic Radar Cruise Control*...263
4.5.7 Cruise control*...........272
4.5.8 Snelheidsbegrenzer*........275
4.5.9 BSM (Blind Spot Monitor)*.....276
4.5.10 Toyota Parking Assist-sensor*. .2814.5.11 RCTA (Rear Crossing Traffic
Alert)
*..............291
4.5.12 PKSB (Parking Support Brake)*. .296
4.5.13 Parking Support Brake-functie
(voor stilstaande objecten)
*...300
4.5.14 Parking Support Brake-functie
(voor voertuigen die achterlangs
rijden)
*..............303
4.5.15 Stop & Start-systeem*......304
4.5.16 Rijmodusselectieschakelaar . . .312
4.5.17 Multi-terrain Select
(AWD-uitvoeringen).......313
4.5.18 Schakelaar SNOW-modus
(AWD-uitvoeringen).......316
4.5.19 Downhill Assist Control
*.....317
4.5.20 Uitlaatgasfiltersysteem*.....319
4.5.21 Ondersteunende systemen....319
4.6Rijtips..................325
4.6.1Rijdenindewinter.........325
4.6.2 Voorzorgsmaatregelen bij
terreinauto's............328
Rijden4
169

van deze extra spiegels aan beide
zijden zo af dat ze altijd maximaal zicht
bieden op de weg achter u.
Bij het rijden met een aanhangwagen
Schakel de onderstaande systemen uit,
aangezien de systemen mogelijk niet
goed werken.
• LTA (Lane Tracing Assist) (indien
aanwezig) (→blz. 237)
• Dynamic Radar Cruise Control met
volledig snelheidsbereik (indien
aanwezig) (→blz. 252)
• Dynamic Radar Cruise Control (indien
aanwezig) (→blz. 263)
• Cruise control (indien aanwezig)
(→blz. 272)
• PKSB (Parking Support Brake) (indien
aanwezig) (→blz. 296)
• BSM (Blind Spot Monitor) (indien
aanwezig) (→blz. 276)
• Toyota Parking Assist-sensor (indien
aanwezig) (→blz. 281)
• RCTA-functie (Rear Cross Traffic Alert)
(indien aanwezig) (→blz. 276)
WAARSCHUWING!
Volg alle aanwijzingen in dit hoofdstuk
op. Anders kunnen zich ongevallen
voordoen die tot dodelijk of ernstig
letsel kunnen leiden.
Voorzorgsmaatregelen bij het rijden
met een aanhangwagen
Controleer bij het rijden met een
aanhangwagen of de maximaal
toegestane gewichten niet worden
overschreden. (→Blz. 180)
Voorkomen van een ongeval of letsel
• Auto's met compact reservewiel: Rijd
niet met een aanhangwagen
wanneer het compacte reservewiel
onder uw auto is gemonteerd.
• Auto's met bandenreparatieset: Rijd
niet met een aanhangwagen
wanneer een band is gemonteerd die
is gerepareerd met de
bandenreparatieset.
WAARSCHUWING!(Vervolg)
• Gebruik het Dynamic Radar Cruise
Control-systeem (indien aanwezig)
of de cruise control (indien
aanwezig) niet wanneer u met een
aanhangwagen rijdt.
Rijsnelheid bij het rijden met een
aanhangwagen
Overschrijd de maximum snelheid voor
het rijden met een aanhangwagen niet.
Voor het afrijden van een lange
helling
Minder snelheid en schakel terug.
Schakel bij het afdalen van een lange of
steile helling echter niet plotseling
terug.
Werking van het rempedaal
Trap het rempedaal niet veelvuldig of
gedurende een langere periode
achtereen in. Anders kan het
remsysteem oververhit raken of kan de
remwerking teruglopen.
Maximale gewichten
Controleer het maximaal toelaatbare
aanhangwagengewicht, het maximaal
toelaatbare voertuiggewicht (GVW), de
maximale asbelasting (MPAC) en de
maximaal toelaatbare kogeldruk voordat
u met een aanhangwagen gaat rijden.
(→Blz. 462)
Trekhaak/trekhaak met afneembare
kogel
Toyota adviseert gebruik te maken van
een originele Toyota trekhaak/
afneembare trekhaak voor uw auto. Ook
andere geschikte en kwalitatief
vergelijkbare trekhaken mogen worden
gebruikt.
Voor auto's waarbij de trekhaak de
verlichting of kentekenplaat blokkeert,
moet het volgende in acht worden
genomen:
• Monteer geen trekhaak die niet
eenvoudig kan worden verwijderd of
weggeklapt.
4.1 Voordat u gaat rijden
179
4
Rijden

4.2.3 Automatische transmissie*
*Indien aanwezig
Selecteer de schakelstand op basis van
uw doel en de situatie.
Doel en functie van de schakelstanden
Schakelstand Doel of functie
PParkeren van de
auto/starten van de
motor
R Achteruit
N Neutraalstand
DNormale rijmodus
*1,
2
SRijden in S-modus*3
(→blz. 195)
*1In stand D kiest het systeem de voor de
rijomstandigheden meest geschikte
versnelling. Bij normaal rijden wordt
stand D aangeraden.
*2Alleen auto's met paddle
shift-schakelaars: door het selecteren
van schakelbereiken in stand D kan er
passend op de motor geremd worden.
(→Blz. 194)
*3Het selecteren van een
schakelprogramma in de S-modus
verlaagt het maximale toerental in de
verschillende versnellingen, beïnvloedt
het afremmen op de motor en voorkomt
onnodig opschakelen.
Wanneer er wordt gereden met
ingeschakelde Dynamic Radar Cruise
Control met volledig snelheidsbereik of
cruise control (indien aanwezig)
Ook wanneer de volgende handelingen
worden uitgevoerd met als doel op de
motor af te remmen, wordt er niet op de
motor afgeremd omdat de Dynamic Radar
Cruise Control met volledig
snelheidsbereik of cruise control niet
wordt uitgeschakeld.
• Als er tijdens het rijden in stand D
*of
de S-modus wordt teruggeschakeld
naar 7, 6, 5 of 4. (→Blz. 194, blz. 195)• Als de sportmodus wordt
ingeschakeld tijdens het rijden in
stand D. (→Blz. 312)
*Alleen auto's met paddle
shift-schakelaars
Als “High Transmission Fluid Temp”
(hoge temperatuur
transmissievloeistof ) wordt
weergegeven op het multi-
informatiedisplay
(AWD-uitvoeringen)
Schakel stand D in
*en laat het
gaspedaal los om de rijsnelheid te
verlagen. Breng de auto op een veilige
plaats tot stilstand, zet de
selectiehendel in stand P en laat de
motor stationair draaien totdat de
waarschuwingsmelding verdwijnt.
*Zet de selectiehendel tijdens het rijden
in de normale stand D als er in stand D
een schakelbereik is geselecteerd
(→blz. 194). (alleen auto's met paddle
shift-schakelaars)
Wanneer de waarschuwingsmelding is
verdwenen, kunt u weer gaan rijden.
Laat de auto controleren door een
erkende Toyota-dealer of
hersteller/reparateur of een andere naar
behoren gekwalificeerde en uitgeruste
deskundige wanneer de
waarschuwingsmelding niet verdwijnt
na enige tijd.
Beperken plotseling wegrijden
(wegrijregeling)
→Blz. 176
AI-SHIFT-functie
De AI-SHIFT-functie schakelt
automatisch de passende versnelling in,
in overeenstemming met de
handelingen van de bestuurder en de
rijomstandigheden. De AI-SHIFT-functie
treedt automatisch in werking in stand
D. (De functie wordt uitgeschakeld als de
selectiehendel in stand S wordt gezet.)
4.2 Rijprocedures
192

Als het controlelampje S niet gaat
branden of als het controlelampje D
brandt nadat de selectiehendel in de
S-modus is gezet
Dit kan duiden op een storing in de
automatische transmissie. Laat de auto
onmiddellijk nakijken door een erkende
Toyota-dealer of hersteller/reparateur
of een andere naar behoren
gekwalificeerde en uitgeruste
deskundige. (In deze situatie werkt de
transmissie alsof de selectiehendel in
stand D staat.)
4.2.4 Multidrive CVT*
*Indien aanwezig
Selecteer de schakelstand op basis van
uw doel en de situatie.
Doel en functie van de schakelstanden
Schakelstand Doel of functie
PParkeren van de
auto/starten van de
motor
R Achteruit
N Neutraalstand
D
Normale rijmodus*1, 2
MSequentiële
shiftmatic-
sportmodus met
10 versnellingen*3
(→blz. 199)
*1Zet onder normale omstandigheden de
selectiehendel in stand D voor een zo laag
mogelijk brandstofverbruik en een zo laag
mogelijke geluidsproductie.
*2Alleen auto's met paddle
shift-schakelaars: door het selecteren
van versnellingen in stand D kan er
passend op de motor geremd worden.
(→Blz. 198)
*3Door in stand M met de selectiehendel
een versnelling te kiezen, kunt u de
motorremwerking regelen.Failsafe-regeling Multidrive CVT
Het systeem signaleert storingen in
onderdelen (alle solenoids die zijn
betrokken bij het schakelen) die door de
zelfdiagnose worden gecontroleerd en
voert failsafe-regelingen uit zoals een
beperking van het schakelbereik of van
de regeling van de
overbrengingsverhouding. In dat geval
gaat het motorcontrolelampje branden.
Wanneer er wordt gereden met
ingeschakelde Dynamic Radar Cruise
Control met volledig snelheidsbereik of
cruise control (indien aanwezig)
Ook wanneer tijdens het rijden in stand D
de sportmodus wordt ingeschakeld met
als doel op de motor af te remmen, wordt
er niet op de motor afgeremd omdat de
Dynamic Radar Cruise Control met
volledig snelheidsbereik of de cruise
control niet wordt uitgeschakeld.
(→Blz. 312)
Als “Transmission Oil Temp. High” (hoge
temperatuur transmissievloeistof ) op
het multi-informatiedisplay wordt
weergegeven
Schakel stand D in
*en laat het gaspedaal
los om de rijsnelheid te verlagen. Breng
de auto op een veilige plaats tot stilstand,
zet de selectiehendel in stand P en laat de
motor stationair draaien totdat de
waarschuwingsmelding verdwijnt.
*Zet de selectiehendel tijdens het rijden
in de normale stand D als er in stand D
een versnelling geselecteerd is
(→blz. 198). (alleen auto's met paddle
shift-schakelaars)
Wanneer de waarschuwingsmelding is
verdwenen, kunt u weer gaan rijden.
Laat de auto controleren door een
erkende Toyota-dealer of hersteller/
reparateur of een andere naar behoren
gekwalificeerde en uitgeruste deskundige
wanneer de waarschuwingsmelding niet
verdwijnt na enige tijd.
4.2 Rijprocedures
196

Ondersteunend systeem
PCS (Pre-Crash Safety-systeem)
→Blz. 226
LTA (Lane Tracing Assist)
→Blz. 237
AHB (Automatic High Beam)
→Blz. 211
RSA (Road Sign Assist) (indien aanwezig)
→Blz. 248
Dynamic Radar Cruise Control met
volledig snelheidsbereik (indien
aanwezig)
→Blz. 252
Dynamic Radar Cruise Control (indien
aanwezig)
→Blz. 263
WAARSCHUWING!
Toyota Safety Sense
Toyota Safety Sense is ontworpen om te
werken met als uitgangspunt dat de
bestuurder voorzichtig rijdt om te helpen
de gevolgen van een aanrijding voor de
inzittenden en de auto te beperken of de
bestuurder te assisteren onder normale
rijomstandigheden. Vertrouw niet
blindelings op het systeem, aangezien er
een grens is aan de mate van
nauwkeurigheid bij de herkenning en de
ondersteunende mogelijkheden die dit
systeem kan bieden. Het is altijd de
verantwoordelijkheid van de bestuurder
om de omgeving van de auto in de gaten
te houden en veilig te rijden.
Sensoren
Twee soorten sensoren, die zich achter de
grille en de voorruit bevinden, signaleren
informatie die nodig is voor de werking
van de ondersteunende systemen
ARadarsensor
BCamera voor
WAARSCHUWING!
Voorkomen van storingen in de
radarsensor
Neem de volgende
voorzorgsmaatregelen in acht. Als u dat
niet doet, werkt de radarsensor
mogelijk niet goed, hetgeen kan leiden
tot een ongeval met dodelijk of ernstig
letsel tot gevolg.
• Houd de radarsensor en de afdekking
van de radarsensor altijd schoon.
ARadarsensor
BAfdekking radarsensor
Reinig de voorzijde van de
radarsensor of de voor- of achterzijde
van afdekking van de radarsensor als
ze vuil zijn of als er waterdruppels,
sneeuw, enz. op zit(ten).
Reinig de radarsensor en de kap van
de radarsensor met een zachte doek
om te voorkomen dat er
beschadigingen ontstaan.
4.5 Gebruik van de ondersteunende systemen
222

Als de VSC is uitgeschakeld
• Als de VSC wordt uitgeschakeld
(→blz. 321), worden ook de Pre-Crash
Brake Assist-functie en de Pre-Crash
Brake-functie uitgeschakeld.
• Het waarschuwingslampje PCS gaat
branden en “VSC Turned Off
Pre-Collision Brake System
Unavailable” (VSC uitgeschakeld,
Pre-Crash Brake-systeem niet
beschikbaar) wordt weergegeven op
het multi-informatiedisplay.
4.5.3 LTA (Lane Tracing Assist)*
*Indien aanwezig
Als wordt gereden op een weg met
duidelijke witte (gele)
rijstrookmarkeringen, waarschuwt het
LTA-systeem de bestuurder wanneer de
auto de huidige rijstrook of koers dreigt
te verlaten
*. Het systeem kan ook het
stuurwiel enigszins bedienen om te
helpen voorkomen dat de rijstrook of
koers wordt verlaten
*. Wanneer de
Dynamic Radar Cruise Control met
volledig snelheidsbereik (→blz. 252) of
het Dynamic Radar Cruise Control-
systeem (→blz. 263) is ingeschakeld,
bedient dit systeem ook het stuurwiel om
de auto binnen de rijstrook te houden.
Het LTA-systeem herkent witte (gele)
rijstrookmarkeringen of de rijbaan
*met
behulp van de camera voor. Het
detecteert ook voorliggers met behulp
van de camera voor en de radar.
*De grens tussen asfalt en de kant van de
weg, zoals gras, grond of een stoeprand
WAARSCHUWING!
Voordat u het LTA-systeem gebruikt
•Vertrouw niet uitsluitend op het
LTA-systeem. Het LTA-systeem is geen
systeem dat de auto automatisch
bestuurt of de hoeveelheid aandacht
die moet worden besteed aan het
gebied vóór de auto beperkt. De
bestuurder dient altijd volledige
verantwoordelijkheid te nemen voor
een veilig rijgedrag door de omgeving
steeds goed in de gaten te houden en
het stuurwiel te bedienen om de
rijrichting van de auto te corrigeren.
De bestuurder moet ook zorgen voor
voldoende pauzes als hij moe is,
bijvoorbeeld als hij langere tijd heeft
gereden.
• Als u niet op de juiste manier rijdt en
niet goed oplet, kan dat leiden tot
een ongeval met dodelijk of ernstig
letsel tot gevolg.
Situaties die niet geschikt zijn voor
gebruik van het LTA-systeem
Gebruik in de volgende gevallen de
toets LTA om het systeem uit te
schakelen. Als u dat niet doet, kan dat
leiden tot een ongeval met dodelijk of
ernstig letsel tot gevolg.
• Er wordt gereden op een wegdek dat
glad is door regenachtig weer,
sneeuwval, vorst, enz.
• Er wordt gereden op een met sneeuw
bedekte weg.
• Witte (gele) lijnen zijn moeilijk te zien
door regen, sneeuw, mist, stof, enz.
• Er wordt gereden in een tijdelijke
rijstrook of een smalle rijstrook door
wegwerkzaamheden.
• Er wordt gereden in een gebied met
wegwerkzaamheden.
• Er is/zijn een reservewiel,
sneeuwkettingen, enz. gemonteerd.
• Als de banden erg versleten zijn of als
de bandenspanning te laag is.
4.5 Gebruik van de ondersteunende systemen
237
4
Rijden