
– De motorkap is gesloten.
(→Blz. 308)
• Onder de volgende omstandigheden
wordt de motor mogelijk niet
uitgeschakeld door het Stop &
Start-systeem. Dit wijst niet op een
storing van het Stop & Start-systeem.
– Als de airconditioning wordt
gebruikt.
– Als de accu periodiek wordt
opgeladen.
– Als de accu niet voldoende is
opgeladen, bijvoorbeeld als de auto
gedurende lange tijd heeft
stilgestaan en de ladingstoestand is
afgenomen, als de elektrische
belasting hoog is, als de
temperatuur van de accuvloeistof
extreem laag is of als de accu
verouderd is.
– Als het vacuüm van de
rembekrachtiger te laag is.
– Als de verstreken tijd sinds het
starten van de motor kort is.
– Als de auto frequent tot stilstand
wordt gebracht, bijvoorbeeld in een
file.
– Als de temperatuur van de
koelvloeistof of van de
transmissievloeistof extreem laag of
hoog is.
– Als de auto stilstaat op een steile
helling (auto's met Multidrive CVT).
– Als het stuurwiel wordt bediend.
– Als de auto op grote hoogte rijdt.
– Als de temperatuur van de
accuvloeistof extreem laag of hoog
is.
– Enige tijd nadat de accupolen zijn
losgenomen en weer aangesloten.
• De motor wordt automatisch herstart
wanneer deze is uitgeschakeld door
het Stop & Start-systeem als aan een
van de volgende voorwaarden voldaan
is:
(Rijd met de auto om ervoor te zorgen
dat de motor weer door het Stop &
Start-systeem wordt uitgeschakeld.)– De airconditioning wordt
ingeschakeld. (auto's zonder
handmatig bediende
airconditioning)
– De voorruitverwarming wordt
ingeschakeld. (auto's zonder
handmatig bediende
airconditioning)
– De selectiehendel wordt uit stand D
gezet. (auto's met Multidrive CVT)
– De veiligheidsgordel van de
bestuurder wordt losgemaakt.
– Het bestuurdersportier wordt
geopend.
– De rijmodus wordt gewijzigd van de
normale of ECO-rijmodus in een
andere modus.
– De rijmodus is gewijzigd in de
SNOW-modus (AWD-uitvoeringen).
– De Mud & Sand- of Rock &
Dirt-modus voor de Multi-terrain
Select is geselecteerd
(AWD-uitvoeringen).
– De uitschakeltoets van het Stop &
Start-systeem wordt ingedrukt.
– Het stuurwiel wordt bediend.
– Het gaspedaal wordt ingetrapt
(auto's met Multidrive CVT).
– De auto begint te rollen op een
helling.
• Onder de volgende omstandigheden
wordt de motor mogelijk automatisch
herstart wanneer deze is
uitgeschakeld door het Stop &
Start-systeem: (Rijd met de auto om
ervoor te zorgen dat de motor weer
door het Stop & Start-systeem wordt
uitgeschakeld.)
– Als het rempedaal pompend of diep
wordt ingetrapt.
– Als de airconditioning wordt
gebruikt.
– Als een schakelaar van het
airconditioningsysteem wordt
bediend (schakelaar
achterruitverwarming, enz.).
– Als de accu bijna leeg is.
4.5 Gebruik van de ondersteunende systemen
307
4
Rijden

Als de motorkap wordt geopend
• Als de motor is uitgezet door het Stop
& Start-systeem en de motorkap
wordt geopend, slaat de motor af en
kan de motor niet worden gestart
door de automatische
motorstartfunctie. Start in dat geval
de motor volgens de normale
startprocedure. (→Blz. 186, blz. 187)
• Als de motorkap wordt gesloten nadat
de motor is gestart terwijl de
motorkap was geopend, werkt het
Stop & Start-systeem niet. Sluit de
motorkap, zet het contact UIT, wacht
ten minste 30 seconden en start
vervolgens de motor.
Airconditioning terwijl de motor door
het Stop & Start-systeem is
uitgeschakeld
Auto's met een automatische
airconditioning: Als de airconditioning in
de automatische modus staat en de
motor is uitgeschakeld door het Stop &
Start-systeem, kan de ventilator met
een lage snelheid gaan draaien om te
voorkomen dat de temperatuur in het
interieur hoger of lager wordt, of kan hij
worden uitgeschakeld.
Schakel het Stop & Start-systeem uit
door de uitschakeltoets van het Stop &
Start-systeem in te drukken om de
prestaties van de airconditioning
voorrang te geven als de auto stilstaat.
• Als de voorruit beslagen is
Schakel de voorruitverwarming in.
(→Blz. 333, blz. 338)
Druk als de voorruit blijft beslaan op
de uitschakeltoets van het Stop &
Start-systeem om het Stop &
Start-systeem uit te schakelen.
• Als het airconditioningsysteem een
onaangename geur verspreidt
– Auto's met een handmatig bediende
airconditioning:
Als de tijd voor uitschakeling bijstilstand is ingesteld op “Extended”
(verlengd), wijzig de instelling dan
in “Standard” (standaard). Als er
een onaangename geur verspreid
wordt terwijl de tijd voor
uitschakeling bij stilstand is
ingesteld op “Standard”
(standaard), druk dan op de
uitschakeltoets voor het Stop &
Start-systeem om het Stop &
Start-systeem te deactiveren.
– Auto's met automatische
airconditioning:
Druk op de uitschakeltoets van het
Stop & Start-systeem om het Stop &
Start-systeem uit te schakelen.
Wijzigen van de tijd voor uitschakeling
bij stilstand bij ingeschakelde
airconditioning
De werkingsduur van het Stop &
Start-systeem als de airconditioning is
ingeschakeld, kan via
van het
multi-informatiedisplay (→blz. 94,
blz. 102) worden gewijzigd. (De
werkingsduur van het Stop &
Start-systeem als de airconditioning is
uitgeschakeld, kan niet worden
gewijzigd.)
Weergeven van de status van het Stop
& Start-systeem
Sinds starten: Geeft de totale tijd weer
die de motor door het Stop &
Start-systeem is uitgeschakeld vanaf het
moment dat de motor werd gestart
totdat de motor werd uitgeschakeld.
Telkens als de motor uitgezet wordt,
wordt dit item gereset.
Meldingen multi-informatiedisplay
In de volgende gevallen kunnen
en
een melding worden weergegeven op
het multi-informatiedisplay.
• Wanneer de motor niet kan worden
uitgeschakeld door het Stop &
Start-systeem
“Press Brake More to Activate”
(trap het rempedaal dieper in om te
activeren)
*
4.5 Gebruik van de ondersteunende systemen
308

– Het rempedaal wordt niet ver
genoeg ingetrapt.
→Als het rempedaal verder wordt
ingetrapt, werkt het systeem.
*Auto's met Multidrive CVT“Non-Dedicated Battery”
(ongeschikte accu)
– Er is een accu geplaatst die niet is
ontworpen voor gebruik met een
Stop & Start-systeem.
→Laat de auto nakijken door een
erkende Toyota-dealer of
hersteller/reparateur of een andere
naar behoren gekwalificeerde en
uitgeruste deskundige.
“Battery Charging” (batt. laadt
op)
– De accu is mogelijk bijna leeg.
→Het uitschakelen van de motor is
tijdelijk niet mogelijk om voorrang
te geven aan het laden van de accu.
Nadat de motor gedurende een
bepaalde periode heeft gedraaid,
wordt het systeem weer
geactiveerd.
– Mogelijk wordt een
onderhoudslaadprocedure
uitgevoerd
→Wanneer de
onderhoudslaadprocedure van
maximaal een uur is voltooid, kan
het systeem worden bediend.
– Indien continu weergegeven
gedurende een langere tijd (meer
dan een uur)
→De accu kan verouderd zijn. Neem
voor meer informatie contact op
met een erkende Toyota-dealer of
hersteller/reparateur of een andere
naar behoren gekwalificeerde en
uitgeruste deskundige.
“Stop & Start System
Unavailable” (Stop & Start-systeem
niet beschikbaar)
– Het Stop & Start-systeem is tijdelijk
uitgeschakeld.
→Laat de motor gedurende enige
tijd draaien.
– De motor is mogelijk herstart terwijl
de motorkap was geopend.
→Sluit de motorkap, zet het contactUIT, wacht ten minste 30 seconden
en start vervolgens de motor.
“In Preparation” (in
voorbereiding)
– De auto rijdt op grote hoogte.
– Het vacuüm van de rembekrachtiger
is te laag.
*
→Wanneer het vacuüm van de
rembekrachtiger een bepaald
niveau bereikt, wordt het systeem
ingeschakeld.
*Auto's met Multidrive CVT“For Climate Control” (voor
klimaatregeling)
– De airconditioning wordt gebruikt
wanneer de omgevingstemperatuur
hoog of laag is.
→Het systeem treedt in werking
wanneer het verschil tussen de
ingestelde temperatuur en de
temperatuur in het interieur te klein
wordt.
– De voorruitverwarming is
ingeschakeld.
• Wanneer de motor automatisch wordt
herstart terwijl hij was uitgeschakeld
door het Stop & Start-systeem
“In Preparation” (in
voorbereiding)*
– Het rempedaal is dieper of pompend
ingetrapt.
→Het systeem wordt ingeschakeld
als de motor draait en het vacuüm
van de rembekrachtiger een
bepaald niveau heeft bereikt.
*Auto's met Multidrive CVT“For Climate Control” (voor
klimaatregeling)
– De airconditioning wordt
ingeschakeld of gebruikt.
– De voorruitverwarming is
ingeschakeld.
“Battery Charging” (accu aan
het opladen)
4.5 Gebruik van de ondersteunende systemen
309
4
Rijden

4.5.16 Rijmodusselectieschakelaar
De rijmodi kunnen worden geselecteerd
overeenkomstig de rij- en
gebruiksomstandigheden.
Selecteren van een rijmodus
Auto's met de motor voorin en
voorwielaandrijving/Dynamic Torque
Control AWD-uitvoeringen
1. ECO-rijmodus
Geschikt voor het rijden met een lager
brandstofverbruik doordat er
soepeler koppel wordt gegenereerd in
reactie op de bediening van het
gaspedaal dan in de normale modus
en beperking van de werking van het
airconditioningsysteem
(verwarmen/koelen).
Als de schakelaar wordt ingedrukt
terwijl de ECO-rijmodus niet
ingeschakeld is, schakelt het systeem
naar de ECO-rijmodus en gaat de
ECO-rijmodusindicator in het
multi-informatiedisplay branden.
2. Normale modus
Geschikt voor normaal rijden.De rijmodus gaat naar de normale
modus als de schakelaar wordt
ingedrukt in de ECO-rijmodus of
sportmodus.
3. SPORT-modus
Regelt het stuurgevoel en de motor
voor een acceleratiereactie die
geschikt is voor een sportieve rijstijl.
Geschikt voor wanneer wendbaarheid
gewenst is, bijvoorbeeld bij het rijden
in bergachtige gebieden.
Als de schakelaar wordt ingedrukt
terwijl de sportmodus niet
ingeschakeld is, schakelt het systeem
naar de sportmodus en gaat het
controlelampje voor de sportmodus in
het multi-informatiedisplay branden.
Dynamic Torque Vectoring
AWD-uitvoeringen
1. ECO-rijmodus
Geschikt voor het rijden met een lager
brandstofverbruik doordat er
soepeler koppel wordt gegenereerd in
reactie op de bediening van het
gaspedaal dan in de normale modus
4.5 Gebruik van de ondersteunende systemen
312

en beperking van de werking van het
airconditioningsysteem
(verwarmen/koelen).
Als de schakelaar wordt ingedrukt
terwijl de ECO-rijmodus niet
ingeschakeld is, schakelt het systeem
naar de ECO-rijmodus en gaat de
ECO-rijmodusindicator in het
multi-informatiedisplay branden.
2. Normale modus
Geschikt voor normaal rijden.
De rijmodus gaat naar de normale
modus als de schakelaar wordt
ingedrukt in de ECO-rijmodus of
sportmodus.
3. SPORT-modus
Regelt het stuurgevoel en de motor
voor een acceleratiereactie die
geschikt is voor een sportieve rijstijl.
Geschikt voor wanneer wendbaarheid
gewenst is, bijvoorbeeld bij het rijden
in bergachtige gebieden.
Als de schakelaar wordt ingedrukt
terwijl de sportmodus niet
ingeschakeld is, schakelt het systeem
naar de sportmodus en gaat het
controlelampje voor de sportmodus in
het multi-informatiedisplay branden.
Als de rijmodus wordt gewijzigd
• De achtergrondkleur van het
multi-informatiedisplay wijzigt
overeenkomstig de geselecteerde
rijmodus.
• Als de snelheidsmeter is ingesteld op
analoge weergave, wijzigt ook de kleur
van het snelheidsmeterdisplay.
(Alleen auto's met 7 inch
multi-informatiedisplay)
• Schakelt naar AWD-regeling passend
bij de geselecteerde modus. (Alleen
Dynamic Torque Vectoring
AWD-uitvoeringen)
• Auto's met handgeschakelde
transmissie: De iMT werkt als de
sportmodus is geselecteerd.Werking airconditioningsysteem in
ECO-rijmodus
In de ECO-rijmodus worden de
verwarming/koeling en de
aanjagersnelheid geregeld voor een zo
laag mogelijk brandstofverbruik. Voer de
volgende procedures uit om de
prestaties van de airconditioning te
verbeteren.
• Wijzig de aanjagersnelheid
(→blz. 332, blz. 337)
• Annuleren ECO-rijmodus
Annuleren van een rijmodus
• De sportmodus wordt automatisch
geannuleerd en de rijmodus keert
terug naar de normale modus als het
contact UIT wordt gezet.
• De normale modus en de
ECO-rijmodus worden niet
geannuleerd zolang er geen andere
rijmodus wordt geselecteerd. (Zelfs
als het contact UIT wordt gezet,
worden de normale modus en de
ECO-rijmodus niet automatisch
geannuleerd.)
4.5.17 Multi-terrain Select
(AWD-uitvoeringen)
Multi-terrain Select is ontworpen om
AWD-, rem- en aandrijfsystemen te
regelen overeenkomstig de
wegomstandigheden. Gebruik het
systeem bij het rijden op een modderig,
zanderig of slecht wegdek.
WAARSCHUWING!
Voor gebruik van Multi-terrain Select
Neem de volgende
voorzorgsmaatregelen in acht.
Wanneer u deze voorzorgsmaatregelen
niet in acht neemt, kan een ongeval
ontstaan.
• Controleer voor het rijden of de
controlelampjes Mud & Sand en Rock
& Dirt branden.
4.5 Gebruik van de ondersteunende systemen
313
4
Rijden

WAARSCHUWING!
Rijden met winterbanden
Neem om de kans op ongevallen te
beperken de volgende
voorzorgsmaatregelen in acht. Als u dat
niet doet, kunt u de macht over het
stuur verliezen, wat kan leiden tot een
ongeval met dodelijk of ernstig letsel
tot gevolg.
• Gebruik winterbanden met de
voorgeschreven maat.
• Zorg ervoor dat de bandenspanning
aan de specificatie voldoet.
• Rijd niet harder dan de toegestane
snelheid of harder dan de
snelheidslimiet die geldt voor de
gebruikte winterbanden.
• Monteer winterbanden op alle
wielen.
Rijden met sneeuwkettingen
(behalve 235/55R19 banden)
Neem om de kans op ongevallen te
beperken de volgende
voorzorgsmaatregelen in acht. Anders
kunnen een aanrijding en dodelijk of
ernstig letsel het gevolg zijn.
• Rijd niet harder dan de maximaal
toegestane snelheid voor de
gebruikte sneeuwkettingen of niet
harder dan 50 km/h, afhankelijk van
welke snelheid de laagste is.
• Vermijd het rijden over slechte
wegdekken en over gaten.
• Vermijd plotseling accelereren,
abrupte stuuracties, plotseling
remmen en schakelhandelingen die
een plotselinge motorremwerking
veroorzaken.
• Minder uw snelheid alvorens een
bocht aan te snijden zodanig, dat u
zeker weet dat de auto bestuurbaar
blijft.
• Gebruik het LTA-systeem (Lane
Tracing Assist) (indien aanwezig)
niet.
OPMERKING
Repareren of vervangen van
winterbanden (auto's met
bandenspanningswa-
arschuwingssysteem)
Laat winterbanden repareren of
vervangen door een erkende
Toyota-dealer of hersteller/reparateur of
een andere naar behoren gekwalificeerde
en uitgeruste deskundige of door een
bandenspecialist. Het verwijderen en
plaatsen van winterbanden heeft namelijk
invloed op de werking van de
bandenspanningssensoren en -zenders.
Voordat u met de auto gaat rijden
Voer, afhankelijk van de omstandigheden,
de volgende handelingen uit:
•
Probeer een vastgevroren ruit niet met
kracht te openen en zet de
ruitenwissers niet aan als deze
vastgevroren zijn. Giet warm water over
het bevroren gedeelte om het ijs te
laten smelten. Veeg het water direct
weg om te voorkomen dat het bevriest.
• Verwijder de eventueel aanwezige
sneeuw van de luchtinlaten voor de
voorruit om zeker te kunnen zijn van
een juiste werking van de aanjager
van het airconditioningsysteem.
• Controleer of er sprake is van ijs- of
sneeuwophopingen op de verlichting
aan de buitenzijde, op de
buitenspiegels, op de ruiten, op het
dak, op het chassis, rond de banden of
op de remmen, en verwijder deze
indien dat het geval is.
• Verwijder sneeuw en modder van de
onderzijde van uw schoenen voordat u
in de auto stapt.
Tijdens het rijden
Verhoog de snelheid geleidelijk, houd een
veilige afstand tussen u en uw voorligger
en pas de snelheid aan aan de conditie
van de weg.
4.6 Rijtips
326

5.1 Gebruik van de airconditioning en de
achterruitverwarming.........332
5.1.1 Handmatig bediende
airconditioning
*..........332
5.1.2 Automatische airconditioning*. .336
5.1.3 Stuurwielverwarming*/
stoelverwarming*/
stoelventilatoren*.........343
5.2 Gebruik van de interieurverlichting . . .345
5.2.1 Overzicht interieurverlichting . . .345
5.3 Gebruik van de opbergmogelijkheden .347
5.3.1 Overzicht van
opbergmogelijkheden.......347
5.3.2 Voorzieningen in de bagageruimte .351
5.4 Gebruik van de overige voorzieningen in
hetinterieur...............355
5.4.1 Overige voorzieningen in het
interieur..............355
Voorzieningen in het interieur5
331

5.1 Gebruik van de airconditioning en de
achterruitverwarming
5.1.1 Handmatig bediende airconditioning*
*Indien aanwezig
Bedieningspaneel airconditioning
AToets aanjagersnelheid
BTemperatuurtoets
CToets ON/OFF
DToets voorruitontwaseming
EToets achterruit- en
buitenspiegelverwarming
FToets luchtcirculatieregeling
GToets buitenlucht-/
recirculatiemodus
HToets A/C
Wijzigen van de ingestelde temperatuur
Draai de draaiknop voor de
temperatuurregeling rechtsom (warm) of
linksom (koel) om de
temperatuurinstelling aan te passen.
Als de aircoschakelaar niet is ingedrukt,
blaast het systeem lucht met de
omgevingstemperatuur of verwarmde
lucht in het interieur.
Instellen van de aanjagersnelheid
Draai de knop voor de aanjagersnelheid
rechtsom (hoger) of linksom (lager) om
de aanjagersnelheid aan te passen.
Door op de AAN-/UIT-schakelaar te
drukken wordt de aanjager uitgeschakeld.
Als de aanjager is uitgeschakeld, kunt u
deze weer inschakelen door op de
AAN-/UIT-schakelaar te drukken of aan de
knop voor de aanjagersnelheid te draaien.
Wijzigen van de luchtcirculatiemodus
Druk op de schakelaar voor de
luchtcirculatieregeling.
De luchtcirculatiemodus verandert
telkens wanneer de schakelaar wordt
ingedrukt als volgt:
112233
44
5.1 Gebruik van de airconditioning en de achterruitverwarming
332