
91
Zonder touchscreen
F Druk met aangezet contact en stilstaande auto gedurende ongeveer drie seconden op deze
knop en laat de knop ver volgens los; het resetten
wordt bevestigd door een geluidssignaal.
Met touchscreen
Het resetten van het systeem moet gebeuren
bij aangezet contact en stilstaande auto.
Het systeem kan worden gereset via
het menu Rijden/Auto.
De nieuw opgeslagen waarden van de
bandenspanning worden door het systeem
beschouwd als referentiewaarden.
Sneeuwkettingen
Het systeem hoeft niet gereset te worden
na het aanbrengen of verwijderen van
sneeuwkettingen.
Storing
Als het lampje te lage bandenspanning gaat
knipperen en vervolgens blijft branden in
combinatie met het lampje Ser vice, wijst dit op
een storing in het systeem.
In dat geval werkt de bandenspanningscontrole
mogelijk niet goed.
Laat het systeem controleren door het PEUGEOT-
netwerk of door een gekwalificeerde werkplaats.
Na het uitvoeren van werkzaamheden
aan het systeem moet de spanning van de
vier banden worden gecontroleerd en het
systeem worden gereset.
Snelheidsbegrenzer
"LIMIT"
Dit systeem voorkomt dat de auto de door de
bestuurder ingestelde snelheid overschrijdt.
Bedieningselementen op de stuurkolom
1.Selecteren/uitschakelen van de snelheidsbegrenzer.
2. Verhogen van de ingestelde snelheid.
3. Verlagen van de ingestelde snelheid.
4.
Inschakelen/onderbreken van de snelheidsbegrenzer.
De snelheid kan worden ingesteld bij draaiende
motor, als de auto stilstaat of tijdens het rijden.
De minimale snelheid die ingesteld kan worden
is 30
km/h.
De bestuurder kan met het gaspedaal de
wagensnelheid verhogen. Als een zwaar punt
voelbaar is in het gaspedaal, is de ingestelde
snelheid bereikt.
Door het gaspedaal tot voorbij dit zware punt in
te trappen kan de ingestelde snelheid worden
overschreden.
Om de snelheidsbegrenzing te hervatten
laat u
het gaspedaal geleidelijk los en keert
u
terug naar een snelheid onder de ingestelde
snelheid.
Het systeem kan worden bediend bij
stilstaande auto met draaiende motor, of
tijdens het rijden.
6
Rijden

125
Rijd met een gerepareerde band niet meer
dan 200 km; neem contact op met een
PEUGEOT-dealer of een gekwalificeerde
werkplaats om de band te ver vangen.
Bandenspanningscontrolesysteem
Als de spanning van één of meer
banden is aangepast, moet het
bandenspanningscontrolesysteem worden
gereset.
Raadpleeg de desbetreffende
rubriek voor meer informatie over het
bandenspanningscontrolesysteem .
Het lampje voor te lage
bandenspanning zal na het
repareren van een wiel blijven
branden tot het systeem is
gereset.
Raadpleeg de desbetreffende
rubriek voor meer informatie over het
bandenspanningscontrolesysteem .Reservewiel
Scan de QR-code op pagina 3 om
v erklarende video's te bekijken.
In het geval van een lekke band kunt u het wiel
m et het bij de auto geleverde gereedschap
verwisselen volgens de onderstaande procedure.
Toegang tot het gereedschap
Beschikbaar gereedschap
1. Wielsleutel.
Hiermee kan de wieldop worden ver wijderd
en kunnen de wielbouten worden
losgedraaid.
2. Krik met geïntegreerde slinger.
Hiermee kan de auto worden opgekrikt.
3. Gereedschap voor het ver wijderen van
sierdoppen.
Hiermee kunnen bij lichtmetalen velgen
de sierdoppen van de wielbouten worden
verwijderd.
4. Dop voor het verwijderen van slotbouten
Hiermee kunnen met behulp van de
wielsleutel de speciale slotbouten worden
verwijderd.
5. Sleepoog.
Zie de desbetreffende rubriek voor meer
informatie over het slepen .
Het gereedschap bevindt zich onder de vloer
van de bagageruimte.
Voor toegang:
F
o
pen de achterklep,
F
t
il de vloerplaat op en ver wijder deze,
F
h
aal de houder met het gereedschap er uit.
8
In geval van pech

22
Instellingen
VR A AGANTWOORDOPLOSSING
Na het instellen van de lage tonen en hoge tonen wordt de
instelling van de geluidssfeer geannuleerd.
Na het wijzigen van de instellingen voor de geluidssfeer
wordt de instelling van de lage tonen en hoge tonen gereset.De instelling van de geluidssfeer is gekoppeld
aan de lage en hoge tonen.Wijzig de instelling van de lage en de hoge
tonen of de geluidssfeer om de gewenste
geluidskwaliteit te verkrijgen.
Bij het veranderen van de balans wordt de
geluidsverdeling uitgeschakeld.
Bij het veranderen van de geluidsverdeling worden
de instellingen van de balans uitgeschakeld.De geluidsverdeling is gekoppeld aan de
balans.Stel de balans in of kies een geluidsverdeling
naar eigen wens.
Er is een verschil in geluidskwaliteit tussen de
verschillende geluidsbronnen. Voor een optimale geluidskwaliteit kunnen
de audio-instellingen worden aangepast aan
verschillende geluidsbronnen die hoorbare
verschillen kunnen genereren bij het
veranderen van de bron.Controleer of de audio-instellingen zijn
afgestemd op de geluidsbron die u
gebruikt.
Zet de audiofuncties in de middelste stand.
Na het afzetten van de motor wordt het
systeem na enkele minuten automatisch
uitgeschakeld.
Als de motor is afgezet, blijft het audiosysteem nog
werken zolang de laadtoestand van de accu dat
toestaat.
In de normale uitgeschakelde stand, gaat het systeem
na een bepaalde tijd automatisch over op de eco-mode
om de laadtoestand van de accu op peil te houden.Zet het contact aan om de laadstroom van de
accu te verhogen.
PEUGEOT Connect Radio

30
Configuratie van de profielen
Het configureren van de profielen mag, om
veiligheidsredenen en vanwege het feit dat deze
handeling volledige aandacht van de bestuurder vraagt,
uitsluitend worden uitgevoerd bij stilstaande auto.
Druk op Instellingen om de
hoofdpagina weer te geven.
Druk op de toets " OPTIES" om de tweede
pagina te openen.
Selecteer " Configuratie van de
profielen ".
Selecteer " Profiel 1", "Profiel 2 ", "Profiel 3 " of
" Gemeenschap. prof. ".
Druk op deze toets om een
profielnaam in te voeren met het
virtuele toetsenbord.
Druk op " OK" om te bevestigen.
Druk op deze toets om een
profielfoto toe te voegen.
Plaats een USB-stick met daarop de
foto in de USB-aansluiting.
Selecteer de foto.
Druk op " OK" om toestemming te
geven voor de overdracht van de foto.
Druk nogmaals op " OK" om de
instellingen op te slaan.
Het kader voor de profielfoto heeft een
vierkante vorm, het systeem past de
oorspronkelijke vorm van de foto aan dit
vierkant aan. Druk op deze toets om het
geselecteerde profiel te resetten.
Bij het resetten van het profiel wordt
Engels als taal ingesteld.
Selecteer een " Profiel" (1, 2
of 3) om dit te
koppelen aan " Audio-instellingen ".
Selecteer " Audio-instellingen ".
Selecteer " Sferen".
Of
" Verdeling ".
Of
" Geluid ". Of
"
Spraak ".
Of
" Beltonen ".
Druk op " OK" om de instellingen op
te slaan.
Instellingen van het
systeem wijzigen
Druk op Instellingen om de
hoofdpagina weer te geven.
Druk op de toets " OPTIES" om de tweede
pagina te openen.
Selecteer " Schermconfiguratie ".
Selecteer " Animatie".
Activeer of deactiveer:
" Automatische tekstweergave ".
Selecteer " Helderheid ".
PEUGEOT Connect Nav

38
Instellingen
VR A AGANTWOORDOPLOSSING
Na het instellen van de lage en hoge tonen wordt de
instelling van de geluidssfeer geannuleerd.
Als u
de instelling van de geluidssfeer wijzigt, worden
de instellingen van de lage en de hoge tonen gereset.De instelling van de geluidssfeer is gekoppeld
aan de lage en hoge tonen. Wijzig de instelling van de lage en de hoge
tonen of de geluidssfeer om de gewenste
geluidskwaliteit te verkrijgen.
Bij het veranderen van de balans wordt de
geluidsverdeling uitgeschakeld.
Bij het veranderen van de geluidsverdeling worden
de instellingen van de balans uitgeschakeld.De geluidsverdeling is gekoppeld aan de
balans.Stel de balans in of kies een geluidsverdeling
naar eigen wens.
Er is een verschil in geluidskwaliteit tussen de
verschillende geluidsbronnen. Voor een optimale geluidskwaliteit kunnen
de audio-instellingen worden aangepast
aan verschillende geluidsbronnen, die
hoorbare verschillen kunnen genereren bij het
veranderen van de bron.Controleer of de audio-instellingen zijn
afgestemd op de geluidsbron die u
gebruikt.
Het is raadzaam de audiofuncties (Lage tonen,
Hoge tonen, Balans) in de middelste stand te
zetten, de geluidssfeer "Geen" te selecteren
en de functie Loudness in de stand "Actief " te
zetten bij gebruik van de CD-speler en in de
stand "Inactief " bij gebruik van de radio.
Na het afzetten van de motor wordt het
systeem na enkele minuten automatisch
uitgeschakeld.
Als de motor is afgezet, blijft het audiosysteem nog
werken zolang de laadtoestand van de accu dat
toestaat.
In de normale uitgeschakelde stand, gaat het systeem
na een bepaalde tijd automatisch over op de eco-mode
om de laadtoestand van de accu op peil te houden.Start de motor om de laadstroom van de accu
te verhogen.
Ik kan de datum en tijd niet instellen. De datum en tijd kunnen alleen worden
ingesteld als u
de synchronisatie met de
satellieten deactiveert. Menu instellingen/Opties/Datum en tijd
instellen. Selecteer het tabblad "Tijd" en
deactiveer de "GPS-synchronisatie" (UTC).
PEUGEOT Connect Nav

151
Monteren allesdragers ~ Allesdragers monteren ........................11 0 -111
Motordiagnosesysteem
..................................15
Motoren
.......................................... 142-143, 145
Motorkap
....................................................... 111
Motorkapsteun
.............................................. 111
Motorolie
................................................ 112 -113
Motorolieniveaumeter
.............................2 1, 113
M P3
(CD)
..............................
........................3-5
OOliefilter ......................................................... 115
Oliefilter (vervangen) .................................... 115
Olieniveau
......................................... 2
1, 112 -113
Oliepeilstok
....................................... 2 1, 112 -113
Olieverbruik
............................................ 112 -113
Onder de motorkap ~ Motorruimte
...............112
Onderhoudscontroles
..................................... 20Panoramadak
.............................................
47- 4 8
Park Assist
...............................
.....................
10 0
Parkeerrem
..............................
..........
82-83, 116
Parkeerhulp achter
.........................................
98
Parkeerhulp achter met grafische weergave en geluidssignalen
....... 98
P
arkeerhulp vóór .......................................
98-99
Parkeerlichten ............................51, 5 4, 13 0 -132
PEUGEOT Connect Nav
...................................1
PEUGEOT Connect Radio
...............................1
P
lafonnier
..................................................46 - 47
Profielen
....................................................16, 30
Pyrotechnische gordelspanners
.....................64
P
RRadio ...................................... 2, 2, 6 -7, 9, 21, 24
Radiozender ............................... 2
, 2, 6 -7, 21-22
RDS
................
........................................ 7, 2 1 - 2 2
Regeling luchtopbrengst ~ Aanjager, regeling
.................................. 43-45
Regeling luchtverdeling ~ Luchtverdeling ...43-45Regelmatige controles ~ Controles... 8 3 , 114 -11 6
Regelmatig onderhoud ..................................... 6
R
egeneratie roetfilter
.................................... 11
5
Remblokken
............................................ 8 3 , 11 6
Remlichten
...............................
..................... 132
Remmen
............................................ 12, 83, 116
Remschijven ............................................ 8 3 , 11 6
Reservewiel
................................... 116, 125 -126
Reservoir ruitensproeiers ~ Ruitensproeierreservoir
.............................. 114
Resetten bandenspanningscontrolesysteem ...90
R
ichtingaanwijzers
.................... 52, 54, 130, 132
Rijadviezen
..............................
................. 80 - 81
Roetfilter
...............................
.................. 114 -115
Ruitbediening
...............................
................... 34
Ruitensproeier achter
..................................... 57
Ruitensproeiers
............................................... 56
Ruitenwisser achter
........................................ 57
Ruitenwisserbladen (vervangen)
.................... 57
Ruitenwisserbladen vervangen
...................... 57
R
uitenwissers
...................................... 19, 55 - 56
Ruitenwisserschakelaar
............................ 5
5-57
Niveau AdBlue
® .............................................
11 4
Niveau brandstofadditief diesel ~ Brandstofaddititiefniveau
......................... 114
Niveau koelvloeistof ~ Koelvloeistofniveau
.............................. 2
1, 114
Niveau remvloeistof ~ Remvloeistofniveau ...113
Niveau ruitensproeiervloeistof ~ Ruitensproeiervloeistofniveau
................ 114
Niveaus controleren
............................... 112 -114
Niveaus en controles
............................. 112 -114
Noodbediening achterklep
.............................. 32
Noodbediening portieren
.......................... 3
0 - 31
Noodoproep ~ Urgence-oproep
............... 59-60
Noodprocedure starten
................................. 13 8
Noodremassistentie ~ Brake Assist System (BAS)
.................................... 60
NRA
................................................................. 60
Nulstelling onderhoudsindicator ~
Onderhoudsintervalindicator resetten
... 20 -21
N
Onderhoudsindicator ~
Onderhoudsintervalindicator ........................ 20
O
ntdooien .................................................. 45-46
Ontgrendelen
.................................................. 28
O
ntgrendelen bagageruimte ~
Bagageruimte ontgrendelen
...................28, 32
Ontgrendelen portieren ~ Portieren ontgrendelen .................... 28, 30, 33
Ontgrendelen van binnenuit ~ Vanuit het interieur ontgrendelen
................. 3
0
Ontluchten brandstofsysteem ~ Brandstofsysteem ontluchten
..................12
1
Ontwasemen
............................................. 45-46
Opbergvakken
........................................... 39, 48
Opbergvakken portieren
................................. 48
O
penen bagageruimte ~
Bagageruimte openen
..................................32
Openen brandstofvulklep ~ Brandstoftanklep openen
...........................107
Openen motorkap ~ Motorkap, openen
.......111
O
penen zonnescherm
panoramadak ~
Zonnescherm panoramadak openen
...... 4
7- 4 8
Overzicht zekeringen ~ Zekeringentabel
................................... 13
3 -13 6
SSchakelaar ................................................ 81- 82
Schakelaars stoelverwarming ~ Stoelverwarming, schakelaars
..................39
Schakelindicator
............................................. 86
SCR (Selective Catalytic Reduction)
............117
SCR-systeem
...............................
.................117
Selectiehendel
................................................ 85
Sel
ectiehendel
handgeschakelde
versnellingsbak ~ Schakelen
elektronisch bediende versnellingsbak
........83
.
Trefwoordenregister

MENU DATELA
MENUIdioma
Deutsch
English
Español
Français
Italiano
Nederlands
Português
Versões
Sistema Português-Brasil
Русский
Türkçe
2
1
3
07 STEERING WHEEL
CONTROLS
RADIO: go to next radio station on the list.
Press for several seconds to automatically search for
a higher frequency.
USB: selecting the next track.
USB: press continuously to fast forward.
SRC/TEL button:
Changes sound source.
Make a call from the number list.
Answer/hang up.
Press for more than two seconds
to access number list.
Radio: selecting the previous/
next preset station.
Selecting the next item on the
number list. Turning the volume up.
Turning the volume down.RADIO: switch to previous station
on the list.
Press for several seconds to
automatically search for a lower
frequency.
USB: selecting the previous track.
USB: press continuously to rewind.
Mute: mute sound by
simultaneously pressing
the volume up/down
buttons.
Turning the mute off:
press one of the volume
buttons.
* According to version or country of sale.
19

QUESTÃORESPOSTA SOLUÇÃO
A qualidade de
recepção da estação
de rádio degrada-se
progressivamente ou as
estações memorizadas
não funcionam (sem
som, é apresentado
87,5
Mhz...). O veículo está demasiado afastado do emissor da estação ouvida ou não
está presente qualquer estação emissora presente na zona geográfi a
atravessada.
Ative a função RDS e inicie uma nova procura
da estação para permitir ao sistema verificar se
a estação emissora mais potente existe na zona
geográfica
O ambiente exterior (colinas, prédios, túneis, estacionamentos
subterrâneos...) pode bloquear a recepção, incluindo o modo de
acompanhamento RDS. Este fenômeno é normal na propagação das ondas
de rádio e não constitui qualquer avaria do rádio.
A antena não existe ou foi danificada (por exemplo, durante uma passagem
em um lava-jato ou num estacionamento subterrâneo). Solicite a verificação da antena pela Rede de
concessionárias PEUGEOT.
Cortes de som de 1 a 2
segundos em modo rádio. O sistema RDS pesquisa durante este breve corte de som uma eventual
frequência que permite uma melhor recepção da estação. Desative a função RDS se o fenômeno for
demasiado frequente e sempre no mesmo
percurso.
O anúncio de tráfego TA é
apresentado. Não recebo
informações de tráfego. A estação de rádio não difunde informações de tráfego.
Selecione uma estação de rádio que transmita
informações de tráfego.
Não é possível encontrar
as estações memorizadas
(sem som, é apresentado
87,5
Mhz...). A gama de onda selecionada não é a correta.
Pressione a tecla SRC/TEL para encontrar a
gama de onda (FM1 ou FM2) onde se encontram
memorizadas as estações.
213
ÁUDIO
FREQUENTLY-ASKED QUESTIONS
The table below shows the answers to the most frequently asked questions.
QUESTION ANSWER SOLUTION
There is a considerable
difference in sound
quality between audio
functions (radio,
USB...). For ideal sound, audio settings(volume, bass, treble, environment,
loudness) may be adapted to the various audio functions, which
may cause a difference in audio quality when changing function
(radio, USB...).
Check to see if audio settings (volume, bass,
treble, ambience, loudness) are adapted to
the functions used.
It is recommended to adjust audio functions
(bass, treble, FR/TR balance, left/right
balance) to the middle position, select the
musical environment, and set loudness
correction to the ″on″ position.
When adjusting
treble and bass, the
environment option is
not available.
Treble and bass reset
to zero when changing
the environment. Choosing the environment affects adjustment of treble and bass.
You may only adjust one and not the other in a personalized
environment.
Adjust treble and bass settings or the
environment to obtain the desired audio
environment.
Distribution is
deselected when
adjusting balance. Choosing the ″driver″ mode affects balance.
Adjust the balance control or distribution to
set the desired audio environment.QUESTIONANSWERSOLUTION
U H F H S W L R Q T X D O L W \ U D G L R V W D W L R Q
J H W V
Z R U V H S U H V H W V W D W L R Q V
Q R W
Q R V R X Q G
7 K H Y H K L F O H
L V W R R I D U I U R P W K H W U D Q V P L W W H U R I W K H U D G L R V W D W L R Q R U
W K H U H L V Q R \
U D G L R V W D W L R Q \
L Q W K H D U H D \
6 W D U W D
Q H Z V H D U F K I R U W K H V W D W L R Q V R W K D W W K H
V \ V W H P P D \
F K H F N W R V H H L I W K H U D G L R V W D W L R Q
L V E U R D G
F D V W L Q J R Q D P R U H S R Z H U I X O V L J Q D O L Q
W K H D U H D
( [ W H U Q D O I D F W R U V
K L O O V E X L O G L Q J V W X Q Q H O V S D U N L Q J O R W V E D V H P H Q W V
H W F \f P D \ K L \
Q G H U U H F H S W L R Q \
7 K L V L V
Q R U P D O L Q U D G L R Z D Y H S U R S D J D W L R Q D Q G
G R H V Q R W P H D Q \
W K D W W K H F D U \
U D G L R K D V I D \
L O H G
7 K H U H L V
Q R D H U L D O R U W K H D H U L D O L V G D P D J H G I R U H [ D P S O H L Q D
F D U Z D V K R U L Q \
D Q X Q G H U J U R X Q\
G S D U N L Q J O R W \
\f $ V N \ R X U
&