
99
Snelheidsbegrenzer
Dit systeem voorkomt dat de auto
de door de bestuurder ingestelde
snelheid overschrijdt.
Het instellen van de maximumsnelheid is mogelijk
bij stilstaande auto met draaiende motor, of
tijdens het rijden als minimaal de 2e versnelling is
ingeschakeld.
De minimale snelheid die ingesteld kan worden is
30
km/h.
De snelheid wordt verhoogd naarmate het
gaspedaal dieper wordt ingetrapt tot aan het zware
punt van het gaspedaal, waarbij de ingestelde
snelheid is bereikt.
Als het gaspedaal tot voorbij het zware punt wordt
ingetrapt, wordt de ingestelde snelheid echter
overschreden. Om de snelheidsbegrenzing te
her vatten laat u
het gaspedaal geleidelijk los en
keert u
terug naar een snelheid onder de ingestelde
snelheid. 1.
Selecteer de snelheidsbegrenzerfunctie.
2. Inschakelen/uitschakelen van de functie.
3. Instellen van een snelheid.
De status van de geselecteerde stand en de
ingestelde snelheid verschijnen op het display van
het instrumentenpaneel.
De snelheidsbegrenzer is niet meer dan
een hulpmiddel, hetgeen inhoudt dat de
snelheidslimiet altijd gerespecteerd moet
worden en dat de bestuurder altijd waakzaam
moet blijven.
Selecteren van de functie
F Draai de ring in de onderste stand. De begrenzer is dan geselecteerd,
maar nog niet actief.
Het display geeft OFF en de laatst ingestelde
snelheid weer.
Instellen van een snelheid
Er kan, bij draaiende motor, een snelheid worden
ingesteld zonder de begrenzer in te schakelen.
Verhogen van de ingestelde snelheid:
F
B
eweeg de hendel omhoog (+).
Tik kort om de snelheid met 1
km/h te verhogen.
Houd de hendel omlaag om de snelheid in stappen
van 5
km/h te verhogen.
Verlagen van de ingestelde snelheid:
F
B
eweeg de hendel omlaag (-).
Tik kort om de snelheid met 1
km/h te verlagen.
Houd de hendel omlaag om de snelheid in stappen
van 5
km/h te verlagen.
6
Rijden

118
Geschikte brandstoffen
Brandstof voor
dieselmotoren
De dieselmotoren zijn geschikt voor biobrandstoffen
die aan de huidige en toekomstige Europese
richtlijnen voldoen en die bij tankstations getankt
kunnen worden:Diesel die voldoet aan de richtlijn
EN590
gemengd met biobrandstof die
voldoet aan de richtlijn EN14214 (met
een gehalte aan methyl-estervetzuren
van 0
tot 7%),
Diesel die voldoet aan de richtlijn
EN16734
gemengd met biobrandstof die
voldoet aan de richtlijn EN14214 (met
een gehalte aan methyl-estervetzuren
van 0
tot 10%),
Paraffinehoudende diesel die voldoet
aan de richtlijn EN15940
gemengd met
biobrandstof die voldoet aan de richtlijn
EN14214 (met een gehalte aan methyl-
ester vetzuren van 0
tot 7%).Raadpleeg voor meer informatie het PEUGEOT-
netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.
Het gebruik van elk ander type (bio)brandstof
(zuivere of verdunde plantaardige of dierlijke
olie, stookolie…) is nadrukkelijk verboden
(kans op schade aan de motor en het
brandstofcircuit).
Alleen het gebruik van dieseladditieven die
voldoen aan de norm B715000
is toegestaan.Diesel bij lage
buitentemperaturen
Bij temperaturen beneden het vriespunt kan
paraffine in zomerdiesel vlokvorming en storingen
in het brandstofsysteem van uw auto veroorzaken.
Om dit te voorkomen is het raadzaam winterdiesel
te tanken en de tank voor minimaal 50% gevuld te
houden.
Als desondanks de motor bij een temperatuur lager
dan -15 °C moeilijk aanslaat, laat dan de auto even
in een garage of ver warmde werkplaats staan.
De brandstof B20
of B30
die voldoet
aan de richtlijn EN16709
is ook geschikt
voor de dieselmotor van uw auto. Maar
als deze brandstof, ook al is het slechts
incidenteel, wordt gebruikt, moeten de
bijzondere onderhoudsvoorschriften
(voor "Zware rijomstandigheden") strikt
worden nageleefd.
Reizen naar het buitenland
Bepaalde brandstoffen kunnen de motor
beschadigen.
In bepaalde landen kan het nodig zijn een
specifieke brandstofsoort te gebruiken
(specifiek octaangetal, specifieke commerciële
benaming enz.) om de goede werking van de
motor te garanderen.
Neem voor meer informatie contact op met uw
dealer.
Praktische informatie

119
Sneeuwkettingen
Onder winterse omstandigheden verbeteren
sneeuwkettingen de tractie en het remgedrag van
de auto.Uitsluitend de aangedreven wielen mogen
van sneeuwkettingen worden voorzien. Een
noodreservewiel mag niet worden voorzien
van een sneeuwketting.
Houd u
altijd aan de ter plekke geldende
regelgeving over het gebruik van
sneeuwkettingen en de maximaal toegestane
snelheid.
Montagetips
F Als u onderweg sneeuwkettingen moet
monteren, zet de auto dan langs de kant van de
weg stil op een vlakke ondergrond.
F
P
arkeerrem aantrekken en indien nodig
wielblokken tegen de wielen plaatsen, om het
wegrollen van de auto te voorkomen.
F
M
onteer de sneeuwkettingen, volg daarbij de
aanwijzingen van de fabrikant.
F
R
ijd voorzichtig weg en rij even met een
snelheid van maximaal 50
km/h.
F
Z
et de auto stil en controleer of de kettingen
correct gespannen zijn.
Rijd niet met sneeuwkettingen op een
sneeuwvrij gemaakte weg om schade aan
de banden en het wegdek te voorkomen.
Als uw auto is voorzien van lichtmetalen
velgen, controleer dan of de ketting en de
bevestigingen de velg niet raken.
Het is bijzonder raadzaam voor vertrek het
monteren van de sneeuwkettingen te oefenen;
doe dit op een vlakke en droge ondergrond. Gebruik uitsluitend kettingen die geschikt zijn voor
het type velg van uw auto:
Maat van de af fabriek gemonteerde banden Maximale afmeting van
de schakels
205/70
R1516
mm
215/ 70
R
1512
mm
225/70
R1516
mm
215/75
R1612
mm
225/75
R1616
mm
Neem voor meer informatie over sneeuwkettingen
contact op met het PEUGEOT-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats.
Trekken van een
aanhanger
De maximale aanhangergewichten staan vermeld
op het kentekenbewijs van uw auto en op het
constructeursplaatje.
7
Praktische informatie

126
Dieselmotoren
1.Reservoir ruiten- en
koplampsproeiervloeistof.
2. Reservoir stuurbekrachtigingsvloeistof.
3. Reservoir koelvloeistof.
4. Reservoir rem- en koppelingsvloeistof.
5. Brandstoffilter.
6. Zekeringkast.
7. Luchtfilter.
8. Oliepeilstok.
9. Olievuldop.
Accu-aansluitingen:
+ Pluspool.
- Minpool (massa). Het dieselcircuit staat onder zeer hoge druk.
Laat werkzaamheden aan dit circuit
alleen door het PEUGEOT-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats uitvoeren.
Niveaus controleren
Controleer deze niveaus regelmatig en
respecteer de voor waarden zoals vermeld in het
onderhoudsschema van de fabrikant. Vul indien
nodig bij, tenzij anders aangegeven.
Laat in het geval van een sterk gedaald niveau
het desbetreffende circuit controleren door het
PEUGEOT-netwerk of door een gekwalificeerde
werkplaats.
Let erop dat u
bij het eventueel ver wijderen en
monteren van de afdekkap van de motor, de
bevestigingsclips niet beschadigt.
Afgewerkte producten
Vermijd langdurig huidcontact met afgewerkte
olie en andere vloeistoffen.
De meeste van deze vloeistoffen zijn bijtend
en schadelijk voor de gezondheid. Gooi afgewerkte olie en andere vloeistoffen
niet in het riool, in het water of op de grond.
Deponeer afgewerkte olie in de daar voor
bestemde containers bij het PEUGEOT-
netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.
Motorolieniveau
Regelmatig controleren en tussen twee
verversingen eventueel olie bijvullen
(maximum olieverbruik: 0,5
liter per
1000
km). De controle dient bij koude
motor en horizontaal geplaatste auto
te geschieden, met behulp van de
oliepeilstok.
Controle met de peilstok
2 merktekens op de peilstok:
A = M
A X
B = MIN
Praktische informatie

136
F Maak, als binnen 5 minuten de spanning van
minimaal 3
bar niet bereikt is, de compressor
los van het ventiel en de 12
V-aansluiting. Rijd
de auto ongeveer 10
meter naar voren om het
afdichtmiddel binnen in de band te verdelen.
F
B
reng de band vervolgens weer op spanning:
•
sc
hakel de compressor uit als binnen
10
minuten de waarde van minimaal
3
bar niet bereikt is: de band is te zwaar
beschadigd om gerepareerd te kunnen
worden. Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk
of een gekwalificeerde werkplaats.
•
r
ijd zo snel mogelijk verder als de
bandenspanning een waarde heeft bereikt
van 5
bar.
F
Z
et de auto na 10 minuten stil en controleer de
bandenspanning opnieuw.
F
B
reng de band op de voorgeschreven spanning
die staat vermeld op de sticker op de portierstijl
aan bestuurderszijde en raadpleeg zo snel
mogelijk het PEUGEOT-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats.
Deze reparatieset en de patronen zijn
verkrijgbaar bij het PEUGEOT-netwerk.Controle en op spanning
brengen
De compressor kan ook gebruikt worden om de
bandenspanning te controleren en de banden op de
juiste spanning te brengen.
F
M
aak de slang I los en sluit deze rechtstreeks
aan op het ventiel van de band; de patroon is op
deze manier met de compressor verbonden en
het afdichtmiddel zal niet worden ingespoten.
Verbind slang I met het ventiel van de band als
de bandenspanning te hoog is en druk op de gele
toets in het midden van de schakelaar van de
compressor.
Vervangen van de patroon
Voer de volgende handelingen uit om de patroon
met afdichtmiddel te vervangen:
F
M
aak de slang I los.
F
D
raai de te ver vangen patroon naar links en til
deze op.
F
P
laats de nieuwe patroon en draai deze naar
rechts.
F
S
luit de slang I aan en bevestig buis B op zijn
plek.
De patroon bevat ethyleen-glycol. Dit is
schadelijk bij inslikken en kan de ogen
irriteren.
Buiten het bereik van kinderen houden. Werp de patroon na gebruik niet weg, maar
lever deze in bij het PEUGEOT-netwerk of
een officieel inzamelpunt.
In geval van pech

172
Veiligheidsgordels
Vast maken
F Trek de gordel met een gelijkmatige beweging voor u langs en verzeker u er van dat deze niet
gedraaid is.
F
S
teek de gesp in de gordelsluiting.
F
T
rek kort en snel aan de gordel om de
automatische blokkering van de gesp te
controleren.
Losmaken
F Druk op de rode knop van de gordelsluiting. De veiligheidsgordel rolt automatisch op maar het
wordt aanbevolen de veiligheidsgordel met de
hand te geleiden ter wijl deze zich oprolt.
Gebruik de veiligheidsgordel slechts voor
1
persoon per zitplaats.
Kinderzitjes
Plaats geen kinderzitjes, zitverhogers of
reiswiegen op de achterste zitplaatsen van de
cabine.
De achterste zitplaatsen zijn alle voorzien van een
driepuntsgordel met een oprolautomaat.
Chassis cabine/Plateau
cabine
De chassis en plancher cabine-
uitvoeringen zijn voorzien van
een cabine, een vast plateau en
specifieke achterlichten.
Zie de desbetreffende rubrieken voor meer
informatie over deze voorzieningen.
Een lamp vervangen
Raadpleeg de desbetreffende rubriek voor
meer informatie over de typen lampen .
Deze uitvoeringen zijn ook leverbaar met:
-
e
en dubbele cabine,
-
e
en kiepbak.
Specifieke kenmerken

177
Veiligheidsgordels
Vast maken
F Trek de gordel met een gelijkmatige beweging voor u langs en verzeker u er van dat deze niet
gedraaid is.
F
S
teek de gesp in de gordelsluiting.
F
T
rek kort en snel aan de gordel om de
automatische blokkering van de gesp te
controleren.
Losmaken
F Druk op de rode knop van de gordelsluiting. De veiligheidsgordel rolt automatisch op maar het
wordt aanbevolen de veiligheidsgordel met de
hand te geleiden ter wijl deze zich oprolt. Gebruik de veiligheidsgordel slechts voor
1
persoon per zitplaats.
Kinderzitjes
Plaats geen kinderzitjes, zitverhogers of
reiswiegen op de achterste zitplaatsen van de
cabine.
De achterste zitplaatsen zijn alle voorzien van een
driepuntsgordel met een oprolautomaat.
10
Specifieke kenmerken

181
Kenmerken
UitrustingBeschrijving
Kiepbak Bodem van de kiepbak bestaande uit 2
platen van HSS-staal met een dikte van
2,5
mm en een beschermlaag van zink, in lengterichting samengevoegd d.m.v.
laserlassen.
Kiepbak in kleur van de carrosserie.
Structuur van de
kiepbak 2
hoofddraagbalken van gegalvaniseerd HSS-staal.
1
buisvormige stalen dwarsbalk ter hoogte van de kop van de cilinder.
Dwarsbalken van gegalvaniseerd HSS-staal. De complete structuur wordt met
een poedercoating tegen roest beschermd.
Subframe 2
C-vormige draagbalken van HSS-staal met een dikte van 2,5 mm, aan de
binnenzijde begrensd door een verbreed onderste scherm.
Bevestiging op de onderzijde van de auto door middel van HSS-steunen.
1
dwarsbalk achter met scharnierpunten, van gegalvaniseerd plaatstaal.
Aanslagen op de uiteinden van de draagbalken.
Beschermingsrooster voor de achterlichten.
Antisteenslagrooster achterlamp.
Onderrijbeveiliging en schermsteunen van gegalvaniseerd plaatstaal.
Schotten Schotten van geprofileerd koud gewalst HSS-staal, dikte 15/10, samengevoegd
d.m.v. een ononderbroken laserlasverbinding.
Beschermd tegen roest met een poedercoating.
Extra verzinkte vergrendelingshaken geïntegreerd in de uitsparingen van het
schot.
Laddersteun Stijlen van gegalvaniseerd plaatstaal. Panelen en dwarsbalken van gespoten
plaatstaal met flensbouten.
Elektropompgroep 12
volt /2 kW.
Bedrijfstemperatuurbereik: -20
tot +70 °C.
Hydraulische cilinder Uitbreidingstype, nitride dwarsbalk, 3
secties, diameter: 107 mm
Max. druk: 20
bar.
Hydraulische vloeistof Mineraal type ISO HV 46
of gelijkwaardig.
Afmetingen
Als basis voor deze ombouw wordt uitsluitend
de L2-uitvoering met enkele cabine gebruikt.
Raadpleeg onderstaande tabel voor de gegevens
van de kiepbak.Kiepbak (mm)
Nuttige lengte 3200
Totale lengte 3248
Nuttige breedte 2000
Totale breedte 210 0
Hoogte van de schotten 350
Conversiegewicht (kg) 550
Raadpleeg voor de gegevens van de
Chassis Cabine in L2-uitvoering de rubriek
"Afmetingen" van de Plateau Cabine-
uitvoering.
10
Specifieke kenmerken