
50
F Druk op de schakelaar B aan de buitenzijde van de achterklep ter wijl u de elektronische
sleutel bij u hebt.
of
F
D
ruk op de schakelaar C aan de binnenzijde
van de achterklep (alleen voor sluiten).
of
F
D
ruk twee keer kort achter elkaar op de
schakelaar D op het dashboard.
of
F
B
edien de handsfree-functie E door een
snelle voetbeweging te maken onder de
achterbumper (bij de kentekenplaat) terwijl
u de elektronische sleutel bij u hebt.
Het verzoek wordt bevestigd door het branden
van de richtingaanwijzers in combinatie met
een geluidssignaal.
Maak geen andere voetbeweging voordat u een
bevestiging heeft gekregen.
De achterklep gaat volledig open
(standaardinstelling) of tot de vooraf opgeslagen
positie.
Als de elektrische werking van de achterklep is
uitgeschakeld, wordt de achterklep door deze
acties op een kier gezet.
Met een van de methoden A , B of E kunt u
niet alleen de achterklep openen maar ook,
voorafgaand aan deze actie, de auto of alleen de
achterklep (als de selectieve ontgrendeling van
de achterklep is ingeschakeld) ontgrendelen.
Door de achterklep met de handsfree-functie te
sluiten kunt u de gehele auto vergrendelen.
U kunt het openen of sluiten van de
achterklep op elk moment onderbreken.
Als u nogmaals op een van deze knoppen
of schakelaars drukt, wordt de beweging
onderbroken.
Als u na het onderbreken van de beweging
weer op een van de knoppen of schakelaars
drukt, wordt de beweging omgekeerd.
Handsfree-functie (Handsfree
toegang)
De functie voor het handsfree openen
van de achterklep kan worden in- en
uitgeschakeld via het menu Rijden/
Auto van het touchscreen.
Deze functie is standaard uitgeschakeld.
Zorg er voor dat u stabiel staat wanneer u
de voetbeweging onder de achterbumper
maakt.
Raak het mogelijk warme uitlaatsysteem
niet aan – Kans op brandwonden!
Automatische vergrendeling met
de handsfree-functie
F druk op deze schakelaar. Het groene lampje gaat branden.
Als u nogmaals op deze schakelaar
drukt, wordt de automatische
vergrendeling uitgeschakeld; het
lampje gaat uit.
Opslaan van een openingshoek
Voor het opslaan van de positie voor het
beperken van de openingshoek bij een
elektrisch bedienbare achterklep:
F
o
pen de achterklep handmatig of door op de
schakelaar te drukken tot de gewenste hoek
is bereikt,
F
h
oud de schakelaar C of de schakelaar B
aan de buitenzijde langer dan 3 seconden
ingedrukt (het opslaan wordt bevestigd door
een kort geluidssignaal).
Activeren van de automatische vergrendeling
van de auto bij het met de handsfree-functie
van de achterklep:
Voor het wissen
van de opgeslagen openingshoek:F open de achterklep tot een willekeurige hoek,
F h
oud de schakelaar C of de schakelaar B
aan de buitenzijde langer dan 3 seconden
ingedrukt (het wissen wordt bevestigd door
een kort geluidssignaal).
De "voetbeweging" moet in de looprichting,
gelijkmatig, niet te snel en verticaal omhoog
worden uitgevoerd. Breng de voet voldoende
omhoog, maar raak de bumper niet aan. Trek
uw voet hierna meteen weer terug.
Toegang tot de auto

56
Zitpositie
Een goede zitpositie tijdens het rijden verbetert
uw comfort en uw veiligheid.
Ook het zicht rondom en de bereikbaarheid van
de bedieningsfuncties zijn erbij gebaat.
Comfortabel zitten
Bepaalde in deze rubriek beschreven
afstelmogelijkheden van de stoelen zijn
afhankelijk van het uitrustingsniveau en het
land van verkoop.
BestuurdersstoelVerstel de stoel uit veiligheidsoverwegingen
uitsluitend als de auto stilstaat.
Zet als uw auto is uitgerust met elektrisch
verstelbare stoelen eerst het contact aan
om de stoelen te kunnen verstellen.
Passagiersstoel
Voordat u gaat rijden
Stel de buitenspiegels en de binnenspiegel af
om de dode hoeken te minimaliseren.
Doe uw veiligheidsgordel om: plaats het
schoudergedeelte van de gordel in het midden
van uw schouder en trek het heupgedeelte
goed aan ter hoogte van uw bekken.
Controleer of alle passagiers hun gordel goed
hebben omgedaan.
Volg deze aanbevelingen voor zover mogelijk op...
Neem plaats op de stoel en zorg er voor dat uw
bekken, uw rug en uw schouders goed tegen de
rugleuning steunen.
De stoelhoogte moet zodanig worden ingesteld
dat het midden van de voorruit zich op ooghoogte
bevindt.Zorg er bij het verstellen van de stoel in
lengterichting voor dat u de pedalen volledig kunt
intrappen zonder uw benen geheel te strekken.
De juiste stand van de hoofdsteun is als de
bovenzijde van de hoofdsteun zich ter hoogte van
de bovenzijde van het hoofd bevindt.
Stel de lengte van de zitting af zodat uw
bovenbenen goed worden ondersteund.
Stel de lendensteun af op de vorm van uw
wervelkolom.
Stel het stuur zodanig af dat uw armen iets
gebogen zijn.
Het stuur mag het instrumentenpaneel niet aan
het zicht onttrekken.
Neem plaats op de stoel en zorg er voor dat uw
bekken, uw rug en uw schouders goed tegen
de rugleuning steunen.
Zorg bij het verstellen van de stoel in
lengterichting voor een afstand van ten minste
25 cm tot het dashboard.
De juiste stand van de hoofdsteun is als de
bovenzijde van de hoofdsteun zich ter hoogte
van de bovenzijde van het hoofd bevindt.
Ergonomie en comfort

66
Luchtverdeling
1.Uitstroomopeningen voor het ontdooien of
ontwasemen van de voorruit.
2. Uitstroomopeningen voor het ontdooien of
ontwasemen van de zijruiten vóór.
3. Afsluitbare en verstelbare buitenste
ventilatieroosters. 4.
Afsluitbare en verstelbare middelste
ventilatieroosters.
5. Uitstroomopeningen voetenruimte
voorpassagiers.
6. Uitstroomopeningen voetenruimte
achterpassagiers.
7. Verstelbare ventilatieroosters.
Praktische informatie
Gebruik van de ventilatie en
airconditioning
F
L
et erop dat voor een gelijkmatige
verdeling van de lucht naar het
interieur de uitstroomopening
onder de voorruit, de verschillende
luchtkanalen, ventilatieroosters en
overige uitstroomopeningen alsmede de
ventilatieopening in de bagageruimte vrij
moeten blijven.
F
D
ek de zonnesensor op het dashboard
niet af; deze wordt gebruikt voor
het regelen van het automatische
airconditioningssysteem.
F
Z
et de airconditioning minstens één tot
twee keer per maand 5 tot 10 minuten
aan om het systeem in per fecte staat te
houden.
F
G
ebruik de airconditioning niet als deze
niet koelt en raadpleeg het PEUGEOT-
netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats.
Bij een zware belasting van de motor (trekken
van een aanhanger op een steile helling
bij een hoge buitentemperatuur) kan de
airconditioning tijdelijk worden uitgeschakeld
voor een optimale trekkracht van de motor.
F Voor de buitenste ventilatieroosters: zet de knop in de middelste stand en beweeg hem
zijwaarts richting het portier.
F
V
oor de middelste ventilatieroosters: zet de
knop in de middelste stand en beweeg hem
zijwaarts naar u toe.
Sluiten van de ventilatieroosters
Ergonomie en comfort

74
Het extra ver warmingssysteem werkt op
brandstof uit de brandstoftank van de auto.
Verzeker u er vóór gebruik voor dat er
voldoende brandstof in de tank zit.
Als de brandstoftank bijna leeg is, kan het
systeem niet worden gebruikt.
De ventilatie wordt alleen geactiveerd als
de laadtoestand van de accu dat toelaat.
De verwarming wordt geactiveerd als:
-
d
e laadtoestand van de accu dat
toelaat,
-
h
et brandstofniveau dat toelaat,
-
d
e motor na het vorige gebruik van de
extra ver warming een keer is gestart.
Zorg er voor dat de extra ver warming
altijd is uitgeschakeld tijdens het bijvullen
van brandstof; kans op brand- en
explosiegevaar! Om het risico van vergiftiging of
verstikking te vermijden, mag de extra
ver warming niet worden gebruikt, ook niet
voor korte perioden, in afgesloten ruimten,
zoals een garage of een werkplaats
zonder een uitlaatgasafvoersysteem.
Parkeer de auto niet op een brandbare
ondergrond (dor gras, dode bladeren,
papier enz.). – Brandgevaar!
Glazen opper vlakken zoals de achterruit
en voorruit kunnen plaatselijk zeer warm
worden.
Plaats nooit voor werpen op deze
oppervlakken; raak deze oppervlakken
nooit aan - Kans op brandwonden!Voorzieningen voorin
1.
Zonneklep
2. Kaarthouder
3. Dashboardkastje met verlichting
4. Portier vakken
Ergonomie en comfort

75
5.USB-aansluiting(en)/12V-aansluiting vóór (120 W)
Opbergruimte of draadloze smartphone-oplader
6. Bekerhouders
7. Armsteun vóór met opbergruimte
8. USB-aansluiting(en) of 12V-aansluiting achter
(120 W )
Zonneklep
F Open als het contact aan is het klepje.
De verlichting van de make-upspiegel gaat
automatisch branden.
De zonneklep bevat tevens een mogelijkheid
voor het opbergen van pasjes.
Dashboardkastje
F Trek de handgreep omhoog om het dashboardkastje te openen.
De verlichting van het dashboardkastje treedt
in werking zodra het wordt geopend.
Het bevat ook een afsluitbare ventilatieopening.
Via deze opening wordt dezelfde gekoelde
lucht als die voor het interieur aangevoerd.
Rijd nooit met een geopend dashboardkastje
als er iemand op de voorpassagiersstoel zit
– bij een noodstop of een aanrijding kan dit
leiden tot ernstig letsel!
Aansteker/12V-
aansluiting(en)
F Druk, wanneer u de aansteker wilt gebruiken, deze in en wacht enkele seconden tot de
aansteker uit zichzelf naar buiten springt.
F
V
erwijder, wanneer u een 12V-accessoire
(maximaal vermogen: 120 W) wilt aansluiten, de
aansteker en sluit een geschikte adapter aan.
U kunt bijvoorbeeld een telefoonlader of een
flessenwarmer op deze aansluiting aansluiten.
Plaats na het gebruik de aansteker direct terug.
Het aansluiten van elektrische apparatuur
die niet door PEUGEOT is goedgekeurd,
zoals een lader met USB-aansluitingen,
kan leiden tot storingen in de werking
van de elektrische componenten van de
auto, zoals een slechte radio-ontvangst of
storingen in de weergave van de displays.
USB-aansluiting(en)
De middenconsole kan, afhankelijk van het type
versnellingsbak, zijn voorzien van één of twee
USB-aansluitingen.
Op de USB-aansluiting kunt u draagbare
apparatuur, zoals een digitale audiospeler (iPod
®)
of een USB-stick aansluiten.
3
Ergonomie en comfort

79
Aanraakgevoelige plafonniers
1.Aanraakgevoelige plafonnier vóór
2. Aanraakgevoelige kaartleeslampjes vóór
3. Aanraakgevoelige kaartleeslampjes
achter
Aanraakgevoelige plafonnier
voor
De plafonnier gaat geleidelijk aan:
-
a ls de auto wordt ontgrendeld,
-
a
ls het contact wordt afgezet,
-
a
ls er een portier geopend wordt,
-
a
ls op de vergrendelingsknop van de
afstandsbediening wordt gedrukt om de
auto te lokaliseren.
De aanraakgevoelige kaartleeslampjes vóór en
achter gaan ook aan. De plafonnier gaat uit:
-
a
ls de auto wordt vergrendeld,
-
a
ls het contact wordt aangezet,
-
3
0 seconden na het sluiten van het laatste
portier.
De aanraakgevoelige kaartleeslampjes vóór en
achter gaan ook uit.
Druk lang met uw vinger op de plafonnier
om deze volledig uit te schakelen. Nadat u
uw vinger van de plafonnier neemt, is de
uitschakeling voltooid en wordt het symbool
" OFF " weergegeven.
Aanraakgevoelige
kaartleeslampjes
F Druk bij aangezet contact op het
betreffende kaartleeslampje.
Sfeerverlichting interieur
De gedempte interieurverlichting verbetert het
zicht in de auto als deze zich in een donkere
omgeving bevindt.
Als het buiten donker is, gaat de
sfeerverlichting automatisch branden als de
parkeerlichten worden ingeschakeld.
Afhankelijk van de uitvoering bestaat de
sfeerverlichting uit:
-
t
wee LED's in de plafonnier vóór,
-
e
en lichtbron in het opbergvak aan de
voorzijde van de middenconsole,
-
l
ichtgeleiders in de voorportierpanelen en
op de zijkanten van het dashboard, De sfeer verlichting gaat automatisch uit als de
parkeerlichten worden uitgeschakeld.
De sfeer verlichting van het
interieur kan worden geactiveerd of
gedeactiveerd, de helderheid kan
worden afgesteld en de kleur kan
worden geselecteerd (afhankelijk van
de uitvoering) in het menu Rijden/
Auto van het touchscreen.
De sfeer verlichting van het interieur
wordt ook aangestuurd door de
functie i-Cockpit
® Amplify .
Raadpleeg de desbetreffende rubriek
voor meer informatie over de functie
i-Cockpit
® Amplify .
-
l
ichtgeleiders op de zijkanten van de
middenconsole bij uitvoeringen met een
automatische transmissie,
-
v
erlichte ringen om de bekerhouders vóór,
3
Ergonomie en comfort

95
De ruitensproeiers zijn in de uiteinden van elke
ruitenwisserarm geïntegreerd.
Er zijn extra sproeiers onder het centrale punt
van elke ruitenwisserarm aangebracht.
De ruitensproeier vloeistof wordt over de
gehele lengte van het ruitenwisserblad op de
voorruit gesproeid. Dit zorgt voor beter zicht en
een lager verbruik van ruitensproeiervloeistof.
In sommige gevallen, afhankelijk van de
samenstelling of kleur van de vloeistof en het
omgevingslicht is het sproeien van de vloeistof
nauwelijks merkbaar.
Bedien de ruitensproeiers niet als het
reservoir van de ruitensproeiervloeistof
leeg is; kans op beschadiging van
de ruitenwisserbladen. Bedien de
ruitensproeiers alleen als er geen risico
is van bevriezing van de vloeistof op de
voorruit; hierdoor zou het zicht namelijk
kunnen afnemen. Gebruik 's winters altijd
producten die voldoende tegen vorst
beschermd zijn. Vul nooit bij met water.
Ruitenwisser achter (SW)
Draai voor selectie van de ruitenwisser achter
de ring tot het gewenste symbool tegenover de
markering staat.Uit.
Interval.
Sproeien en wissen.
Ruitensproeier achter
Wanneer de ruitensproeiers stoppen, wissen
de ruitenwissers nog één keer.
F
D
raai de ring in de richting van het
dashboard.
De ruitensproeiers en ruitenwissers werken
zolang de ring wordt gedraaid.
Wanneer de ruitensproeiers stoppen, wissen
de ruitenwissers nog één keer.
Achteruitversnelling
Als de ruitenwissers vóór zijn geactiveerd op het
moment dat u de achteruitversnelling inschakelt,
treedt ook de ruitenwisser achter in werking. Deze functie kan geactiveerd of
gedeactiveerd worden via het menu
Rijden/Auto
van het touchscreen.
Deze functie is standaard geactiveerd.
Schakel de automatische werking van de
ruitenwisser achter uit bij sneeuwval, strenge
vorst of als een fietsendrager op de trekhaak
is bevestigd. Dit kan worden uitgevoerd via
het menu Rijden/Auto van het touchscreen.
Speciale stand van de
ruitenwissers vóór
In deze stand kunnen de ruitenwisserbladen
worden gereinigd of ver vangen. De stand kan
tevens 's winters (ijs, sneeuw) worden gebruikt
om de ruitenwisserbladen los te zetten van de
voorruit.
Om een goede werking van de
ruitenwisserbladen te behouden adviseren
wij u:
-
e
r voorzichtig mee om te gaan,
-
z
e regelmatig te reinigen met zeepsop,
-
z
e niet te gebruiken om een stuk
karton tegen de voorruit te houden,
-
z
e te ver vangen zodra ze tekenen van
slijtage vertonen.
4
Verlichting en zicht

99
Automatisch inschakelen
van de alarmknipperlichten
Bij een noodstop schakelen de alarmknipperlichten,
afhankelijk van de remvertraging die optreedt,
automatisch in. De alarmknipperlichten blijven
knipperen totdat er opnieuw gas wordt gegeven.
U kunt de alarmknipperlichten echter ook
uitschakelen door de knop op het dashboard in te
drukken.
Claxon
F Druk op het middelste gedeelte van het stuur met bedieningstoetsen.
Noodoproep of
pechhulpoproep
Peugeot Connect SOS** Afhankelijk van de geografische dekking van de functie "Peugeot Connect SOS" en de functie
"Peugeot Connect Assistance" en van de officiële
landstaal die door de eigenaar van de auto is
gekozen.
De lijst van de landen waar het systeem werkzaam
i
s en de lijst van beschikbare PEUGEOT
CONNECT-diensten kunt u bij uw verkooppunt
opvragen of op de website voor uw land bekijken.
Druk in geval van nood langer
dan 2 seconden op deze toets.
Het knipperen van de LED
en het
gesproken bericht
bevestigen dat de oproep is
verstuurd naar
de alarmcentrale
"Peugeot
Connect SOS"*.
Door nogmaals op deze knop te drukken wordt
de oproep geannuleerd en gaat de LED uit.
De LED blijft branden (zonder te knipperen)
wanneer de verbinding tot stand is gebracht.
Aan het einde van het gesprek gaat het lampje uit.
* In overeenstemming met de algemene gebruiksvoor waarden, die u bij uw
verkooppunt kunt opvragen, en de
technische beperkingen van het systeem
"Peugeot Connect SOS" lokaliseert onmiddellijk
uw auto, spreekt u toe in uw landstaal** en
roept indien nodig de hulp in van de bevoegde
hulpdiensten**. In landen waar de alarmcentrale
niet operationeel is of wanneer de lokalisatie
uitdrukkelijk is geweigerd, wordt de oproep Als onafhankelijk van de activering van
de airbags een aanrijding is gedetecteerd
door de airbagregeleenheid, wordt
automatisch een noodoproep verzonden.
Werking van het systeem
Bij het aanzetten van het contact gaat het lampje
3 seconden branden. Dit duidt op een goede
werking van het systeem.
Het lampje blijft rood branden: er is een storing
in het systeem.
Het lampje knippert rood: de noodbatterij moet
worden vervangen.
In beide gevallen is het mogelijk dat de
noodoproep of pechhulpoproep niet meer werkt.
Neem zo snel mogelijk contact op met een
gekwalificeerde werkplaats. meteen doorgestuurd naar de hulpdiensten
(112), zonder lokalisatie van de auto.
5
Veiligheid