
107
Kinderslot
Beide achterportieren zijn voorzien van een
mechanisch systeem om het openen van
binnenuit te verhinderen.
De knop bevindt zich in de achterrand van
beide achterportieren en het kinderslot werkt
op elk portier afzonderlijk.
Vergrendelen
Ontgrendelen
F Draai de knop met de geïntegreerde sleutel tot de aanslag:
-
n
aar rechts bij het linker achterportier,
-
n
aar links het rechter achterportier.
F
D
raai de knop met de geïntegreerde sleutel
tot de aanslag:
-
n
aar links bij het linker achterportier,
-
n
aar rechts bij het rechter achterportier.
Veiligheidsvoorschriften
Bij een onjuist geplaatst kinderzitje is
de bescherming van het kind bij een
aanrijding niet meer gewaarborgd.
Controleer of er geen veiligheidsgordel of
gesp van de veiligheidsgordel onder het
kinderzitje zit; dat zou de stabiliteit van het
zitje in gevaar kunnen brengen.
Zorg ervoor dat de veiligheidsgordels
of het tuigje van het kinderzitje, zelfs bij
korte ritten, worden vastgemaakt waarbij
de speling ten opzichte van het lichaam
van het kind zoveel mogelijk moet worden
beperkt.
Zorg er bij het bevestigen van het
kinderzitje met de veiligheidsgordel voor
dat de veiligheidsgordel correct tegen het
kinderzitje is gespannen en dat de gordel
het kinderzitje stevig op zijn plaats houdt.
Schuif de passagiersstoel, wanneer deze
versteld kan worden, indien nodig naar
voren.
Verwijder de hoofdsteun alvorens
een kinderzitje met een rugleuning te
plaatsen op een passagiersstoel.
Berg de hoofdsteun zorgvuldig op om te
voorkomen dat de hoofdsteun door de
auto vliegt bij krachtig afremmen. Plaats
de hoofdsteun terug zodra het kinderzitje
is verwijderd.
Kinderzitje achterin
Laat bij de achterzitplaatsen altijd voldoende
ruimte tussen de voorstoel en:
-
e
en kinderzitje dat met de rug in de
rijrichting wordt geplaatst,
-
d
e voeten van het kind wanneer het
kinderzitje in de rijrichting wordt geplaatst.
Schuif daartoe de voorstoel naar voren en zet
de rugleuning er van, indien nodig, rechter op.
Voor een optimale bevestiging van het
kinderzitje met "het gezicht in de rijrichting"
is het noodzakelijk dat de afstand tussen
de rugleuning van het kinderzitje en de
rugleuning van de stoel van de auto zo klein
mogelijk is.
Kinderen voorin
De regelgeving met betrekking tot
het ver voer van kinderen op de
voorpassagiersstoel verschilt per land.
Houd u aan de regels die gelden in het
land waar u zich bevindt.
Schakel de airbag vóór aan
passagierszijde uit zodra een kinderzitje
met de rug in de rijrichting op de
voorpassagiersstoelen wordt geplaatst.
Anders kan een kind bij het afgaan van de
airbag levensgevaarlijk gewond raken.
5
Veiligheid

112
Bij het afzetten van de motor is de
rembekrachtiging niet meer actief.
Hang geen zware voor werpen aan de
sleutel of de afstandsbediening: dit kan
namelijk storingen met het contactslot
veroorzaken.
Sleutel vergeten
Als de sleutel onbedoeld in stand 2
(Contact aan) van het contactslot
blijft staan, zal het contact na een uur
automatisch worden afgezet.
Draai de sleutel in stand 1 (Stop) en
ver volgens opnieuw in stand 2 (Contact
aan) om het contact weer aan te zetten.
Starten – afzetten van de
motor met "Keyless entry
and start"
Starten
Het stuurslot wordt ontgrendeld en de motor
start vrijwel direct.
(Lees de waarschuwing voor de
dieseluitvoeringen).
Bij temperaturen onder het
vriespunt wordt bij auto's met
een dieselmotor de motor pas
na het doven van het lampje
"Voorgloeien" gestart.
Als dit lampje gaat branden nadat
u op de knop "START/STOP"
hebt gedrukt, moet u het rem- of
het koppelingspedaal ingetrapt
houden tot het lampje dooft.
Druk niet nogmaals op de knop
"START/STOP" voordat de motor
draait. De elektronische sleutel van het "Keyless
entry and start"-systeem moet zich in
de detectiezone bevinden. Verlaat om
veiligheidsredenen deze zone niet als de
motor draait.
Als de elektronische sleutel niet binnen
de zone wordt gedetecteerd, wordt een
melding weergegeven. Om de motor te
kunnen starten, moet u er voor zorgen dat
de elektronische sleutel zich binnen de
zone bevindt.
Als aan een van de voor waarden voor
het starten niet wordt voldaan, wordt
hier van een melding op het display van
het instrumentenpaneel weergegeven. In
sommige gevallen moet het stuur wiel heen
en weer worden bewogen ter wijl de knop
"START/STOP" wordt ingedrukt om de
stuurkolom te ontgrendelen; u wordt hier van
via een melding op de hoogte gebracht.
Bij benzinemotoren
kan, na een
koude start, het voor ver warmen van
de katalysator 2
minuten lang duidelijk
voelbare motortrillingen veroorzaken
wanneer de motor stationair draait (bij
verhoogd stationair toerental).
F Zorg er voor dat de elektronische sleutel zich in het interieur van de auto, binnen de
detectiezone, bevindt.
F
A
ls uw auto is uitgerust met een
handgeschakelde versnellingsbak, zet dan
de versnellingshendel in de neutraalstand en
trap vervolgens het koppelingspedaal volledig
in.
F
A
ls uw auto is uitgerust met een automatische
transmissie, selecteer dan stand P of N en
trap ver volgens het rempedaal volledig in.
F
D
ruk op de knop " START/STOP".
Rijden

121
Programma's Sport en
Sneeuw
Deze twee specifieke programma's vullen de
automatische werking aan onder bijzondere
rijomstandigheden.
"Sport"
F Druk op de toets "SPORT" als
de motor is gestart.
De letter " S" wordt weergegeven op
het instrumentenpaneel.
Het schakelprogramma maakt dan automatisch
een dynamische rijstijl mogelijk.
Bij de uitvoeringen met Driver Sport Pack is de
toets " S" ver vangen door de toets " SPORT".
"Sneeuw"
F Druk op deze toets als de motor
is gestart.
" T " wordt weergegeven op het
instrumentenpaneel.
De transmissie past zich aan voor het rijden op
gladde wegen.
Het schakelprogramma zorgt er voor dat
u gemakkelijker kunt (weg)rijden op een
ondergrond met weinig grip.
Driver Sport Pack
Deze functie maakt een dynamische rijstijl
mogelijk. F
D
ruk op de toets "
SPORT" als
de motor is gestart.
De letter " S" wordt weergegeven op
het instrumentenpaneel.
Raadpleeg de desbetreffende rubriek voor
meer informatie over het Driver Spor t Pack .
Terugkeren naar het
automatische programma
F Om terug te keren naar de auto-adaptieve
stand kunt u het programma op elk gewenst
moment uitschakelen door opnieuw op de
desbetreffende toets ( S of "T") te drukken.
Handbediening
Als u langere tijd stilstaat met draaiende
motor (file enz.), kunt u, om brandstof te
besparen, de selectiehendel in stand N
zetten en de parkeerrem aantrekken.
F
Sel
ecteer stand M om sequentieel te
schakelen tussen de zes versnellingen.
F
B
eweeg de selectiehendel kort naar de +
om één versnelling op te schakelen.
F
B
eweeg de selectiehendel kort naar de –
om één versnelling terug te schakelen. D verdwijnt en op het
instrumentenpaneel worden de
achtereenvolgend ingeschakelde
versnellingen weergegeven.
Als het motortoerental te laag of te hoog is,
knippert de geselecteerde versnelling enkele
seconden en vervolgens wordt de werkelijk
ingeschakelde versnelling weergegeven.
Er kan elk moment van stand D (automatisch
schakelen) naar stand M (handmatig
schakelen) worden geschakeld.
Als de auto tot stilstand komt of langzaam rijdt,
kiest de transmissie automatisch stand M1 .
De programma's Sport en Sneeuw werken niet
in de handbediende stand.
Ongeldige waarde bij handmatig
schakelen
Dit symbool verschijnt als een
versnelling niet goed is ingeschakeld
(de selectiehendel bevindt zich
tussen twee standen in).
Stilzetten van de auto
Voordat u de motor afzet, kunt u de
selectiehendel in stand P of N zetten om de
neutraalstand te selecteren. Het schakelen naar een andere versnelling kan
alleen als de rijsnelheid en het motortoerental
dit toestaan anders wordt er tijdelijk
overgegaan op de automatische modus.
6
Rijden

133
Stuurkolomschakelaars
1.Selecteren van de snelheidsbegrenzer/
snelheidsregelaar.
2. Opslaan van de ingestelde snelheid.
Weergave op het instrumentenpaneel
3.Weergave van de snelheidslimiet.
4. Biedt aan om de snelheid op te slaan.
5. Huidige snelheidsinstelling.
Opslaan van de snelheid
Bij de detectie van een verkeersbord met een
andere snelheid, geeft het systeem de waarde
aan en MEM knippert een paar seconden om
de nieuwe ingestelde snelheid op te slaan.
Bij een verschil van minder dan 10 km/h
t ussen de ingestelde snelheid en de door het
verkeersbordherkenningssysteem weergegeven
snelheid wordt het symbool MEM niet
weergegeven.
F Druk toets 2 eenmaal in om de
voorgestelde snelheid te kunnen opslaan.
Er wordt een melding weergegeven om het
verzoek te bevestigen.
F
S
chakel de snelheidsbegrenzer/
snelheidsregelaar in.
De informatie over de snelheidsbegrenzer/
snelheidsregelaar wordt weergegeven. F
D
ruk toets 2 toets nogmaals in om deze
nieuwe ingestelde snelheid te bevestigen en
op te slaan.
Het display keert na enige tijd terug naar de
vorige weergave.
Snelheidsbegrenzer
Dit systeem voorkomt dat de auto
de door de bestuurder ingestelde
snelheid overschrijdt.
De snelheidsbegrenzer moet handmatig
worden ingeschakeld .
De ingestelde snelheid moet minimaal 30
km/h
bedragen.
De ingestelde snelheidswaarde blijft na het
afzetten van het contact opgeslagen in het
geheugen.
De snelheidsbegrenzer is niet meer dan
een hulpmiddel, hetgeen inhoudt dat
de snelheidslimiet altijd gerespecteerd
moet worden en dat de bestuurder altijd
waakzaam moet blijven.
Stuurkolomschakelaars
6
Rijden

139
Raadpleeg de desbetreffende rubriek voor
meer informatie over het
verkeersbordherkenningssysteem.
Weergave op het instrumentenpaneel
10.Auto stilgehouden (met automatische
transmissie EAT8).
11. Snelheid voorgesteld door het verkeersbor
dherkenningssysteem.
Bij detectie van een voorligger wordt symbool 7
gevuld met de kleur die hoort bij de status van
de snelheidsregeling. Standaard is symbool 7
leeg.
Als de snelheidsregeling in werking is,
worden symbolen 7 en 8 groen weergegeven.
Standaard worden deze symbolen grijs
weergegeven.
2.De actuele rijsnelheid instellen als de aan te
houden snelheid/verlagen van de ingestelde
rijsnelheid.
3.De actuele rijsnelheid instellen als de aan te
houden snelheid/verhogen van de ingestelde
rijsnelheid.
4.Onderbreken/hervatten van de snelheidsregeling.
5.Gebruiken van de door het verkeersbordherkennin
gssysteem weergegeven snelheid.
6.Weergeven en instellen van de opgeslagen
afstand tot de voorligger.
7.
Voorligger aanwezig/afwezig.
8. Snelheidsregeling ingeschakeld/
uitgeschakeld.
9. Ingestelde snelheid. 12 .
Instelling afstand tot voorligger.
13. Door de radar gedetecteerde positie van
het voertuig.
Inschakelen
Inschakelen van de snelheidsregelaar
F
Z et, bij een draaiende motor, knop 1 in
de stand " CRUISE". De werking van het
systeem wordt onderbroken (weergegeven
in grijs).
Met een automatische transmissie
Stand D of M moet zijn geselecteerd.
De snelheid van de auto moet liggen tussen 30
en 180
km/h: De instellingen opslaan
Door het contact af te zetten wordt de
ingestelde snelheidswaarde van de bestuurder
geannuleerd.
De afstand tot de voorligger is standaard
ingesteld op "
Normaal" (2 streepjes). Zo niet,
dan wordt de laatst ingestelde waarde gebruikt
bij het inschakelen van de functie.
Onderbreken
De werking van de adaptieve snelheidsregelaar
kan worden onderbroken :
-
d
oor bediening door de bestuurder:
•
V
an toets 4 (Pause).
•
V
an het rempedaal.
•
V
an de hendel van de elektrische
parkeerrem.
•
V
an het koppelingspedaal, langer dan
5
seconden ingetrapt houden.
•
W
anneer bij een automatische
transmissie vanuit stand D stand N wordt
geselecteerd.
-
of
automatisch:
•
D
oor activering van het ESP, om
veiligheidsredenen.
•
W
anneer de snelheid van de auto lager
wordt dan 30
km/h (1100 t /min), bij een
handgeschakelde versnellingsbak.
F
D
ruk tijdens het rijden op een van de
toetsen 2 of 3 : de actuele snelheid van uw
auto wordt de ingestelde snelheid.
6
Rijden

142
Waarschuwings- resp.
verklikkerlampjeWeergaveBijbehorende meldingAanwijzingen
(grijs) "Snelheidsregelaar gepauzeerd"
Systeem gepauzeerd.
Geen voertuig gedetecteerd.
(grijs) "Snelheidsregelaar gepauzeerd"
Systeem gepauzeerd.
Er wordt een voertuig gedetecteerd.
(g r o e n) afhankelijk van de geselecteerde
afstand tot de voorligger "Snelheidsregelaar actief"
Systeem geactiveerd.
Geen voertuig gedetecteerd.
(g r o e n) afhankelijk van de geselecteerde
afstand tot de voorligger "Snelheidsregelaar actief"
Systeem geactiveerd.
Er wordt een voertuig gedetecteerd.
of
(g r o e n) "Snelheidsregelaar onderbroken"
Systeem geactiveerd.
De bestuurder heeft tijdelijk de controle over de auto
overgenomen door het gaspedaal in te trappen.
Rijden

143
70
70
Waarschuwings- resp.
verklikkerlampjeWeergaveBijbehorende meldingAanwijzingen
(g r o e n) +
(o r a n j e) "Neem de controle over"
De bestuurder moet de controle over de auto
overnemen door gas te geven of te remmen,
afhankelijk van de situatie.
(g r o e n) +
(rood) "Neem de controle over"
Het systeem kan niet voldoende ingrijpen bij een
kritische situatie (noodstop van de voorligger,
plotseling invoegen van een ander voertuig tussen uw
auto en uw voorligger).
De bestuurder moet onmiddellijk de controle over
de auto overnemen.
of
(grijs) (o r a n j e)
"Inschakelen geweigerd,
omstandigheden ongeschikt"
Het systeem weigert de snelheidsregelaar in te
schakelen (snelheid buiten het werkingsbereik,
bochtige weg).
Met de EAT8-transmissie en met de BlueHDi 150 S&S EAT6- motor
Waarschuwings- resp.
verklikkerlampjeWeergave Bijbehorende meldingAanwijzingen
of
(grijs)/(groen) afhankelijk van de geselecteerde
en de werkelijke afstand tot de voorligger "Snelheidsregelaar gepauzeerd"
(gedurende enkele seconden)
Het systeem heeft de auto remmend tot stilstand
gebracht en houdt de auto op zijn plaats.
De bestuurder moet het gaspedaal intrappen om
weer weg te rijden.
De snelheidsregelaar blijft gepauzeerd tot de
bestuurder deze weer inschakelt.
6
Rijden

146
Active Safety
Brake met Distance
Alert en intelligente
noodremassistentie
Het systeem:
- w aarschuwt de bestuurder wanneer er een
risico bestaat op een aanrijding met een
voorligger,
-
v
oorkomt een aanrijding, of beperkt de
zwaarte hier van, door de snelheid van de
auto te verminderen.
Dit rijhulpsysteem heeft drie functies:
-
D
istance Alert (waarschuwing bij een
dreigende aanrijding),
-
I
ntelligente noodremassistentie (AFUi),
-
A
ctive Safety Brake (automatisch
noodremsysteem). De auto is voorzien van een camera boven aan
de voorruit en een radar in de voorbumper.
Dit systeem is ontwikkeld om de
bestuurder te ondersteunen en de
veiligheid te verbeteren.
De bestuurder moet zelf altijd het verkeer
in de gaten blijven houden en zich aan de
verkeersregels houden.
Ondanks de aanwezigheid van dit systeem
moet de bestuurder waakzaam blijven.
Zodra het systeem een mogelijk obstakel
detecteert, wordt het remcircuit voorbereid
op een automatische remactie. Er kan dan
een zwak geluid hoorbaar zijn en mogelijk
lijkt de auto wat af te remmen.
Uitschakelen/inschakelen
Standaard wordt het systeem automatisch
ingeschakeld als de motor wordt gestart. Het uitschakelen van het systeem
wordt gesignaleerd door het branden
van dit lampje, in combinatie met de
weergave van een melding.
Werkingsvoorwaarden en
-beperkingen
Het ESP-systeem mag niet defect zijn.
Het DSC-systeem mag niet uitgeschakeld zijn. Het systeem werkt in de volgende situaties
mogelijk minder goed of helemaal niet:
-
s
lecht zicht (slecht verlichte weg,
sneeuwval, zware regenval, dichte mist
e n z .),
-
v
erblinding (koplampen van
tegenliggers, laagstaande zon,
reflecties op nat wegdek, uitrijden van
een tunnel, snelle overgangen tussen
schaduw en licht enz.),
-
d
e camera of de radar is bedekt met
modder, ijs, sneeuw, condensatie, enz.
Bij uitvoeringen met alleen een camera,
geeft dit bericht aan dat de camera
is afgedekt: " Rijhulpcamera: zicht
beperkt, zie instructieboekje ".
Onder deze omstandigheden werkt het
detectiesysteem mogelijk minder goed.
Alle passagiersgordels moeten zijn
vastgemaakt.
De auto moet met een gestabiliseerde snelheid
op een weinig bochtige weg rijden.
Rijden