
47
F Duw op de knop 1 om de rugleuning 2 te ontgrendelen.
F
K
lap de rugleuning 2 op de zitting 3 .
Om de inhoud van de bagageruimte te
vergroten kunt u uitsluitend de rugleuningen
van de achterbank neerklappen. De zitting
van de achterbank kan niet worden opgeklapt.
Rechtop zetten van de rugleuning
F Controleer of de rode markering bij de knop
1 niet meer zichtbaar is.
F
M
aak de buitenste veiligheidsgordel los en
plaats deze naast de rugleuning.
F Zet de rugleuning 2 rechtop en vergrendel deze.
Let erop dat bij het terugplaatsen van
de rugleuning van de achterbank de
veiligheidsgordels niet klem komen te zitten.
Hoofdsteunen
De hoofdsteunen hebben een gebruiksstand
(hoog) en een ingeklapte stand (laag).
De hoofdsteunen kunnen worden verwijderd en
onderling worden uitgewisseld.
Verwijderen van een hoofdsteun:
F
t
rek de hoofdsteun omhoog tot aan de
aanslag,
F
d
ruk ver volgens de pal A in.
Ga nooit rijden zonder hoofdsteunen; deze
moeten zijn aangebracht en correct zijn
afgesteld.
Ventilatie
Luchttoevoer
De lucht in het interieur, die overigens wordt
gefilterd, wordt van buitenaf toegevoerd via het
luchtrooster onder de voorruit, of is lucht die in
het interieur wordt gerecirculeerd.
Luchtgeleiding
De lucht kan afhankelijk van de instellingen van
de bestuurder via verschillende circuits worden
toegevoerd:
-
r
echtstreekse toevoer naar het interieur
(toevoer van buitenlucht),
-
t
oevoer via het verwarmingscircuit,
-
t
oevoer via het circuit van de
airconditioning.
Bedieningspaneel
Het systeem wordt bediend via het
bedieningspaneel A van de middenconsole.
3
Ergonomie en comfort

48
Luchtverdeling
1.Uitstroomopeningen voorruitontwaseming.
2. Uitstroomopeningen voor het ontdooien of
ontwasemen van de zijruiten vóór.
3. Verstelbare en afsluitbare
zijventilatieroosters.
4. Verstelbare en afsluitbare middelste
ventilatieroosters.
5. Uitstroomopeningen beenruimte
inzittenden vóór.
6. Uitstroomopeningen beenruimte
achterpassagiers.
Praktische informatie
Ventilatie- en airconditioningssysteem
gebruiken
F
L
et erop dat voor een gelijkmatige
verdeling van de lucht naar het
interieur de uitstroomopening onder de
voorruit, de verschillende luchtkanalen,
ventilatieroosters en overige
uitstroomopeningen alsmede de
ventilatieopening in de bagageruimte
vrij blijven.
F
D
ek de zonnesensor op het dashboard
niet af; deze wordt gebruikt voor
het regelen van het automatische
airconditioningssysteem.
F
Z
et de airconditioning minstens één tot
twee keer per maand 5 tot 10 minuten
aan om het systeem in per fecte staat
te houden.
F
G
ebruik de airconditioning niet
als deze niet koelt en raadpleeg
het PEUGEOT-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats.
Bij een zware belasting van de motor
(trekken van een aanhanger op een steile
helling bij een hoge buitentemperatuur)
kan de airconditioning tijdelijk worden
uitgeschakeld voor een optimale
trekkracht van de motor. Als de auto lange tijd in de zon heeft
gestaan en de temperatuur in het
interieur hoog is opgelopen, zet dan de
ruiten enige tijd open.
Zorg er voor dat de regeling van de
luchtopbrengst voldoende hoog is
ingesteld, zodat de lucht in het interieur
goed ver verst wordt.
Condensvorming door de airconditioning
kan ertoe leiden dat zich een klein plasje
water onder de auto vormt. Dit is een
normaal verschijnsel.
Ventilatie- en airconditioningssysteem
onderhouden
F
C
ontroleer regelmatig de staat van het
interieurfilter en laat de filterelementen
periodiek vervangen.
Wij raden u een gecombineerd
interieur filter aan. Dankzij het
toegevoegde speciale actieve middel
draagt het bij tot een gezuiverde lucht voor
de inzittenden en een schoon interieur
(vermindering van allergische reacties,
onaangename geuren en vetaanslag).
F
L
aat om de per fecte werking van de
airconditioning te garanderen het
systeem regelmatig controleren zoals
voorgeschreven in het garantie- en
onderhoudsboekje.
Ergonomie en comfort

134
Brandstofadditiefniveau
(dieseluitvoering met
roetfilter)
Het minimumniveau van het
additief wordt aangegeven door het
permanent branden van dit lampje in
combinatie met een geluidssignaal
en een melding met betrekking tot
een te laag additiefniveau van het
r o e t f i l t e r.
Bijvullen
Het reser voir moet snel worden bijgevuld
door het PEUGEOT-netwerk of door een
gekwalificeerde werkplaats.
AdBlue
Er verschijnt een waarschuwing zodra het
reserveniveau is bereikt.
Als er geen AdBlue meer aanwezig is in het
reser voir, kan de motor om wettelijke redenen niet
meer gestart worden. Vul om dit te voorkomen het
niveau daarom zo snel mogelijk bij.
Raadpleeg de desbetreffende rubriek voor
meer informatie over AdBlue (BlueHDi-
motoren), in het bijzonder met betrekking tot
het bijvullen.
's Winters (bij temperaturen beneden het
vriespunt) moet voor de omstandigheden
geschikte ruitensproeiervloeistof met antivries
worden gebruikt om de onderdelen van het
systeem (pomp, reser voir, leidingen enz.) te
beschermen.
Vul het reser voir nooit bij met kraanwater (kans
op bevriezing, kalkafzetting enz.).
Controles
Controleer, tenzij anders aangegeven,
deze componenten overeenkomstig de
onderhoudsschema van de fabrikant en
overeenkomstig uw motor.
Laat de controles eventueel uitvoeren door
het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats.
12V-accu
De accu is onderhoudsvrij.
Niettemin is het raadzaam om regelmatig
te controleren of de accupoolklemmen
goed vastzitten (bij uitvoeringen zonder
snelsluiting voor de accupoolklemmen)
en of de aansluitingen schoon zijn.
Raadpleeg voordat u werkzaamheden
uitvoert aan de 12V-accu
de desbetreffende
rubriek voor meer informatie en de te nemen
voorzorgsmaatregelen.
Uitvoeringen met het Stop & Start-
systeem zijn voorzien van een speciale
12V- loodac c u.
Deze accu mag uitsluitend worden
vervangen door het PEUGEOT-netwerk of
door een gekwalificeerde werkplaats.
Luchtfilter
Als de omgeving (veel stof...) en
het gebruik (veel stadsverkeer...)
daartoe aanleiding geven, moeten
het twee keer zo vaak worden
vervangen .
Interieurfilter
Als de omgeving (veel stof...) en
het gebruik (veel stadsverkeer...)
daartoe aanleiding geven, moeten
het twee keer zo vaak worden
vervangen.
Een verstopt interieur filter kan de
prestaties van de airconditioning verstoren
en onaangename geuren veroorzaken.
Oliefilter
Laat bij het olie ver versen tevens het
oliefilter vervangen.
Roetfilter (diesel)
Als het roetfilter verzadigd begint te
raken, wordt u hierop geattendeerd
door het blijven branden van dit
lampje in combinatie met een
waarschuwingsmelding.
Praktische informatie

135
Ga om het roetfilter te regenereren, zodra
de omstandigheden het toelaten, met een
snelheid van minimaal 60 km/h rijden tot
het lampje dooft.
Als het lampje blijft branden, is het
minimale dieseladditiefniveau bereikt.
Raadpleeg de desbetreffende rubriek
voor meer informatie over de controleren
van niveaus, in het bijzonder van het
additiefniveau.
Bij een nieuwe auto kunt u de eerste paar
keer dat het roetfilter geregenereerd wordt
een brandlucht ruiken; dit is volkomen
normaal.
Als langdurig met zeer lage snelheid wordt
gereden of de motor langdurig stationair
draait, kan bij gasgeven soms waterdamp
uit de uitlaat komen. Dit heeft geen invloed
op de prestaties en heeft geen gevolgen
voor het milieu.
Handgeschakelde
versnellingsbak
De versnellingsbak is onderhoudsvrij
(olie verversen niet noodzakelijk).
Elektronisch gestuurde versnellingsbak
De elektronisch gestuurde
versnellingsbak is onderhoudsvrij
(olie verversen niet noodzakelijk).
Automatische transmissie
De transmissie is onderhoudsvrij
(olie verversen niet noodzakelijk).
Remblokken
De slijtage van de remblokken is
sterk afhankelijk van de rijstijl, vooral
bij stadsverkeer en veel korte ritten.
Hierdoor kan het noodzakelijk blijken
om de remblokken vaker, tussen
twee onderhoudscontroles door, te
laten controleren.
Als het remsysteem vrij is van lekkages, duidt
een te laag remvloeistofniveau erop dat de
remblokken versleten zijn.
Slijtage remschijven/
remtrommels
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk
of een gekwalificeerde werkplaats
voor informatie over het controleren
van de slijtage van de remschijven/
remtrommels.
Parkeerrem
Als de parkeerrem een te grote
slag heeft of als het systeem
minder goed werkt, moet de
parkeerrem, zelfs tussen twee
onderhoudsbeurten door, worden
afgesteld.
Laat het systeem controleren door het
PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats.
Velgen en banden
De bandenspanning moet
minstens eens per maand en
voorafgaand aan een lange rit bij
alle banden (wanneer ze koud zijn)
gecontroleerd worden.
De op de sticker aangegeven
bandenspanningen gelden voor koude
banden. Als u meer langer dan 10 minuten of
meer dan 10 kilometer hebt gereden met een
snelheid van meer dan 50 km/u, moet u de
bandenspanning 0,3 bar (30 kPa) verhogen
ten opzichte van de op de sticker aangegeven
waarden.
Een te lage bandenspanning leidt ook tot
een hoger brandstofverbruik. Een onjuiste
bandenspanning kan veroorzaakt vroegtijdige
slijtage van banden en heeft een negatieve
invloed op het weggedrag van de auto. Kans op
een ongeval!
7
Praktische informatie

173
Remblokken .......................................... 9 6, 13 5 -13 6
Remlichten .......................................................... 151
Remmen
.......................................... 11, 9 6, 13 5 -13 6
Remschijven
.................................
........9 6, 13 5 -13 6
Reservewiel
........................................ 13 5, 14 4 -145
Reservoir ruitensproeiers
..................................13 3
Resetten bandenspanningscontrolesysteem
....107
Richtingaanwijzers
.......................... 6
1- 62, 149, 151
Riem
..................................................................... 56
Rijadviezen
..................................................... 92-93
Rijstrookcontrolesystemen
..................................71
Roetfilter ............................................................. 13 4
Ruitbediening
.................................
.................41- 42
Ruitensproeier achter
.......................................... 66
R
uitensproeiers
.................................................... 65
Ruitenwisser achter
............................................. 66
Ruitenwisserbladen (vervangen)
....................66- 67
Ruitenwissers
.......................................... 18, 65 - 6 6
Ruitenwisserschakelaar
................................65-66
S
Schakelaar ..................................................... 93, 95
Schakelaars stoelverwarming ....................... 45
-46
Schakelindicator
................................................ 102
SCR (Selective Catalytic Reduction)
................13 6
Selectiehendel
.............................................. 9 9 -10 2
Selectiehendel elektronisch gestuurde versnellingsbak
................... 9
7- 9 9, 13 5
Schakelen handgeschakelde versnellingsbak
....96
Serienummer auto
.................................
............168
Service (verklikkerlampje)
...................................12
Sfeerverlichting
............................................... 58-59
Sjorogen
............................................................... 56
Sleepoog
..................................................... 161-162
Slepen van een auto
................................... 16
1-162
Sleutel
............................................................. 34-35
Sleutel met afstandsbediening
................ 3
4, 94-95
SMS
...................................................................... 28
Sneeuwkettingen
................................ 1
0 8, 128 -129
Snelheidsbegrenzer
......................1 0 8 -1 0 9 , 111 -112
Snelheidsregelaar
........................................ 11 0 -112
Ontluchten brandstofsysteem ............................140
Ontwasemen ................................................... 5
2-53
Opbergnet
.................................
...........................56
Opbergvakken
................................................. 53-54
Opbergvakken portieren
......................................53
Openen achterklep
.............................................. 39
Openen brandstofvulklep
..................................123
Openen motorkap
....................................... 13 0 -131
Openen portieren
................................................. 36
Openen zonnescherm
......................................... 59
Overzicht motoren
...................................... 16 4 -167
Overzicht zekeringen
.................................. 15
2-15 6
P
Panoramadak ....................................................... 59
Park Assist ................................. .........................11 6
Parkeerhulp achter
............................................. 114
Parkeerhulp achter met grafische weergave en geluidssignalen
..........114
Parkeerhulp vóór
................................................ 115
Parkeerlichten
................................ 60, 62, 149, 151
PEUGEOT Connect Nav
.......................................1
PEUGEOT Connect Radio
....................................1
Plafonniers
.................................
..........................58
Portieren
.............................................................. 36
Portieren sluiten
................................................... 36
Pr
ofielen
......................................................... 16, 30
Pyrotechnische gordelspanners ..........................75
R
Radio ................. .................................. 6 -7, 9, 21, 24
Radiozender ............................................. 6 - 7, 2 1 - 2 2
RDS
............................................................. 7, 2 1 - 2 2
Regeling luchtverdeling
..................................50-52
Regelmatige controles
.......................... 9
6, 13 4 -13 6
Regelmatig onderhoud
.......................................... 6
Regeneratie roetfilter
......................................... 13 4
Reinigen (adviezen)
........................................... 13 0
Rembekrachtigingsysteem
.................................. 71
Spaarfase ........................................................... 13 0
Spraakcommando’s .......................................... 5
-10
Starten
............................................................... 15
8
Starten dieselmotor
........................................... 12 2
Star ten van de motor
...................92-93, 95, 97-102
Startblokkering, elektronische ........................94-95
Stilzetten van de auto
..................9
2-93, 95, 97-102
Stoelen verstellen
................................................ 44
Stoelverwarming
............................................ 45-46
Stop & Start
........................ 18, 27, 49, 53, 104-106,
......................................... 116, 123, 130, 134, 158
STOP (verklikkerlampje)
......................................10
Streaming audio Bluetooth
..............................9, 24
Stuurbekrachtiging ............................................... 14
Stuurslot
............................................................... 94
Stuurverstelling
.................................................... 43
St
uurwiel (verstellen)
........................................... 43
Synchroniseren afstandsbediening
................ 3
7- 3 8
T
Tankbeveiliging .................................................. 124
Technische gegevens .................................16 4 -167
Te laag brandstofniveau
....................................123
Telefoon
............................................... 13 -15, 25 -2 9
Temperatuurregeling
...................................... 50-52
Tijd instellen
.............................................. 3
3, 17, 31
TMC (verkeersinformatie)
....................................13
Toevoer van buitenlucht
..................................50-52
Touchscreen
.................. 2
6 -27, 30 -31, 55, 107, 1, 1
Trekhaak
................................................. 92- 93, 124
Trekhaak met afneembare kogel
................125 -128
U
Uitschakelen airbag passagier ....................... 7 7, 8 1
USB-aansluiting .................................... 55, 9, 23 -24
.
Trefwoordenregister