
Verzorging van de auto209
Selecteer de pagina
Bandenspanningcontrole in het menu
Info op het Driver Information Center
3 102.
De systeemstatus en bandenspan‐
ningswaarschuwingen worden
samen met het desbetreffende wiel
aangegeven in een bericht op het Driver Information Center.
Voor de waarschuwingen kijkt het
systeem ook naar de temperatuur
van de band.
Afhankelijkheid van temperatuur
3 207.
Bij het detecteren van een te lage
bandenspanning brandt het controle‐
lampje w 3 100.
Als w oplicht, stop dan bij de eerst‐
volgende gelegenheid en breng de
banden op de aanbevolen spannings‐
waarden 3 244.
Als w 60-90 seconden knippert en
daarna continu wordt verlicht, is er
een fout in het systeem. Roep de hulp van een werkplaats in.
Na het op spanning brengen moet u
mogelijk een stukje rijden om de
bandenspanningswaarden op het
Driver Information Center bij te
werken. Hierbij kan w oplichten.
Als w bij lagere temperaturen oplicht
en na het rijden dooft, kan dit duiden
op een naderende te lage banden‐
spanning. Bandenspanning controle‐
ren.
Boordinformatie 3 109.
Schakel het contact uit wanneer de
bandenspanning moet worden
verhoogd of verlaagd.
Monteer alleen wielen met druksen‐
soren, anders wordt de bandenspan‐
ning niet weergegeven en brandt w
voortdurend.
Een reservewiel of tijdelijk reserve‐
wiel heeft geen spanningssensor. Het
bandenspanningscontrolesysteem
werkt niet op deze banden. Het
controlelampje w brandt. Voor de
overige drie banden blijft het systeem
in werking.
Gebruik van standaard verkrijgbare
vloeibare bandenreparatiesets kan
de werking van het systeem nadelig
beïnvloeden. Gebruik bij voorkeur
door de fabriek goedgekeurde repa‐
ratiesets.
Als u elektronische apparaten
gebruikt of zich in de buurt vindt van
voorzieningen die vergelijkbare
frequenties gebruiken, kan dit de
werking van het bandenspannings‐
controlesysteem verstoren.
Elke keer bij het verwisselen van de
banden moeten de sensoren van het
bandenspanningscontrolesysteem

Verzorging van de auto211nadat de wielen zijn geroteerd of alle
wielen zijn verwisseld en als een of
meer bandenspanningssensoren zijn
vervangen. De bandenspannings‐
sensoren moeten ook worden gekop‐
peld na het vervangen van een reser‐
vewiel door een reguliere band met
een bandenspanningssensor.
Bij de volgende contactcyclus moeten
jet storingslampje w en het waar‐
schuwingsbericht doven/verdwijnen. De sensoren worden met een inleer‐
gereedschap in de volgende volgorde
gekoppeld aan de wielposities: voor‐
wiel linkerzijde, voorwiel rechterzijde,
achterwiel rechterzijde en achterwiel linkerzijde. De richtingaanwijzer in de huidige actieve stand wordt verlicht
tot de sensor is gekoppeld.
Roep de hulp in van een werkplaats.
U hebt twee minuten voor het koppe‐
len van de positie van het eerste wiel
en vijf minuten voor het koppelen van
de positie van alle vier de wielen. Bij
het overschrijden van deze tijd stopt
het koppelen en moet u opnieuw
beginnen.De koppelingsprocedure voor de
bandenspanningssensoren is als
volgt:
1. Trek de handrem aan.
2. Schakel het contact in.
3. Op auto's met automatische versnellingsbak: zet de keuze‐
hendel in P.
Bij auto's met handgeschakelde
versnellingsbak: selecteer
Neutraalstand.
4. Druk op MENU op de richtingaan‐
wijzerhendel om Informatiemenu
voertuig op het Driver Information
Center te selecteren.
5. Draai aan het stelwiel om naar het
bandenspanningsmenu te schui‐
ven.
Midlevel-display:
Uplevel-display:

216Verzorging van de auto
Wordt de voorgeschreven
bandenspanning niet binnen
tien minuten bereikt, verwijder
dan de bandenreparatieset. De
auto één wielomwenteling
verplaatsen. De bandenreparatie‐
set weer aansluiten en het vulpro‐ ces 10 minuten lang voortzetten.
Wordt de voorgeschreven
bandenspanning dan nog niet
bereikt, dan is de band te ernstig
beschadigd. De hulp van een
werkplaats inroepen.
Laat eventueel de te hoge
bandenspanning af via de knop
boven op de manometer.
De compressor niet langer dan
10 minuten laten werken.
14. Maak de bandenreparatieset los. Borglipje op houder indrukken om
fles met afdichtmiddel uit houder
te verwijderen. Bandenvulslang
op de vrije aansluiting van de fles
met afdichtmiddel schroeven.
Hierdoor wordt voorkomen dat er
afdichtmiddel uit de fles stroomt.
Bandenreparatieset in de baga‐
geruimte opbergen.
15. Eventueel vrijgekomen afdicht‐ middel met een doek verwijderen.
16. Het op de fles met afdichtmiddel aanwezige etiket met de maxi‐
maal toelaatbare snelheid in het
gezichtsveld van de bestuurder
aanbrengen.
17. De rit onmiddellijk voortzetten, zodat het afdichtmiddel zich
gelijkmatig in de band kan
verspreiden. Stop na ongeveer
10 km (uiterlijk na tien minuten) en controleer de bandenspanning.
Hiervoor de luchtslang van de
compressor rechtstreeks op
bandventiel en compressor
schroeven.
Bij een bandenspanning hoger
dan 1,3 bar, de bandenspanning
op de voorgeschreven waarde
brengen. Procedure herhalen
totdat de bandenspanning niet
meer afneemt.
Bij een bandenspanning lager
dan 1,3 bar, de auto niet meer
gebruiken. De hulp van een werk‐
plaats inroepen.
18. Bandenreparatieset in de baga‐ geruimte opbergen.

Service en onderhoud229Service en
onderhoudAlgemene informatie ..................229
Service-informatie ...................229
Aanbevolen vloeistoffen, smeer‐ middelen en onderdelen ............230
Aanbevolen vloeistoffen en smeermiddelen .......................230Algemene informatie
Service-informatie
Het is voor de bedrijfs- en verkeers‐ veiligheid en voor het behoud van de
waarde van uw auto belangrijk dat
alle servicewerkzaamheden met de
voorgeschreven intervallen worden
uitgevoerd.
Het uitgebreide bijgewerkte service‐
schema voor uw auto is beschikbaar in de werkplaats.
Servicedisplay 3 91.
Europese service-intervallen
Aan de auto moet om de 30.000 km
onderhoud gepleegd worden, of na
één jaar, wat het eerst voorkomt,
tenzij anders vermeld op het service-
display.
Bij een zwaardere belasting, bijv. bij
taxi's en politievoertuigen, geldt
mogelijk een korter onderhoudsinter‐
val.
De Europese service-intervallen
gelden voor de volgende landen:Andorra, België, Bosnië-Herzego‐
vina, Bulgarije, Cyprus, Denemarken, Duitsland, Estland, Finland, Frankrijk,
Griekenland, Groenland, Groot-Brit‐
tannië, Hongarije, Ierland, IJsland,
Italië, Kroatië, Letland, Liechtenstein, Litouwen, Luxemburg, Macedonië,
Malta, Monaco, Montenegro, Neder‐
land, Noorwegen, Oostenrijk, Polen,
Portugal, Roemenië, San Marino,
Servië, Slovenië, Slowakije, Spanje,
Tsjechische Republiek, Zweden,
Zwitserland.
Servicedisplay 3 91.
Internationale service-intervallen
Aan de auto moet om de 15.000 km
onderhoud gepleegd worden, of na
één jaar, wat het eerst voorkomt,
tenzij anders vermeld op het service-
display.
Er is sprake van zware bedrijfsom‐ standigheden als een of meer van de volgende situaties vaak voorkomt-/
en: Koude starts, vaak stoppen en
optrekken, rijden met een aanhanger,
rijden in de bergen, rijden op slechte
en rulle wegdekken, ernstige lucht‐
vervuiling, zand en veel stof in de

254TrefwoordenlijstAAan/Uit-knop ............................... 143
Aanbevolen vloeistoffen en smeermiddelen ..............230, 235
Aanduidingen op banden ..........206
Aanhanger trekken ....................183
Accessoires en modificaties van auto ........................................ 188
Accu ........................................... 193
Achterlichten .............................. 198
Achterruitverwarming ................... 37
Achteruitkijkcamera ...................169
Achteruitrijlichten .......................130
Adaptief rijlicht (AFL) .................126
Adaptive Forward Lighting .........101
Afmetingen auto ........................242
Airbag deactiveren ....................... 52
Airbag-deactivering ...................... 98
Airbag en gordelspanners ...........97
Airbaglabel.................................... 47
Airbagsysteem ............................. 47
Airconditioning ........................... 134
Airconditioning regelmatig aanzetten ............................... 139
Alarmknipperlichten ...................128
Algemene informatie .................. 183
Algemene richtlijnen voor het rijden ....................................... 142
All-wheel drive ........................... 156
Andere auto slepen ...................224Antiblokkeersysteem .................156
Antiblokkeersysteem (ABS) .........98
Autogegevens ............................ 235
Autokrik....................................... 205 Automatische dimfunctie .............35
Automatische verlichting ............ 123
Automatische versnellingsbak ...152
Automatisch vergrendelen ...........28
Auto ontgrendelen .........................6
Auto slepen ................................ 223
Auto stallen ................................. 188
Autostop ..................................... 147
B
Bagageruimte ........................ 30, 74
Bagageruimte-afdekking .............76
Bandenreparatieset ...................214
Bandenspanning .......................207
Bandenspanningscontrolesys‐ teem ................................ 100, 208
Bandenspanningswaarden ........244
Batterijspanning .........................110
Bedieningsorganen ......................81
Bekerhouders .............................. 62
Bekleding .................................... 227
Beladingsinformatie .....................78
Beslagen lampglazen ................130
Bestuurdersondersteuningssys‐ temen ...................................... 161
Beveiliging van de auto ................31

257Registreren van autogegevensen privacy ................................ 251
Remassistentie .......................... 157
Rem- en koppelingssysteem .......98
Rem- en koppelingsvloeistof ......230
Remmen ............................ 156, 193
Remvloeistof .............................. 193
Reparatie ongevalschade ...........247
Reservewiel ............................... 219
Richtingaanwijzer ........................96
Richtingaanwijzers ..................... 129
Roetfilter .................................... 150
Ruiten ........................................... 35
Rijgedrag en aanhangertips ......183
Rijregelsystemen ........................158
Rijverlichting ........................ 12, 101
S Schakelen ..................................... 99
Service ....................................... 139
Service-display ............................ 91
Service-informatie ...................... 229
Sjorogen ...................................... 77
Sleutel, opgeslagen instellingen ...24
Sleutels ........................................ 20
Sleutels, sloten ............................. 20
Sneeuwkettingen .......................213
Snelheidsbegrenzer ...........102, 163
Snelheidsmeter ............................ 88
Spiegelverstelling ..........................8Sproeiervloeistof ........................192
Startbeveiliging ....................32, 101
Starten en bedienen ...................142
Starthulp gebruiken ...................221
Stoelpositie .................................. 40
Stoelverstelling ........................6, 41
Stoelverwarming ........................... 43
Stop/Start-systeem .....................147
Storing ....................................... 154
Storingsindicatielamp ..................98
Stroomonderbreking ..................154
Sturen ......................................... 142
Stuurbedieningsknoppen .............81
Stuurbekrachtigingsvloeistof ......192
Stuurwiel instellen .......................... 9
Stuurwielverstelling ...................... 81
Symbolen ....................................... 4
Systeem voor gecontroleerde afdaling ............................ 99, 160
T
Tanken ....................................... 178
Te laag brandstofpeil .................100
Toerenteller ................................. 89
Top-Tether-bevestigingsogen ......61
Traction Control .........................158
Traction Control-systeem UIT....... 99 Trekhaak .................................... 184
Trekken............................... 183, 223Trekstang.................................... 183
Typeplaatje ................................ 233
U Uitlaatgassen ............................. 150
Uitrol-brandstofafsluiter .............147
Uitstapverlichting .......................132
Ultrasoonparkeerhulp .................167
Uplevel-display ........................... 102
Uw autogegevens ..........................3
V Valetmodus................................. 107Van banden- en velgmaat veranderen ............................. 213
Vaste luchtroosters ....................139
Veiligheidsgordel ...........................8
Veiligheidsgordels .......................44
Velgen en banden .....................206
Ventilatie ..................................... 133
Ventilatieopeningen ....................138
Verbanddoos ............................... 77
Vergrendelingssysteem ...............31
Verkeersbordherkenning ....102, 171
Verlichting handschoenenkastje. 131
Verlichtingsfuncties..................... 131
Verlichting zonneklep ................131
Versnellingsbak ........................... 16
Versnellingsbakdisplay ..............152
Verstelbare luchtroosters ........... 138
Vertraagde uitschakeling stroom 145