
Openen en sluiten
●
In de looprichtin g
van de elektrische ruiten
mag zich niemand bevinden, vooral niet wan-
neer de ruiten zonder de sluitkrachtbegren-
zing gesloten worden.
● De sluitkrachtbegrenzing voorkomt niet dat
ving
ers of andere lichaamsdelen tegen het
ruitframe worden gedrukt, en kan verwondin-
gen veroorzaken. Let op
De sluitkrachtbegrenzing treedt ook in werk-
in g w anneer met
de wagensleutel het com-
fortsluiten voor de ruiten wordt gebruikt
››› pag. 130. Panoramaschuifdak*
P anor
am
aschuifdak: werkingLees aandachtig de aanvullende informatie
› ›
›
pag. 12
Het panoramaschuifdak werkt alleen bij inge-
schakeld contact. Nadat het contact is uitge-
schakeld, kunt u het nog enkele minuten
openen of sluiten zolang het bestuurders- of
bijrijdersportier niet wordt geopend.
Comfortopenen en -sluiten
Het panoramaschuifdak kan met de wagen-
sleutel van buitenaf worden geopend en ge-
sloten: ●
Houd de ontgrendelin
gs- of vergrende-
lingsknop van de wagensleutel ingedrukt.
Het panoramaschuifdak wordt dan afgesteld
of gesloten.
● Laat de ontgrendelings- of vergrendelings-
knop los om de f
unctie te onderbreken.
Bij het comfortsluiten worden eerst de ruiten
en vervolgens het panoramaschuifdak geslo-
ten. ATTENTIE
Het op een onoplettende of onbeheerste ma-
nier ge bruik
en van het panoramaschuifdak
kan leiden tot ernstig letsel.
● Open of sluit het panoramaschuifdak of het
rol
gordijn alleen wanneer er zich niemand in
de buurt van het panoramaschuifdak of het
rolgordijn bevindt.
● Neem telkens wanneer u de wagen verlaat
all
e sleutels mee.
● Laat nooit kinderen of hulpbehoevende
personen al
leen achter in de wagen - vooral
niet als zij bij de wagensleutel kunnen. Als de
wagensleutel zonder toezicht gebruikt wordt,
kan de wagen vergrendeld worden, de motor
gestart worden, het contact ingeschakeld
worden en het panoramaschuifdak bewogen
worden.
● Nadat het contact is uitgeschakeld, kunt u
het panor
amaschuifdak nog even openen of
sluiten zolang het bestuurders- of bijrijder-
sportier niet wordt geopend. Let op
● Als
er een storing in het panoramaschuif-
dak optreedt, werkt de sluitkrachtbegrenzing
niet correct. Raadpleeg een gespecialiseerde
werkplaats.
● Bij het van buitenaf activeren van het com-
fort
sluiten blijft de draaischakelaar van het
panoramaschuifdak in de laatst gekozen
stand staan en moet deze aan het begin van
de rit weer opnieuw worden ingesteld. Rolgordijn openen en sluiten
Afb. 139
In de hemelbekleding: knoppen voor
r o
l
gordijn.
FunctieNodige handelingen
Volledig openen (automatisch):Druk kort op de toets ››› afb. 139
1.
Automatisch func-
tioneren stoppen:Druk de knop ››› afb. 139 1 of
››› afb. 139 2 kort in.» 131
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid

Lichten en zicht
Lichten en zicht
Lic ht
en
C
ontrolelampjes
Springt aan
Rijlicht geheel of ge-
deeltelijk defect.
Vervang het betreffende lampje
››› pag. 93.
Als alle lampjes correct zijn,
wendt u zich dan tot een gespe-
cialiseerde werkplaats, indien
nodig.
Storing van de boch-
tenverlichting.››› pag. 135.
Knippert
Storing in het sys-
teem van de bochten-
verlichting.Raadpleeg een gespecialiseer-
de werkplaats
››› pag. 134.
Springt aan
Mistachterlicht aan.›››
pag. 24.
Springt aan
Mistlampen aan.›››
pag. 24.
Springt aan
Linker of rechter
knipperlicht.
Het controlelampje
knippert twee keer zo
snel wanneer er een
storing in een van de
knipperlichten van
de wagen of de aan-
hangwagen is.
Controleer, indien nodig, de
verlichting van de wagen en
van de aanhangwagen.
Springt aan
Grootlicht aan of
grootlichtsignaal in
werking gesteld.›››
pag. 134.
Springt aan
Grootlichtregeling
(Light Assist) inge-
schakeld.›››
pag. 134. Wanneer het contact wordt ingeschakeld,
g
aan sommig
e c
ontrole- en waarschuwings-
lampjes enkele seconden aan terwijl ze een
werkingscontrole uitvoeren. Na enkele secon-
den gaan de lampjes uit. ATTENTIE
Veiligheidsaanwijzingen ›››
in Controle- en
waar s
chuwingslampjes op pag. 108 in acht
nemen. Lichten in- en uitschakelen
Lees aandachtig de aanvullende informatie
›› ›
pag. 24
De bestaande wettelijke verlichtingsvoor-
schriften voor elk land moeten in acht wor-
den genomen.
De bestuurder is altijd verantwoordelijk voor
de juiste afstelling van de koplampen en het
voeren van de juiste verlichting.
Bij wagens die standaard met een trekhaak
zijn uitgerust: als de aanhangwagen elek-
trisch aangesloten is en voorzien is van een
mistachterlicht, wordt dit bij de wagen auto-
matisch uitgeschakeld.
Geluidssignalen om te waarschuwen dat de
lichten niet uit zijn
Wanneer de autosleutel niet in het contact-
slot zit en het bestuurdersportier open is,
hoort u enkele geluidssignalen in de onder-
staande gevallen: hierdoor wordt u eraan
herinnerd dat de lichten nog uitgezet moeten
worden.
● Wanneer het parkeerlicht ingeschakeld is
›› ›
pag. 134.
● Als de lichtschakelaar in stand staat
.»
133
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid

Bedienen
ATTENTIE
Het stads- of dagrijlicht is niet helder genoeg
om de we g
voor u voldoende te verlichten of
door andere verkeersdeelnemers te worden
gezien.
● Schakel daarom 's nachts, bij regen of bij
slec
ht zicht altijd het dimlicht in. ATTENTIE
Als de koplampen te hoog zijn afgesteld en
het gr ootlic
ht verkeerd wordt gebruikt, kun-
nen overige weggebruikers hierdoor worden
afgeleid en verblind. Dit kan ernstige onge-
vallen tot gevolg hebben.
● Zorg er altijd voor dat de koplampen correct
zijn afg
esteld.
● Gebruik nooit het grootlicht of het groot-
lichts
ignaal wanneer dat andere weggebrui-
kers kan verblinden. Knipperlicht- en grootlichthendel
Lees aandachtig de aanvullende informatie
› ›
›
pag. 24
Comfortlichten
Beweeg voor de comfortlichten de hendel
omhoog of omlaag tot aan het punt waar u
enige weerstand voelt en laat de hendel los.
Het knipperlicht knippert driemaal. De comfortlichten worden in- en uitgescha-
keld in het
menu Licht & Zicht op het
display van het instrumentenpaneel
››› pag. 26. Bij wagens die niet over het
menu Licht & Zicht beschikken, kan de
functie in een gespecialiseerde werkplaats
worden gedeactiveerd. Let op
● Indien de comf or
tknipperlichten in werking
zijn (driemaal knipperen) en het comfortknip-
perlicht van het tegenoverliggende deel
wordt geactiveerd, dan stopt het actieve deel
met knipperen en knippert het licht slechts
eenmaal in het nieuwe deel dat is geselec-
teerd.
● Het knipperlicht werkt alleen bij ingescha-
keld c
ontact. De alarmlichten werken ook
wanneer het contact is uitgeschakeld ››› pag.
83.
● Als er een storing in een van de knipper-
lichten
van de wagen of van de aanhangwa-
gen is, knippert het controlelampje twee keer
zo snel als normaal.
● Het grootlicht kan alleen bij ingeschakeld
dimlic
ht worden aangezet. Lichten en zicht: functies
Parkeerlicht
W anneer het
p
arkeerlicht ingeschakeld is
(rechter of linker knipperlicht), gaan het
stadslicht voor en het achterlicht aan de des- betreffende zijde van de wagen branden. Het
parkeerlic
ht brandt alleen bij uitgeschakeld
contact.
Dagrijlicht
De dagrijverlichting vermindert het risico op
ongevallen, door de zichtbaarheid van uw
wagen te verhogen. Het betreft in de kop-
lamp ingebouwde lichten die telkens aan-
gaan bij het inschakelen van het contact in-
dien de bediening van de lichten zich in
stand of 0 bevindt.
Wanneer de lichtschakelaar in stand
staat, schakelt een lichtsensor automatisch
de verlichting van de instrumenten en van de
schakelaar in en uit.
Automatische rijlichtregeling
De automatische rijlichtregeling is slechts
een hulp en kan niet alle rijsituaties herken-
nen.
Wanneer de lichtschakelaar in stand
staat, worden automatisch de lichten van de
wagen en de verlichting van de instrumenten
en schakelaars in- en uitgeschakeld in de vol-
gende omstandigheden ››› :
134

Lichten en zicht
Let op
● In het menu Licht & Zicht kan de duur
v
an de uitschakelvertraging van de koplam-
pen worden ingesteld en de functie worden
geactiveerd of gedeactiveerd ›››
pag. 26.
● Als de functie "Coming home" ingescha-
keld i
s, klinkt er bij het openen van het por-
tier geen akoestisch signaal als waarschu-
wing dat het licht nog aan is. Noodknipperlichten
Afb. 140
In het midden van het instrumenten-
p aneel: drukknop
v
oor alarmlichten.Lees aandachtig de aanvullende informatie
› ›
›
pag. 25
Raadpleeg de wettelijke vereisten voor con-
trole van een defecte wagen. In veel landen
is het bijvoorbeeld verplicht om alarmlichten
aan te zetten en een reflecterend vest te ge-
bruiken ››› pag. 83. Bij het gesleept worden en met de alarmlich-
ten aan, kan een
verandering van rijrichting
of van rijvak worden aangegeven met de hen-
del van de knipperlichten. Het knipperen van
de alarmlichten wordt tijdelijk onderbroken.
Als de wagen dienst weigert:
Parkeer de wagen op een veilige afstand
van het wegverkeer op een vlakke on-
dergrond ››› .
Sc h
ak
el de alarmlichten in met de toets
› ››
afb
. 140.
Sc
hakel de elektronisch parkeerrem in
››› pag. 194.
Zet de keuzehendel in de tussenstand of
in de stand P ››› pag. 200.
Zet de motor af en trek de sleutel uit het
contactslot ››› pag. 190.
Laat alle inzittenden uitstappen en op
voldoende afstand van het wegverkeer
wachten, bijvoorbeeld achter de van-
grail.
Neem bij het uitstappen alle autosleu-
tels mee.
Gebruik de gevarendriehoek om andere
verkeersdeelnemers te waarschuwen
voor de positie van uw wagen.
Laat de motor voldoende afkoelen en
vraag indien nodig hulp aan gespeciali-
seerd personeel.
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9. Werken de alarmlichten niet, dan moet u de
overig
e verkeersdeelnemers op een andere -
wettelijk toegestane - wijze op uw wagen at-
tenderen. ATTENTIE
Een defecte wagen in het verkeer brengt een
verhoogd ri s
ico op ongevallen met zich mee,
zowel voor de inzittenden als voor de andere
weggebruikers.
● Breng de wagen tot stilstand zodra dit op
een vei
lige wijze mogelijk is. Parkeer de wa-
gen op een veilige afstand van het wegver-
keer en sluit alle deuren af in geval van nood.
Zet de alarmlichten aan om andere wegge-
bruikers te waarschuwen.
● Laat kinderen of gehandicapten nooit al-
leen acht
er in de wagen als alle portieren zijn
vergrendeld. Hierdoor zouden de inzittenden
in de wagen in geval van nood opgesloten
kunnen komen te zitten. Opgesloten perso-
nen kunnen aan extreem hoge of lage tempe-
raturen blootstaan. ATTENTIE
De onderdelen van het uitlaatsysteem kun-
nen enorm heet w or
den. Dit kan brand of aan-
zienlijke schade veroorzaken.
● Parkeer de wagen zo dat geen enkel onder-
deel v
an het uitlaatsysteem in aanraking kan
komen met brandbare materialen (zoals
droog gras of brandstof). » 137
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid

Bedienen
Let op
● De w ag
enaccu zal ontladen als de alarm-
lichten te lang aangeschakeld blijven (zelfs
met het contact uit).
● In sommige wagens knipperen de remlich-
ten bij het
bruusk remmen bij een snelheid
van ongeveer 80 km/u (50 mph) om voertui-
gen achter u te waarschuwen. Als u blijft rem-
men, zullen de alarmlichten automatisch wor-
den ingeschakeld bij een snelheid van minder
dan 10 km/u (6 mph). De remlichten blijven
aan. Als u gas geeft, worden de alarmlichten
automatisch weer uitgeschakeld. Koplampen afdekken
In die landen waar aan de andere kant van de
w
e
g w
ordt gereden dan in het land van her-
komst, kunnen tegenliggers door het asym-
metrisch dimlicht verblind worden. Daarom
dient u, als u in het buitenland rijdt, de ko-
plampen af te plakken of aan te passen.
De richting van de koplampen kan in het in-
strumentenpaneel worden aangepast, in het
submenu Reislamp van het menu Confi-
guratie ›››
pag. 30.
Bij wagens waarvan de koplampen niet van-
uit het menu kunnen worden afgesteld, moe-
ten bepaalde zones van het glas van de ko-
plampen met stickers worden afgeplakt of
moeten de koplampen in een gespecialiseer-
de werkplaats worden aangepast. Ga voor nadere informatie naar een gespecialiseerde
werkpl
aats. SEAT raadt u aan om een Techni-
sche Dienst te raadplegen. Let op
Het gebruik van de projectorlampen en
stic k
ers op de koplampen is alleen toege-
staan als deze gedurende een korte tijd ge-
bruikt zullen worden. Als u de projectie van
de koplampen definitief wilt veranderen,
wendt u zich dan tot een gespecialiseerde
werkplaats. SEAT raadt aan om de Technische
Dienst te raadplegen. Lichtbundelhoogteverstelling, verlich-
tin
g
v
an het instrumentenpaneel en
schakelaars Afb. 141
Naast het stuur: regelaar instrumen-
t en- en s
c
hakelaarverlichting 1 en regelaar
lic ht
b
undel-hoogteverstelling 2 . 1
Instrumenten- en schakelaarverlichting
Bij in g
e
schakelde verlichting kunt u de sterk-
te van de instrumenten- en schakelaarverlich-
ting regelen door schakelaar ››› afb. 141 1 te draaien.
2 Lichtbundel-hoogteverstelling
D e lic
ht
bundel-hoogteverstelling ››› afb. 141
2 past zich afhankelijk van de waarde van
de lic ht
b
undel van de koplampen aan de be-
ladingstoestand van de wagen aan. Hierdoor
heeft de bestuurder een zo goed mogelijk
zicht terwijl tegenliggers niet worden ver-
blind ››› .
U k u
nt
de koplampen alleen verstellen als
het dimlicht aan staat.
Draai voor afstellen de knop ››› afb. 141 2 :
WaardeBeladingstoestand
a)
van de wagen
–Voorstoelen bezet en bagageruimte leeg
1Alle plaatsen bezet en bagageruimte leeg
2Alle plaatsen bezet en bagageruimte vol.
Met aanhangwagen met minimale kogeld-
ruk
3Alleen de bestuurdersstoel bezet en baga-
geruimte vol. Rijden met aanhangwagen
met maximale kogeldruk.
a) Indien de beladingstoestand van de wagen niet in het over-
zicht voorkomt, kunnen ook tussenstanden geselecteerd wor-
den.
138

Bedienen
De zittingen kunnen elektrisch verwarmd
w or
den indien het
contact is ingeschakeld. In
een aantal uitvoeringen wordt ook de rugleu-
ning verwarmd.
Schakel de stoelverwarming uit als niemand
daar plaats neemt.
FunctieActie ››› afb. 154, ››› afb. 155
ActiverenIndrukken toets . De stoelverwar-
ming staat aan op de maximale
stand.
Verwarmingsca-
paciteit instel-
lenDruk verschillende malen op de toets, tot de gewenste intensiteit is in-
gesteld.
UitschakelenDruk herhaaldelijk op de toets tot
alle controlelampjes ››› afb. 154,
››› afb. 155 doven. ATTENTIE
Een verkeerd gebruik van de stoelfuncties
kan ern s
tig letsel veroorzaken.
● Neem vóór het rijden de juiste zithouding
aan en blijf tijden
s het rijden zo zitten. Dit
geldt ook voor de andere inzittenden.
● Verstel het stoelgeheugen enkel wanneer
de wagen s
tilstaat.
● Schakel de lendenmassagefunctie enkel in-
en uit wanneer de w
agen stilstaat.
● Houd handen, vingers, voeten en andere li-
chaamsdel
en steeds verwijderd van de wer-
kings- en afstelradius van de stoelen. ATTENTIE
Personen waarvan de gewaarwording van pijn
en warmt e beïn
vloed is door inname van be-
paalde medicijnen, paraplegie of chronische
ziekte (bijv., diabetes), lopen het risico op
brandwonden aan de rug, het zitvlak en de
benen door het gebruik van de stoelverwar-
ming. Dit kan een lang herstelproces of on-
volledige genezing met zich meebrengen.
Raadpleeg een arts indien u twijfels hebt over
uw eigen gezondheidstoestand.
● Personen met een beperkte gewaarwording
van pijn en warmt
e mogen de stoelverwar-
ming nooit gebruiken. VOORZICHTIG
● Om de v er
warmingselementen van de
stoelverwarming niet te beschadigen, mag u
nooit op de stoelen knielen noch geconcen-
treerde druk uitoefenen op een enkel punt
van de zitting of rugleuning.
● Vloeistoffen, scherpe voorwerpen en isole-
rende mat
erialen op de stoel kunnen de
stoelverwarming beschadigen.
● Indien u een geur waarneemt, dient u de
stoelv
erwarming onmiddellijk uit te schake-
len en te laten controleren in een gespeciali-
seerde werkplaats. Milieu-aanwijzing
Gebruik de stoelverwarming niet langer dan
strikt nodig. Ander
s wordt onnodig veel
brandstof verbruikt. Massagefunctie van lendensteun*
Afb. 156
Aan de zijkant van de voorstoel:
t oets
voor de massagefunctie van lenden-
steun. Tijdens de massagefunctie beweegt de len-
den
s
t
eun om de lumbale zone van de rug te
masseren. Tijdens de werking kan de welving
van de lendensteun met het overeenkomsti-
ge bedieningselement aangepast worden
aan de persoonlijke voorkeur ››› pag. 57.
Aansluiting
● Druk op de toets van het bedieningspa-
neel
v
an de stoel.
Uitschakelen ● Druk opnieuw op de toets van het be-
dienin g
s
paneel van de stoel.
150

Bedienen
●
Als
er personen op de stoelen van de derde
zitrij zitten, dan moet de hoedenplank altijd
achter die zitrij geplaatst worden. ATTENTIE
Voorwerpen die niet of slecht vastgemaakt
z ijn, of dier
en op de hoedenplank in de baga-
geruimte kunnen ernstig letsel veroorzaken
als gevolg van een bruuske manoeuvre, hard
remmen of een ongeval.
● Plaats geen harde, zware of puntige voor-
werpen (los
of in tassen) op de hoedenplank
in de bagageruimte.
● Vervoer nooit dieren op de hoedenplank. Scheidingsnet*
Afb. 166
Klap het scheidingsnet uit 1 en
w eer dic ht
2 en
3 . Afb. 167
In de bagageruimte: Scheidingsnet
ac ht
er de tw
eede zitrij inbouwen. Het scheidingsnet voorkomt dat voorwerpen
uit
de b
ag
ageruimte in de passagiersruimte
resp. in de bestuurdersruimte terecht kunnen
komen.
Voor het inbouwen van het net moet u het
net uit de tas halen en uitklappen.
Scheidingsnet uitklappen
De dwarssteunen van het scheidingsnet
››› afb. 166 1 volledig uitklappen in de rich-
tin g
v
an de pijl uit tot een "klik" te horen is.
Scheidingsnet achter de tweede zitrij inbou-
wen
● Haak het scheidingsnet in de steun die zich
linksac
hter in het dak bevindt ››› afb. 167. Let
162

Bedienen
ATTENTIE
Ongeschikte of beschadigde touwen of span-
banden k u
nnen bij bruusk remmen of onge-
vallen gaan scheuren. Hierdoor kunnen voor-
werpen door het interieur schieten en ernstig
of dodelijk letsel veroorzaken.
● Gebruik altijd geschikte of onbeschadigde
touw
en of spanbanden.
● Maak de touwen en spanbanden aan de be-
ves
tigingsogen vast.
● Losse bagage in de bagageruimte kan plot-
seling v
erschuiven en de gedrag van de wa-
gen veranderen.
● Maak kleine en lichte voorwerpen ook vast.
● Maak nooit een lading aan de bevestigings-
ogen v
ast die de ogen niet dragen kunnen.
● Bevestig nooit een kinderzitje aan de be-
ves
tigingsogen. Let op
● De m ax
imale belasting van de bevesti-
gingsogen is ca. 3,5 kN.
● Geschikte transportbanden en bevesti-
gings
systemen zijn bij gespecialiseerde
werkplaatsen verkrijgbaar. SEAT raadt u aan
de Technische Dienst te raadplegen. Railsysteem met bevestigingselemen-
t
en* Afb. 169
In de bagageruimte: railsysteem, in-
s t
el
bare bevestigingselementen 1 en instel-
b ar
e g
ordelspanner 2 .
Het railsysteem met bevestigingselementen
be
s
t
aat uit vier rails, verplaatsbare bevesti-
gingselementen, banden die aan de rails be-
vestigd kunnen worden en een net met steu-
nen om de bagage te bedekken ››› pag. 165.
Het railsysteem met bevestigingselementen
kan worden gebruikt voor het vastmaken van
lichte voorwerpen. Als er personen op de
stoelen van de derde zitrij gaan zitten, mo-
gen er zich bij die stoelen nooit bevestigings-
elementen in de rails bevinden ››› .
B ev
e
stigingselementen inbouwen
● Plaats de bevestigingselementen met de
sporen omhoog g
ericht ››› afb. 169 1 in het
bo ven
ste gedeelte van de geleider en duw
het geheel aan. ●
Zet het
stuurwiel in de gewenste stand.
● Controleer of het bevestigingselement in
het gel
eidersysteem vastklikt ››› .
B ev
e
stigingselementen uitbouwen
● Haal het bevestigingselement uit de gelei-
der en ver
wijder het element door deze omh-
oog te tillen.
Lading vastmaken
● Trek de band met de bevestigingselemen-
ten uit en m
aak de lading vast ››› .
ATTENTIE
In geval van een ongeval of bruusk remmen
ku nnen de bev
estigingselementen in de rails
bij de derde zitrij bij de inzittenden letsel ver-
oorzaken.
● Als u de derde zitrij gebruikt, dan moet u de
beves
tigingselementen van de rails verwijde-
ren of helemaal naar achteren verplaatsen. ATTENTIE
De verplaatsbare bevestigingselementen die
niet op een v
eilige manier zijn vergrendeld,
kunnen bij bruusk remmen of een ongeval uit
de geleider losschieten. Hierdoor kunnen
voorwerpen door het interieur schieten en
ernstig of dodelijk letsel veroorzaken.
● Controleer altijd of de verplaatsbare beves-
tigingsel
ementen goed in de geleiders ver-
grendeld zijn. 164