
START&STOP SYSTEEM
(voor bepaalde versies/markten)
Het Start&Stop-systeem zet automatisch de motor af wanneer de auto
stilstaat en start de motor zodra de bestuurder weer wil gaan rijden.
Dit verhoogt de efficiency van de auto dankzij een reductie van het
brandstofverbruik, de uitstoot van schadelijke uitlaatgassen en
geluidsoverlast.
WERKING
Uitschakelmodus van de motor
Bij stilstaande auto, wordt de motor afgezet als de versnellingspook in
de vrijstand staat en het koppelingspedaal niet is ingetrapt.
OpmerkingDe motor kan alleen automatisch worden afgezet bij
een snelheid van meer dan 10 km/h, om herhaaldelijk afzetten van de
motor te voorkomen wanneer erg traag wordt gereden.
Het symbool
fig. 80 verschijnt op de display als de motor wordt
afgezet.
De motor opnieuw starten
Trap het koppelingspedaal in om de motor opnieuw te starten.
HET SYSTEEM HANDMATIG
INSCHAKELEN/UITSCHAKELEN
Druk op de knopfig. 81 op het dashboard naast het stuurwiel om
het systeem handmatig in of uit te schakelen.Inschakeling Start&Stop systeem
Er worden een bericht en een symbool getoond wanneer het
Start&Stop-systeem wordt ingeschakeld.
fig. 80A0J0279
fig. 81A0J0307
96
WEGWIJS IN UW
AUTO
VEILIGHEID
STARTEN EN RIJDEN
NOODGEVALLEN
ONDERHOUD EN
ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER

❒Indien een kinderzitje tegen de rijrichting in op de achterbank is
gemonteerd, dan is het raadzaam om het zo ver mogelijk naar
voren te plaatsen als de stand van de voorstoel toestaat.
❒Als de passagiersairbag buiten werking is gesteld, controleer dan of
het lampje op het instrumentenpaneel brandt om er zeker van te
zijn dat deze airbag daadwerkelijk is uitgeschakeld.
❒Neem de aanwijzingen die bij het kinderzitje zijn geleverd
zorgvuldig in acht. Bewaar deze aanwijzingen samen met
de overige documenten en dit instructieboek in de auto. Gebruik
geen gebruikte kinderzitjes waarvan de gebruiksaanwijzingen
ontbreken.
❒Elk tegenhoudsysteem is bedoeld voor slechts één kind: vervoer
nooit twee kinderen in een zitje.
❒Controleer altijd of de gordel niet langs de hals van het kind loopt.
❒Controleer of de gordel goed is vastgemaakt door eraan te trekken.
❒Controleer tijdens het rijden dat het kind geen verkeerde houding
aanneemt of de gordels losmaakt.
❒Laat een kind nooit de het diagonale gordelgedeelte onder zijn arm
of achter zijn rug omleggen.
❒Vervoer kinderen nooit op schoot, ook geen pasgeborenen.
Niemand is in staat om een kind vast te houden bij een ongeval.
❒Na een ongeval moet het kinderzitje door een nieuw exemplaar
worden vervangen.FRONTAIRBAGS
“SMART BAG” SYSTEEM (MEERTRAPS
FRONTAIRBAGS)
De auto is uitgerust met meertraps frontairbags (“Smart bags”) voor de
bestuurder en passagier en knie-airbags voor de bestuurder.
De frontairbags (bestuurder en passagier) en knie-airbag bestuurder
beschermen de inzittenden voorin bij middelzware en zware frontale
botsingen, door de airbag tussen de inzittende en het stuurwiel of
het dashboard op te blazen.
Als de airbags niet worden opgeblazen bij andere soorten botsingen
(botsingen opzij, achterop, over de kop slaan enz.), betekent dit niet
dat het systeem slecht functioneert.
Airbags zijn geen vervanging voor maar een aanvulling op de
veiligheidsgordels, die u altijd moet dragen. Bij een botsing worden
degenen die geen veiligheidsgordel dragen naar voren geworpen en
kunnen zo in contact komen met een airbag die nog niet volledig
opgeblazen is. Onder deze omstandigheden wordt de inzittende
minder door de airbag beschermd.
In de volgende omstandigheden kan het voorkomen dat de
frontairbags niet worden opgeblazen:
❒frontale botsingen tegen makkelijk vervormbare onderdelen, die niet
het front van de auto zijn (bijv. spatbord tegen de vangrail, etc. )
❒de auto schuift onder andere voertuigen of veiligheidsbarrières
(bijvoorbeeld onder vrachtwagens of vangrails); in deze situaties
bieden ze geen aanvullende bescherming ten opzichte van de
veiligheidsgordels, zodat hun activering geen zin heeft. In deze
gevallen wijst de uitgebleven activering dus niet op een storing van
het systeem.
124
WEGWIJS IN UW
AUTO
VEILIGHEID
STARTEN EN RIJDEN
NOODGEVALLEN
ONDERHOUD EN
ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER

Breng geen stickers of andere voorwerpen op het
stuurwiel, op het dashboard in de zone van de
passagiersairbag, op de zijkant van de dakbekleding
en op de stoelen aan. Plaats nooit voorwerpen (bijv. mobiele
telefoons) op het dashboard aan passagierszijde, omdat deze het
correct openen van de airbag kunnen hinderen en tevens de
inzittenden ernstig kunnen verwonden.
FRONTAIRBAG BESTUURDERSZIJDE
Deze bestaat uit een onmiddellijk opblaasbaar kussen dat in een
speciale ruimte in het midden van het stuurwiel is geplaatst fig. 103.
Rijd altijd met de handen op de stuurwielrand zodat
de airbag indien nodig ongehinderd opgeblazen kan
worden. Rijd niet met voorover gebogen lichaam. Ga
goed rechtop zitten en steun tegen de rugleuning.
FRONTAIRBAG AAN PASSAGIERSZIJDE
Deze bestaat uit een onmiddellijk opblaasbaar kussen dat in een
speciale ruimte in dashboard is opgeborgen fig. 104: deze airbag
heeft een groter volume dan de bestuurdersairbag.
ZEER GEVAARLIJK Plaats NOOIT een kinderzitje tegen de
rijrichting in op de passagiersstoel van auto's met een
actieve passagiersairbag. Bij een ongeval, hoe klein ook,
kan de airbag ernstig letsel en zelfs de dood van het kind
tot gevolg hebben. Daarom moet de passagiersairbag altijd
uitgeschakeld worden als een kinderzitje tegen de rijrichting in
gemonteerd wordt op de voorste passagiersstoel. Bovendien moet de
voorste passagiersstoel zo ver mogelijk naar achteren zijn geschoven
om te voorkomen dat het kinderzitje eventueel in aanraking komt met
het dashboard. Schakel de passagiersairbag onmiddellijk weer in als
het kinderzitje is verwijderd.
fig. 103A0J0047fig. 104A0J0050
125
WEGWIJS IN UW
AUTO
VEILIGHEID
STARTEN EN RIJDEN
NOODGEVALLEN
ONDERHOUD EN
ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER

Als de airbag geactiveerd wordt, ontsnapt een kleine hoeveelheid
poeder: dit poeder is niet schadelijk en duidt niet op het begin van een
brand. Dit poeder kan echter de huid en ogen irriteren: was ze in dit
geval met neutrale zeep en water.
Alle werkzaamheden aan airbags (controle, reparatie en vervanging)
moeten door het Alfa Romeo Servicenetwerk worden uitgevoerd.
Als de auto wordt gesloopt, moet het airbagsysteem onbruikbaar
gemaakt worden door het Alfa Romeo Servicenetwerk.
Gordelspanners en airbags worden op verschillende manieren
geactiveerd, afhankelijk van het type botsing. Als een of meerdere van
deze voorzieningen niet in werking treden, dan duidt dat niet op een
storing in het systeem.
Als de contactsleutel naar MAR wordt gedraaid en het
lampje
gaat niet branden of blijft branden tijdens
het rijden (bij sommige versies samen met de melding
op de display), dan is er mogelijk een storing in de
veiligheidssystemen. In dat geval kunnen de airbags of
gordelspanners niet geactiveerd worden bij een ongeval of, in
een zeer beperkt aantal gevallen, op verkeerde wijze
geactiveerd worden. Laat het systeem onmiddellijk controleren
door het Alfa Romeo Servicenetwerk alvorens verder te rijden.
Reis niet met voorwerpen op schoot of voor de borst
en houd niets in de mond (pijp, pen, etc.). Dit kan
ernstig letsel veroorzaken als de airbag in werking
treedt.
Laat bij diefstal of poging tot diefstal, vandalisme of
overstromingen het airbagsysteem door het Alfa
Romeo Servicenetwerk controleren.
Als de contactsleutel in de stand MAR staat en de
motor is afgezet, kunnen de airbags ook geactiveerd
worden als de auto door een andere auto wordt
aangereden. Daarom mag, wanneer de passagiersairbag is
ingeschakeld, en ook al staat de auto stil, GEEN tegen de
rijrichting in gemonteerd kinderzitje op de voorstoel gemonteerd
worden. Als bij een botsing de airbag wordt opgeblazen, kan
dit leiden tot ernstig letsel en zelfs tot de dood van het kind.
Daarom moet de passagiersairbag altijd uitgeschakeld worden
als een kinderzitje tegen de rijrichting in gemonteerd wordt op
de voorste passagiersstoel. Bovendien moet de voorste
passagiersstoel zo ver mogelijk naar achteren zijn geschoven om
te voorkomen dat het kinderzitje eventueel in aanraking komt
met het dashboard. Schakel de passagiersairbag onmiddellijk
weer in als het kinderzitje is verwijderd. Onthoud tevens dat als
de sleutel in de stand STOP staat, bij een ongeval geen enkel
veiligheidssysteem (airbags of gordelspanners) geactiveerd
wordt. In dat geval duidt de uitgebleven activering niet op een
storing van het systeem.
130
WEGWIJS IN UW
AUTO
VEILIGHEID
STARTEN EN RIJDEN
NOODGEVALLEN
ONDERHOUD EN
ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER

Lampen Type Vermogen Zie Figuur
Parkeer-/dagverlichting W21/5W 5/21W A
Stadslichten achter LED – –
Dimlichten H7 55W D
Grootlicht H7 55W D
Richtingaanwijzers voor 24W module 24W B
Richtingaanwijzers achter P21W 21W B
Richtingaanwijzers op flanken WY5W 5W A
Remlichten LED – –
Derde remlicht LED – –
Kentekenverlichting W5W 5W A
Mistlampen H1 55W E
Mistachterlichten P21W 21W B
Achteruitrijlichten P21W 21W B
Plafondverlichting voor C10W 10W C
Bagageruimteverlichting W5W 5W A
Dashboardkastverlichting C5W 5W C
Instaplichten in de spiegels W5W 5W A
156
WEGWIJS IN UW
AUTO
VEILIGHEID
STARTEN EN RIJDEN
NOODGEVALLEN
ONDERHOUD EN
ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER

❒open het deksel B fig. 146 en vervang de lamp;
❒dek het lampenglas af met de beschermkap B;
❒monteer het plafondlampje A fig. 145 door eerst het lampje aan
een zijde correct te monteren en vervolgens de andere zijde ervan
aan te drukken, zodat het hoorbaar vastklikt.DASHBOARDKASTVERLICHTING
Ga als volgt te werk om de lamp te vervangen:
❒open het dashboardkastje en verwijder het lampje A fig. 147;
❒vervang lamp B door hem uit de zijcontacten los te maken;
controleer of de nieuwe lamp correct tussen de contacten wordt
vastgeklemd;
INSTAPVERLICHTING
(voor bepaalde versies/markten)
Ga als volgt te werk om de lamp te vervangen:
❒zet de zonneklep naar beneden en verwijder instapverlichting A fig.
148, door deze los te maken op het met de pijl aangegeven punt;
❒verwijder bescherming B, door hem los te maken uit de borglippen
C, vervang vervolgens lamp D fig. 149 door hem naar buiten te
trekken en los te maken uit de contacten aan de zijkant;
❒plaats de nieuwe lamp, controleer of hij goed op zijn plaats zit en
goed is vastgeklemd tussen de contacten;
fig. 144A0J0121
fig. 145A0J0119fig. 146A0J0118
161
WEGWIJS IN UW
AUTO
VEILIGHEID
STARTEN EN RIJDEN
NOODGEVALLEN
ONDERHOUD EN
ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER

TOEGANG TOT DE ZEKERINGEN
De zekeringen van het voertuig zijn in drie zekeringenkasten
opgenomen; deze regeleenheden bevinden zich in de motorruimte, het
dashboard en in de bagageruimte.
Zekeringenkast in de motorruimte
Deze bevindt zich naast de accu fig. 153: voor toegang tot de
zekeringen, de schroeven A fig. 152 losdraaien en het deksel B
verwijderen.
Op het deksel zijn de identificatienummers van de elektrische
onderdelen die met de zekeringen overeenkomen aangegeven.
Monteer, na het vervangen van de zekering, het deksel B weer op de
zekeringenkast.
Als de motorruimte moet worden schoongespoten,
voorkom dan dat de waterstraal rechtstreeks op de
zekeringenkast en de motoren van de ruitenwissers in de
motorruimte wordt gericht.
fig. 152A0J0126fig. 153A0J0417
165
WEGWIJS IN UW
AUTO
VEILIGHEID
STARTEN EN RIJDEN
NOODGEVALLEN
ONDERHOUD EN
ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER

Zekeringenkast in het dashboard
Om bij de zekeringen te kunnen komen fig. 155, klep A fig. 154 naar
beneden zetten, deksel B met een hand vastpakken op de plaats die
aangegeven is in de afbeelding en het deksel verwijderen in de
richting die aangegeven is met de pijl, om eerst de binnenste
bevestigingen C en daarna de borglippen D los te kunnen maken.
fig. 154A0J0334fig. 155A0J0205
166
WEGWIJS IN UW
AUTO
VEILIGHEID
STARTEN EN RIJDEN
NOODGEVALLEN
ONDERHOUD EN
ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER