
Verzorging van de auto217
Een onjuiste bandenspanning beïn‐
vloedt de veiligheid, het weggedrag,
het rijcomfort en het brandstofver‐
bruik negatief en verhoogt de ban‐
denslijtage.
De bandenspanningswaarden ver‐
schillen afhankelijk van de diverse
opties.
Ga voor de juiste bandenspannings‐
waarde als volgt te werk:
■ Bepaal de code van de motor-ID. Motorgegevens 3 250.
■ Bepaal de betreffende band.
De bandenspanningswaardetabellen
vermelden alle mogelijke banden‐
combinaties 3 259.
Voor de voor uw auto goedgekeurde
banden kunt u de EEG-conformiteits‐
verklaring die bij uw auto is geleverd, of andere landelijke registratiedocu‐
menten raadplegen.
De bestuurder is verantwoordelijk
voor het juist instellen van de ban‐
denspanning.9 Waarschuwing
Een te lage bandenspanning kan
aanleiding geven tot oververhitting van de banden en interne bescha‐
digingen, wat bij hoge snelheden
loslatende loopvlakken en zelfs
klapbanden kan veroorzaken.
Schakel het contact uit wanneer de
bandenspanning moet worden ver‐
hoogd of verlaagd. Schakel na het
aanpassen van de bandenspanning
het contact in en selecteer de betref‐
fende instelling op de pagina
Draagvermogen band op het Driver
Information Center 3 99.
Bandenspanningscontro‐
lesysteem
Het bandenspanningscontrolesys‐
teem (TPMS) controleert vanaf een
bepaalde snelheid eenmaal per mi‐
nuut de bandenspanning van alle vier
de banden.
Voorzichtig
Het bandenspanningscontrole‐
systeem waarschuwt alleen bij
een te lage bandenspanning en
treedt niet in de plaats van regulier onderhoud van de banden door de bestuurder.
Alle wielen moeten zijn voorzien van
een druksensor en de banden moe‐
ten de voorgeschreven bandenspan‐
ning hebben.
Let op
In landen waar het bandenspan‐
ningscontrolesysteem wettelijk ver‐
eist is, wordt de typegoedkeuring
van het voertuig bij het gebruik van
wielen zonder druksensoren nietig.
U kunt de actuele bandenspannings‐
waarden bekijken in Informatie- menu
voertuig ? op het Driver Informa‐
tion Center (DIC).
U selecteert het menu door indrukken van de toetsen op de richtingaanwij‐zerhendel.

Verzorging van de auto219
Na het op spanning brengen moet u
wellicht een stukje rijden om de ban‐
denspanningswaarden op het DIC bij
te werken. Hierbij kan w oplichten.
Als w bij lagere temperaturen oplicht
en na het rijden dooft, kan dit duiden
op een naderende te lage banden‐
spanning. Bandenspanning controle‐
ren.
Boordinformatie 3 107.
Schakel het contact uit wanneer de
bandenspanning moet worden ver‐
hoogd of verlaagd.
Monteer alleen wielen met druksen‐
soren, anders wordt de bandenspan‐
ning niet weergegeven en brandt w
voortdurend.
Een reservewiel of tijdelijk reserve‐
wiel heeft geen druksensor. Het ban‐
denspanningscontrolesysteem werkt niet op deze banden. De controle‐
lamp w brandt. Voor de overige drie
banden blijft het systeem in werking.
Gebruik van standaard verkrijgbare
vloeibare bandenreparatiesets kan
de werking van het systeem nadeligbeïnvloeden. Gebruik bij voorkeur
door de fabriek goedgekeurde repa‐
ratiesets.
Externe zendinstallaties met een
hoog vermogen kunnen storingen in
het bandenspanningscontrolesys‐
teem tot gevolg hebben.
Elke keer bij het verwisselen van de
banden moeten de sensoren van het
bandenspanningscontrolesysteem
worden gedemonteerd en onderhou‐
den. Bij opgeschroefde sensoren;
vervang het ventielelement en de
keerring. Bij opgeklikte sensoren; ver‐
vang de complete ventielsteel.
Status belading van auto
Pas de bandenspanning volgens de
informatie op het etiket van de band
of in de tabel bandenspanningswaar‐ den aan op de belading van de auto
3 259 en selecteer de betreffende in‐
stelling in het menu
Bandenbelasting op het Driver Infor‐
mation Center (DIC), Informatie-
menu voertuig ? 3 99 . Deze instel‐
ling is de referentie voor de banden‐
spanningswaarschuwingen.Het menu Bandenbelasting verschijnt
alleen als de auto stilstaat en de handrem aangetrokken is. Bij auto's
met automatische versnellingsbak
moet de keuzehendel op P staan.
Baselevel-display en Midlevel-dis‐
play:
Kies
■ LO voor een comfortabele span‐
ning tot drie inzittenden.
■ ECO voor een Eco-spanning tot
drie inzittenden.
■ HI voor volledige belading.
Uplevel-display:

220Verzorging van de auto
Kies■ Licht voor een comfortabele span‐
ning tot drie inzittenden.
■ Eco voor een Eco-spanning tot
drie inzittenden.
■ Max voor volledige belading.
TPMS-sensoren koppelen Elke TPMS-sensor heeft een unieke
identificatiecode. De identificatiecode
moet aan de positie van een nieuw
wiel worden gekoppeld nadat de wie‐ len zijn geroteerd of alle wielen zijn
verwisseld en als een of meer TPMS-
sensoren zijn vervangen. De TPMS-
sensoren moeten ook worden gekop‐
peld na het vervangen van een reser‐
vewiel door een reguliere band met
de TPMS-sensor.
Bij de volgende contactcyclus moeten
de storingslamp w en het waarschu‐
wingsbericht doven/verdwijnen. De sensoren worden met een TPMS-in‐
leergereedschap in de volgende volg‐ orde gekoppeld aan de wielposities:
voorwiel linkerzijde, voorwiel rechter‐
zijde, achterwiel rechterzijde en ach‐
terwiel linkerzijde. De richtingaanwij‐
zer in de huidige actieve stand wordt
verlicht totdat de sensor is gekoppeld.
Raadpleeg uw werkplaats voor on‐
derhoud of voor het aanschaffen van
een inleergereedschap. U hebt
2 minuten voor het koppelen van de
positie van het eerste wiel en
5 minuten voor het koppelen van de
positie van alle vier wielen. Bij het
overschrijden van deze tijd stopt het
koppelen en moet u opnieuw begin‐
nen.
Koppel de TPMS-sensoren als volgt:
1. Trek de handrem aan.
2. Schakel het contact in.3. Op auto's met automatische ver‐ snellingsbak: zet de keuzehendel
in P.
Bij auto's met geautomatiseerde
versnellingsbak: Rempedaal in‐
trappen en vasthouden. Breng en houd de keuzehendel
5 seconden in stand N tot P wordt
weergegeven op het DIC. P geeft
aan dat het koppelen van de
TPMS-sensoren gestart kan wor‐
den.
Bij auto's met handgeschakelde
versnellingsbak: selecteer Neu‐
traalstand.
4. Gebruik MENU op de richtingaan‐
wijzerhendel om Informatie- menu
voertuig ? op het DIC te selec‐
teren.
5. Draai het stelwieltje om naar het bandenspanningsmenu te schui‐
ven.
Baselevel-display en Midlevel-
display:

Verzorging van de auto221
Uplevel-display:
6. Druk op SET/CLR om het koppe‐
len van de sensoren te starten. Er
moet een bericht met een vraag
om acceptatie van het proces ver‐ schijnen.
7. Druk nogmaals op SET/CLR om
de selectie te bevestigen. De cla‐
xon piept twee keer om aan te ge‐
ven dat de ontvanger in de inleer‐ modus staat.
8. Begin met de voorwiel aan de lin‐ kerzijde.
9. Zet de inleertool bij het ventiel te‐ gen de wang van de band. Druk
daarna op de knop om de TPMS-
sensor te activeren. De claxon
piept ter bevestiging dat de sen‐
soridentificatiecode aan de positie
van dit wiel is gekoppeld.
10. Ga verder met het voorwiel rechts
en herhaal de procedure zoals be‐ schreven in stap 9.
11. Ga verder met het achterwiel rechts en herhaal de procedure
zoals beschreven in stap 9.12. Ga verder met het achterwiel links
en herhaal de procedure zoals be‐
schreven in stap 9. De claxon
piept twee keer ter aanduiding dat de sensoridentificatiecode aan
het achterwiel links is gekoppeld
en dat de procedure voor het kop‐
pelen van de TPMS-sensoren af‐ gesloten is.
13. Schakel het contact uit.
14. Breng alle vier banden op de aan‐
bevolen bandenspanning zoals
aangegeven op het etiket ban‐
denspanningsinformatie.
15. Zorg dat de bandenlaadstatus volgens de geselecteerde span‐
ning is ingesteld 3 99.
Afhankelijkheid van
temperatuur
De bandenspanning hangt af van de
temperatuur van de band. Onderweg
lopen de temperatuur en de spanning van de band op. Bandenspannings‐
waarden op het etiket bandenspan‐
ningsinformatie en het overzicht ban‐
denspanningswaarden gelden voor
koude banden, d.w.z. bij 20 °C. Bij

267
Parkeren .............................. 20, 141
Park pilot met ultrasoonsensoren 163
Partikelfilter ................................. 142
Pedaal intrappen .......................... 95
Persoonlijke instellingen ............111
Pollenfilter .................................. 134
Portieren ....................................... 27
Portier open ................................. 99
Prestaties ................................... 253
Profieldiepte ............................... 222
R
Radiofrequentie-identificatie (RFID) ..................................... 263
Regelbare instrumentenverlich‐ ting ......................................... 121
Registratie van voertuigdata en privacy ..................................... 262
Remassistentie .......................... 153
Rem- en koppelingssysteem .......95
Rem- en koppelingsvloeistof ......243
Remmen ............................ 151, 197
Remvloeistof .............................. 197
Reservewiel ............................... 232
Richtingaanwijzer ........................93
Richtingaanwijzers ..................... 119
Richtingaanwijzers vooraan ......205
Roetfilter ............................... 97, 142
Rugleuning neerklappen .............40
Ruiten ........................................... 32Rijgedrag en aanhangertips ......186
Rijregelsystemen ........................153
Rijverlichting .......................... 13, 98
S
Schakelen ..................................... 96
Service ....................................... 134
Service-display ............................ 90
Service-indicatie .......................... 95
Service-informatie ...................... 242
Sjorogen ...................................... 75
Sleutel, opgeslagen instellingen ...24
Sleutels ........................................ 22
Sleutels, sloten ............................. 22
Sneeuwkettingen .......................223
Snelheidsbegrenzer .............99, 158
Snelheidsmeter ............................ 87
Spiegelverstelling ..........................9
Sproeiervloeistof ........................197
Stadsmodus................................ 155
Startbeveiliging ......................30, 98
Starten en bedienen ...................136
Starthulp gebruiken ...................234
Stoelpositie .................................. 38
Stoelverstelling ........................7, 39
Stoelverwarming ........................... 42
Stop/Start-systeem .....................138
Storing ............................... 146, 151
Storingsindicatielamp ..................94
Stroomonderbreking ..................146Stuurbedieningsknoppen .............79
Stuurbekrachtiging........................ 96 Stuurwiel instellen ........................ 10
Stuurwielverstelling ...................... 79
Symbolen ....................................... 4
T
Tanken ....................................... 182
Te laag brandstofpeil ...................98
Toerenteller ................................. 88
Top-Tether-bevestigingsogen ......58
Traction Control .........................153
Traction Control-systeem UIT....... 97 Trekhaak .................................... 188
Trekken............................... 186, 236
Trekstang.................................... 186
Typeplaatje ................................ 246
U
Uitlaatgassen ............................. 142
Uitrol-brandstofafsluiter .............138
Uitstapverlichting .......................123
Ultrasoonparkeerhulp ..................96
Uw autogegevens ..........................3
V
Van banden- en velgmaat veranderen ............................. 222
Vaste luchtroosters ....................134
Veiligheidsgordel ...........................8