Page 188 of 400
186
Zicht
308_nl_Chap05_visibilite_ed02-2013
Sfeerverlichting
De gedempte interieurverlichting verbetert het zicht in de auto als deze zich in een donkere omgeving bevindt.
De lichtsterkte van de sfeerverlichting kan worden ingesteld via de secundaire pagina van het menu "Rijhulpsysteem". Selecteer het menu " Configuratie auto ". Vink de regel " Sfeerverlichting " aan.
Als het buiten donker is, gaat de verlichting van de plafonnier en de binnenhandgrepen van de voorportieren automatisch branden als de parkeerlichten worden ingeschakeld. De sfeerverlichting gaat automatisch uit als de parkeerlichten worden uitgeschakeld.
Inschakelen
Ver lic hting
beenruimte
De werking is gelijk aan die van de plafonniers. De lampen gaan branden zodra één van de portieren wordt geopend.
Inschakelen
Druk op het " vergrootglas " om de
lichtsterkte te regelen.
Page 189 of 400

187
6
Veiligheid
308_nl_Chap06_securite_ed02-2013
Automatisch inschakelen
van de alarmknipperlichten
Richtingaanwijzers
Links: beweeg de verlichtingsschakelaar omlaag voorbij het zware punt. Rechts: beweeg de verlichtingsschakelaar omhoog voorbij het zware punt.
Drie keer knipperen
Alarmknipperlichten
Gebruik de alarmknipperlichten om het overige verkeer te waarschuwen in het geval van file, pech, slepen of een ongeval. Druk deze knop in: de richtingaanwijzers knipperen tegelijkertijd. De alarmknipperlichten werken ook als het contact is afgezet.
Beweeg de schakelaar kort omhoog of omlaag, zonder deze door de weerstand te drukken. De desbetreffende richtingaanwijzers zullen drie keer knipperen.
Bij een noodstop - afhankelijk van de mate van remvertraging, als het ABS ingrijpt, maar ook als er een aanrijding wordt gesignaleerd, worden de alarmknipperlichten automatisch ingeschakeld. Zodra er weer gas wordt gegeven gaan de alarmknipperlichten uit. U kunt de alarmknipperlichten echter ook uitschakelen door de knop in te drukken.
Page 190 of 400
188
Veiligheid
308_nl_Chap06_securite_ed02-2013
Claxon
Druk op het middelste gedeelte van het stuur met bedieningstoetsen.
Systeem om uw medeweggebruikers met een geluidssignaal te waarschuwen voor direct g eva a r.
Beperk het gebruik van de claxon tot de volgende gevallen: - direct gevaar, - inhalen van een fietser of voetganger, - naderen van een onoverzichtelijke
situatie.
Urgence-oproep of
Assistance-oproep
Hiermee kunt u een noodoproep of hulpoproep doen naar de hulpdiensten of de desbetreffende PEUGEOT-helpdesk.
Raadpleeg de rubriek "Audio en telematica" voor meer informatie over het gebruik van deze voorziening.
Page 191 of 400

189
6
Veiligheid
308_nl_Chap06_securite_ed02-2013
Bandenspanningscontrolesysteem
Het systeem bewaakt permanent de spanning van de vier banden zodra de auto begint te rijden. Het systeem vergelijkt de signalen van de snelheidssensoren van de wielen met de referentiewaarden die elke keer nadat de banden op spanning zijn gebracht of na het verwisselen van een wiel moeten worden gereset. Het systeem geeft een waarschuwing zodra wordt gesignaleerd dat de spanning van een of meer banden te laag is.
Het bandenspanningscontrolesysteem is niet meer dan een hulpmiddel, hetgeen inhoudt dat de waakzaamheid en verantwoordelijkheid van de bestuurder niet door het systeem kunnen worden vervangen. Het systeem onthoudt u niet van de verantwoordelijkheid om elke maand de bandenspanning te controleren (ook die van het reservewiel). Doe dit ook voordat u een lange rit gaat maken. Het rijden met een te lage bandenspanning heeft een nadelige invloed op het weggedrag en de remweg van de auto en veroorzaakt vroegtijdige bandenslijtage, vooral onder zware omstandigheden (zware belading, hoge snelheden, een lange rit).
Dit systeem controleert automatisch de bandenspanning tijdens het rijden.
De voor uw auto voorgeschreven bandenspanning vindt u op de sticker met de bandenspanningen. Zie de rubriek "Identificatie". De bandenspanning moet worden gecontroleerd als de banden "koud" zijn (de auto staat langer dan een uur stil of er is minder dan 10 km gereden met een beperkte snelheid). Onder andere omstandigheden moet de bandenspanning ten opzichte van de op de sticker vermelde spanning met 0,3 bar worden verhoogd.
Het rijden met een te lage bandenspanning veroorzaakt bovendien een hoger brandstofverbruik.
Page 192 of 400

190
Veiligheid
308_nl_Chap06_securite_ed02-2013
Waarschuwing te lage
bandenspanning Resetten
Controleer voordat u het systeem gaat resetten of de spanning van de vier banden overeenkomstig de gebruiksomstandigheden van de auto en de voorschriften op de sticker met de bandenspanningen is. Het bandenspanningscontrolesysteem geeft geen meldingen als de bandenspanning bij het resetten onjuist is.
U krijgt deze waarschuwing als dit lampje blijft branden in combinatie met een geluidssignaal en, volgens
uitvoering, een melding.
Elke keer nadat u een of meer banden op spanning hebt gebracht en na het verwisselen van een of meer wielen, moet u het systeem resetten. Er is een sticker op de middenstijl aan de bestuurderszijde aangebracht om u hierop attent te maken.
Verminder onmiddellijk uw snelheid en vermijd plotselinge stuurbewegingen en krachtig remmen. Stop zodra dit mogelijk is op een veilige plaats.
Gebruik in het geval van een lekke band de bandenreparatieset of het reservewiel (volgens uitvoering), of controleer als u een compressor in de auto hebt, bijvoorbeeld die van de set voor tijdelijke bandenreparatie, de spanning van de vier banden als deze zijn afgekoeld, of rijd voorzichtig verder als het niet mogelijk is om deze controle onmiddellijk uit te voeren. Een te lage bandenspanning is niet altijd aan de band te zien. Een visuele controle is dus niet voldoende. De waarschuwing blijft actief tot het systeem is gereset.
Page 193 of 400
191
6
Veiligheid
308_nl_Chap06_securite_ed02-2013
Het resetten van het systeem moet gebeuren bij afgezet contact en stilstaande auto.
Druk op " Initialisatie bandensp.controle ".
Bevestig het resetten door op de toets " Ja " te drukken. Als het resetten is voltooid, klinkt een geluidssignaal en wordt een melding weergegeven. Het waarschuwingssysteem voor te lage bandenspanning is alleen betrouwbaar als de vier banden tijdens het resetten de juiste spanning hebben.
Touchscreen
De nieuw opgeslagen drukwaarden worden door het systeem beschouwd als referentiewaarden.
Display C
Druk op de toets MENU om het algemene menu te openen. Druk op de toets " " of " " om het menu Persoonlijke instellingen - configuratiete selecteren en bevestig uw keuze door op
de toets OK te drukken.
Sneeuwkettingen
Het systeem mag niet worden gereset na het aanbrengen of verwijderen van sneeuwkettingen.
Via het menu "Rijhulpsysteem" van het touchscreen:
Page 194 of 400

192
Veiligheid
308_nl_Chap06_securite_ed02-2013
Druk met aangezet contact en stilstaande auto gedurende ongeveer drie seconden op deze knop en laat de knop vervolgens los; het resetten wordt bevestigd door een geluidssignaal.
Display A Storing
Als het waarschuwingslampje te lage bandenspanning gaat knipperen en vervolgens blijft branden in combinatie met het lampje "service", wijst dit op een storing in het systeem.
In dat geval werkt de bandenspanningscontrole mogelijk niet goed. Laat het systeem controleren door het PEUGEOT-netwerk of door een gekwalificeerde werkplaats.
Controleer na werkzaamheden aan het systeem altijd de spanning van de vier banden en reset het systeem vervolgens.
Druk op de toets " " of " " om het menu Configuratie auto instellen te selecteren en bevestig uw keuze door op de toets OKte drukken.
Druk op de toets " " of " " om het menu Rijhulpsysteem , het menu Bandenspanning en vervolgens het menu Resetten te selecteren en bevestig uw keuzes door op de toets OK te drukken. Het resetten wordt bevestigd door een geluidssignaal.
Display A (zonder autoradio)
Page 195 of 400

193
6
Veiligheid
308_nl_Chap06_securite_ed02-2013
Elektronisch stabiliteitsprogramma (ESP: Electronic Stability Control) dat de volgende systemen omvat: - het antiblokkeersysteem (ABS) en de elektronische remdrukregelaar (REF), - de noodremassistentie (AFU), - de antispinregeling (ASR), - de dynamische stabiliteitscontrole (CDS).
Elektronische stabiliteitscontrole (ESP)
Begrippen
Antiblokkeersysteem (ABS) en elektronische remdrukregelaar (REF)
Deze systemen zorgen tijdens het remmen voor een betere stabiliteit en bestuurbaarheid van uw auto en voor een betere controle in bochten, vooral op een slecht of glad wegdek. Het ABS voorkomt het blokkeren van de wielen in het geval van een noodstop. De elektronische remdrukregelaar verdeelt de remdruk over de wielen.
Noodremassistentie (AFU)
Dit systeem zorgt ervoor dat in noodgevallen de optimale remdruk sneller wordt bereikt, zodat de remafstand kleiner wordt. Het systeem wordt ingeschakeld als het rempedaal snel wordt ingetrapt en zorgt ervoor dat de benodigde bedieningskracht wordt verminderd en de effectiviteit van het remmen wordt vergroot.
Antispinregeling (ASR)
De ASR past de aandrijfkracht aan om het doorspinnen van de wielen te beperken via de remmen van de aangedreven wielen en de motor. De ASR zorgt ook voor meer koersstabiliteit bij het accelereren.
Dynamische stabiliteitscontrole (CDS)
Het CDS houdt de vier wielen in de gaten en grijpt, als de koers van de auto afwijkt van de door de bestuurder gewenste richting, automatisch in via de remmen van een of meerdere wielen en het motorkoppel om de auto voor zover mogelijk weer in de juiste koers te brengen.