
2HET RIJDEN MET UW HYUNDAI
16
LET OP:
1. Het waarschuwingssignaal klinkt mogelijk niet regelmatig als het voorwerp achter de auto beweegtof een grillige vorm heeft.
2. De correcte werking van de
parkeerhulp kan verstoord rakenals de bumperhoogte of de inbouwpositie van de sensoren is gewijzigd. Achteraf gemonteerdeaccessoires kunnen het bereik van de sensoren beïnvloeden.
3. Voorwerpen die kleiner zijn dan 40 cm worden mogelijk niet of nietgoed geregistreerd. Wees alert.
4. Als de sensor bedekt is met sneeuw, ijs of vuil, werkt dezemogelijk niet goed totdat deze weer schoon en droog is gemaakt meteen zachte doek.
5. Druk, kras of stoot niet met harde
voorwerpen tegen de sensor.Anders kan het oppervlak van de sensor beschadigd raken. Hierdoor werkt de sensor mogelijkniet goed meer.
! LET OP:
Het systeem werkt alleen in het gebied waar de parkeersensoren zijn geplaatst. Kleine of smallevoorwerpen die zich tussen twee sensoren in bevinden, worden mogelijk niet geregistreerd. Kijkdaarom altijd zelf mee tijdens het achteruitrijden. Informeer bestuurders die onbekendzijn met de auto over de mogelijkheden en beperkingen van het systeem.Schade aan de auto en persoonlijk letsel, ontstaan vanwege het onjuist functioneren van de parkeerhulp,vallen niet onder de garantie. Rijd daarom altijd veilig en voorzichtig.!
5. Bij zware regenval of opspattend
water.
6. Door zenders of mobiele telefoons in de buurt van de sensors.
7. Als de sensor bedekt is met sneeuw. 8. Rijden met een aanhanger. Het sensorbereik kan in de volgende gevallen afnemen: 1. Als de sensor vuil is (de sensor werkt
weer normaal zodra deze schoon is).
2. Bij extreem hoge of lage buitentemperaturen.
De volgende voorwerpen wordenmogelijk niet opgemerkt door de sensoren:
1. Smalle voorwerpen als touwen, kettingen enz.
2. Voorwerpen die de hoogfrequente signalen van de sensor absorberen, zoals kleding, sponsachtige materialen en sneeuw.
3. Bij voorwerpen lager dan 1 meter en smaller dan 14 cm.

44CORROSIEBESCHERMING EN ONDERHOUD VAN DE CARROSSERIE
4ONDERHOUD VAN DE CARROSSERIE
ZE040A2-AX Uw wagen wassen Was uw wagen niet als de carrosserie warm is. Was de wagen altijd in deschaduw. Was uw wagen regelmatig. Stof en vuil kunnen krassen in de lak veroorzakenals het niet tijdig wordt verwijderd. Luchtvervuiling of zure regen heeft een chemische inwerking op de lak en desierlijsten tot gevolg als ze lang op het oppervlak blijven zitten. Als u in kustgebieden woont of in gebieden waarveel gladheidbe- strijdingsmiddelen worden gebruikt of luchtvervuiling voorkomt, moet bijzondere aandachtaan de onderzijde van de wagen worden besteed. Spoel uw wagen met veel water af zodat stof en los vuil wordtverwijderd. 's Winters, of als de wagen door modder is gereden, moet ook de onderzijde grondig worden gereinigd.Gebruik een harde waterstraal waardoor alle vuilafzetting wordt weggespoeld. Gebruik een shampoo van eengerenommeerd merk en volg de gebruiksaanwijzing op. Onderhoudsmiddelen voor de carrosserie zijn bij uw dealer of auto-accessoirewinkel verkrijgbaar. Gebruik geen huishoudmiddelen, benzine, sterke oplosmiddelen of schurendeproducten omdat deze het oppervlak aantasten. Gebruik een schone spons, spoel hem regelmatig uit en oefen niet teveel druk uit. Maak hardnekkig vuil goed nat enwas slechts kleine oppervlakken. Voor het reinigen van de banden moet een harde borstel worden gebruikt. Dewieldoppen moeten m.b.v. een schone spons of een zachte doek en water worden gereinigd. Voor het reinigen vanaluminium velgen moet een zachte zeep of een niet agressief reinigingsmiddel worden gebruikt. Gebruik geen cleaner.Behandel aluminium velgen met speciaal daarvoor verkrijgbare producten. Doordat aluminium door corrosie wordtaangetast, moeten de lichtmetalen velgen vooral in de winter worden beschermd. Als pekel is gestrooid,moeten de velgen grondig worden gereinigd. Na het wassen moet de shampoo zorgvuldig worden weggespoeld. Alsshampoo op de carrosserie opdroogt laat dit strepen na. Bij warm weer en een lage vochtigheidsgraad kan het nodig zijn het oppervlak direct na het wassen af tespoelen om strepen te voorkomen. Droog de wagen na het wassen af met een vochtige zeem of een zachte, vochtabsorberende doek. Hierdoor blijven er geen waterdruppels op decarrosserie achter. Als waterdruppels opdrogen laten ze vlekken na. Oefen bij het drogen niet teveel druk uit aangeziendit de lak kan beschadigen. Als u bij het wassen lakbeschadigingen ontdekt, werk de desbetreffende plaatsen dan bij met hiervoor verkrijgbare lakstiften; op deze wijzewordt corrosie tegengegaan.

6
EENVOUDIG ONDERHOUD
41
BEVEILIGDE CIRCUITS
ABS/ESP regeleenheid, Multifunctionele diagnosestekker ABS/ESP regeleenheid, Multifunctionele diagnosestekker Zekering (PASS.STOEL RV, KOFFERDEKSEL, SIG.AANST. ACHTER, KANTEL, PEDAAL, BWS, JALOEZIE RA) Ruitverwarmingsrelais Aanjagerrelais Zekering (RUIT L, RUIT R) Startrelais, Start-/contactslot (IG2, START) Relais motormanagementregeleenheid, PCM, ECM Zekering (CONTACTSLOTSPOEL, MIST RA), Vermogensaansluiting Start-/contactslot (ACC, IG1) Gezekerde verbinding (ABS1, ABS2, ACHTERRUITVERW., AANJAGER) Claxonrelais Achterlichtrelais Regeleenheid motormanagementsysteem (Benzine) TCM (Diesel) Relais sirene diefstalbeveiliging, Relais portiervergrendeling Relais mistlampen voor Airco-relais Brandstofpomprelais Niet gebruikt Automaat inschakelrelais Remlichtschakelaar Relais gasontladingslampen Plafondlampje (Motor schuifdak) Koplampsproeierrelais Koplamprelais (grootlicht) Regeleenheid motormanagementsysteem, TCM, Dynamo Inspuitventiel, Airco-relais, Ventilatorrelais, Zuurstofsensor Luchtmassasensor, regeleenh. motormanagementsyteem, oliedrukregelklep, Klep variabel inlaatspruitstuk, Nokkenasstandsensor, EGR-actuator Zuurstofsensor, Brandstofpomprelais, PCM, VGT-actuator Remlichtschakelaar, Functieschakelaar automaat, Pulsgenerator, Snelheidssensor Bobine (Benzine), Condensor (Benzine) Regeleenheid motormanagementsysteem, ECM, Luchtmassasensor Koplamprelais (dimlicht) ABS/ESP regeleenheid, Multifunctionele diagnosestekker
BENAMING
ABS1 ABS2
I/P (B+)1 RR HTD
BLOWER P/WDW
IGN2
ECU RLY
I/P (B+)2 IGN1
ALT
1 2 3 4 5 6 7 8 9
1011 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 HORN
TAIL
ECU IG1
DRL
FR FOG
A/CON
F/PUMP
DIODE ATM
STOP
H/LP LO RH
S/ROOF
H/LP WASHER
H/LP HI
ECU (B+)
SNSR3 SNSR1 SNSR2
B/UP
IGN COIL
ECU (IG1) H/LP LO
ABS WAARDE
40A 20A 40A 40A 40A 40A 40A 30A 30A 30A
150A
15A 20A 10A 10A 15A 15A 10A 20A -
20A 15A 15A 15A 20A 20A 10A 10A 15A 15A 10A 20A 10A 20A 10A

7EMISSIE REGELSYSTEEM
2
ZH010B1-AX
1. Carterventilatieysteem Het gesloten carterventilatiesysteem is ontworpen teneinde te voorkomen dat carterdampen in de atmosfeerterecht komen. Dit systeem zorgt er voor dat het carter via het luchtfilter wordt geventileerd. Deze verse luchtvermengt zich met de carterdampen waarna deze lucht via de positieve carterventilatieklep naar hetinlaatsysteem van de motor wordt teruggevoerd.Actief koolfilter Als de motor niet "Draait", ontstaat
brandstofdamp in de tank, die in het actief koolfilter geabsorbeerd en opgeslagen wordt. Als de motor"Draait", wordt de brandstofdamp opgeslagen in het actief koolfilter, afgezogen via de elektrisch bediendeklep.
Elektrisch bediende klep De elektrisch bediende klep wordt
"Gestuurd" door de Elektronische Bedieningseenheid; als de motorkoelvloeistoftemperatuur laag is,en tijdens stationair draaien van de motor is de klep gesloten, waardoor géén brandstofdamp in de inlaatbuisvan het luchtinlaatsysteem komt. Nadat de motortemperatuur op
bedrijfsniveau is gekomen, engedurende normaal rijden, wordt brandstofdamp door de geopende klep naar de luchtinlaatbuis afgevoerd.UITSTOOT BEHEERSSYSTEEM
ZH010A1-FX Uw Hyundai is uitgerust met een uitstoot beheerssysteem om te voorzien in alle eisen van de voor uwland van toepassing zijnde overheidseisen. Er zijn drie uitstoot beheerssystemen, ni.:
(1) Carterdamp beheerssysteem
(2) Brandstofdamp beheerssysteem
(3) Uitlaatgas beheerssysteem Om er zeker van te zijn dat dit regelsysteem optimaal blijft functioneren moet uw wagen overeenkomstig hetonderhoudsschema in deze handleiding door een Hyundai dealer worden onderhouden. ZH010C1-AX
2. Beheersingssysteem
Dampuitstoot
Het beheersingssysteem van de
dampuitstoot is ontworpen om te voorkomen dat brandstofdampen ontsnappen naar de buitenlucht.

8INFORMATIE VOOR DE EIGENAAR
6RESERVEWIEL EN GEREEDSCHAP
I100A02NF-GXT Uw Hyundai wordt geleverd met het
volgende:
Reservewiel (1) Stang (2) Krik (3) Wielmoersleutel (4) Gereedschapvak (5) Schroevendraaier
7I100A01NF-1
WAARSCHUWING:
o Het rijden met versleten banden is gevaarlijk! Door versleten banden kan het optimale remvermogen verloren gaan, kunt u de macht over het stuurverliezen en wordt de grip op het wegdek verminderd. Gebruik geen diagonaalbanden.
o Als gebruik wordt gemaakt van andere dan de aanbevolen velgenen banden, dan kan dit ongewenste rij-eigenschappen tot gevolg hebben. Hierdoor kunnendodelijke of ernstige verwondingen en/of beschadigingen ontstaan.
o Banden verouderen na verloop van tijd, zelfs wanneer ze nietworden gebruikt.Het verdient aanbeveling ombanden bij normaal gebruik overhet algemeen na zes (6) jaar te vervangen, ongeacht de resterende profieldiepte.
!Warmte ten gevolge van het rijden in een warm klimaat of hetregelmatig met zware belading rijden kunnen het verouderingsproces versnellen.Het niet opvolgen van deze waarschuwing kan resulteren in een kapotte band. Hierdoor kuntu de controle verliezen, waardoor een ongeluk met ernstig letsel of schade het gevolg kan zijn.
o Het ABS vergelijkt de snelheid
van de wielen. De bandenmaatheeft invloed op de snelheid van de wielen. Zorg er bij het vervangen van de banden voordat ze dezelfde maat hebben als de originele banden. Wanneer banden van een ander formaatworden gebruikt, werken het ABS (antiblokkeersysteem) en het ESP (voertuigstabiliteitsregeling)(indien gemonteerd) mogelijk niet goed meer.

10INHOUD
2
A Aanbevolen bandenspanning ........................................ 8-2
Aansteker ................................................................... 1-89
Airbagsysteem ............................................................ 1-46
Asbak ......................................................................... 1-91
Accu controleren ......................................................... 6-25
Airconditioning .......................................................... 1 -128
Achteruitkijkspiegel ................................................... 1 -103
Algemene controles ...................................................... 6-4
Als de motor niet aanslaat ........................................... 3-2
Als de motor te heet wordt ........................................... 3-4
Als uw auto moet worden gesleept ............................ 3-10
Antenne .................................................................... 1 -138
Anti-blokkeersysteem (ABS) ....... ................................2-12
Audiosysteem ........................................................... 1 -138
Automatische snel heidsregeling ................................ 1 -118
Automatische transmissie ............................................ 2-7
Automatische verwarmings en koelings systeem ..... 1 -125
B Bagagenet ................................................................ 1 -107
Banden ......................................................................... 8-2
Banden vervangen ........................................................ 8-5
Bediening verwarming en koeling ............................. 1-123
Bekerhouder ................................................................ 1-91Benzinemeter
.............................................................. 1-71
Beschrijving zekeringhouder .......................................6-40
Bij verlies van sleutels ............................................... 3-13
Boordcomputer ............................................................ 1-74
Brandstofvoorschriften .................................................. 1-2
Brillenvak .................................................................... 1-98
Buitenspiegel ............................................................ 1-100
Buitenspiegel verwatming ... ......................................1-101
C Centrale deurvergrendeling .......................................... 1-11
Claxon ...................................................................... 1-115
Corrosie voorkomen ...................................................... 4-2
DDashboardkastje ......................................................... 1-99
Diefstalbeveil igingsinstallatie .....................................1-12
EEconomisch rijden ...................................................... 2-18
Elektrisch aanslui tpunt ............................................... 1-90
Elektrisch bediende ruiten .......................................... 1-17
Elektrisch verstelbare stoelen voor ............................1-22
Elektronische stabiliteitsregeling (ESP) ......................2-13