134
Rijden
Lampje van de knopRolknop
snelheidsregelaar Symbolen
DisplayAanwijzingen
Groen CRUISE
(groen) / (grijs)
(grijs) Drive Assist Plus onderbroken.
Snelheidsregelaar en Lane Positioning Assist
zijn onderbroken.
Meldingen Rijsituaties
" Activeer de snelheidsregelaar om het Lane Positioning Assist te
gebruiken" Activering van de Lane Positioning Assist terwijl de snelheidsregelaar niet actief is.
" Omstandigheden niet geschikt - In afwachting van inschakeling" Activering van Lane Positioning Assist terwijl er niet aan alle voorwaarden is voldaan.
" Houd uw handen op het stuurwiel" Langere tijd rijden zonder het stuurwiel vast te houden of terwijl het s\
tuurwiel verkeerd
of onvoldoende stevig wordt vastgehouden.
" Houd het stuurwiel vast" Lane Positioning Assist wordt op dat moment of spoedig uitgeschakeld.
" Neem controle over de auto over" Gelijktijdig uitschakelen van de snelheidsregelaar en de Lane Positionin\
g Assist.
Werkingslimieten
Het systeem kan een waarschuwing geven
wanneer de auto op een lange, rechte weg
rijdt met een effen wegdek, zelfs als de
bestuurder denkt dat hij het stuurwiel goed
vasthoudt.
In de volgende situaties werkt het systeem mogelijk
niet of voert het onjuiste stuurcorrecties uit:
–
slecht zicht (onvoldoende wegverlichting,
sneeuwval, regen, mist). –
Bij verblinding (verlichting van een tegenligger
,
laagstaande zon, spiegeling op een nat wegdek,
uitrijden van een tunnel, afwisseling van schaduw
en licht).
–
W
anneer het gedeelte van de voorruit vóór de
camera vuil, beslagen, bevroren, bedekt door
sneeuw, beschadigd of bedekt door een sticker is.
–
W
anneer rijstrookmarkeringen zijn beschadigd,
deels niet zichtbaar zijn door sneeuw of modder, of
bij meerdere rijstrookmarkeringen (weggedeelte met
werkzaamheden, wegdekovergangen).
–
Bij het rijden in een scherpe bocht.
– Bij het rijden op bochtige wegen.
– aanwezigheid van een voeg in het wegdek.
Kans op ongewenst activeren
Het systeem moet in de volgende gevallen worden uitgeschakeld:
–
rijden met een "noodreservewiel";
–
bij het trekken van een aanhanger of
vervoeren van fietsen op een fietsendrager,
vooral bij een niet aangesloten of niet
goedgekeurde aanhanger;
–
slechte weersomstandigheden;
139
Rijden
6– De veiligheidsgordel van de bestuurder is
losgemaakt en het portier is geopend.
Zodra de snelheid lager is dan 70 km/h,
gaat het systeem over in de wachtstand.
De rijtijd wordt weer geteld als de snelheid hoger
dan 70
km/h is.
Waarschuwing voor
bestuurder via camera
Het systeem beoordeelt de waakzaamheid, moeheid en mate van afleiding van de
bestuurder door afwijkingen in de koers van de auto
ten opzichte van de rijstrookmarkeringen te
detecteren.
Hiervoor gebruikt het systeem een camera die
boven aan de voorruit is geplaatst.
Dit systeem is vooral geschikt voor auto(snel)wegen
(snelheden hoger dan 70
km/h).
Het systeem kan een leerprocedure uitvoeren, die tot 30 minuten kan duren
nadat het bewaken wordt gestart.
In deze periode wordt het rijgedrag van de
bestuurder geanalyseerd en er wordt geen
waarschuwing gegeven.
Bij een waarschuwing op het eerste niveau wordt
de bestuurder gewaarschuwd door de melding
" Voorzichtig!", samen met een geluidssignaal.
Na drie waarschuwingen van het eerste niveau
activeert het systeem een nieuwe waarschuwing
met de melding "Doorrijden risicovol: las een
rustpauze in", in combinatie met een harder
geluidssignaal.
Onder bepaalde omstandigheden (slecht wegdek of harde windstoten) kan het
systeem waarschuwingen geven zonder dat er
sprake is van vermoeidheid bij de bestuurder.
Het systeem werkt in de volgende situaties mogelijk minder goed of helemaal niet:
–
Lane Positioning
Assist is ingeschakeld.
–
slecht zicht (bijvoorbeeld door onvoldoende
straatverlichting, zware regen, dikke mist of
sneeuwval).
–
verblinding (bijvoorbeeld door koplampen van
tegenliggers, laagstaande zon, weerspiegeling op
een nat wegdek, uitrijden van een tunnel of snelle
overgangen tussen schaduw en licht).
–
gedeelte van de voorruit vóór de camera (het
is bijvoorbeeld vuil, beslagen, bevroren, bedekt
door sneeuw, beschadigd of bedekt door een
sticker).
–
rijstrookmarkeringen afwezig, versleten, niet
zichtbaar (bijvoorbeeld door sneeuw of modder of
dode bladeren) of meerdere rijstrookmarkeringen
(weggedeelte met werkzaamheden).
–
geringe afstand tot de voorligger (geen
detectie van wegmarkeringen).
–
smalle, bochtige wegen.
Uitschakelen / inschakelen
Standaard wordt de functie automatisch
ingeschakeld als de motor wordt gestart.
De instellingen kunnen worden gewijzigd via ADAS op het touchscreen.
of
Directe toegang tot de Snelkoppelingen voor
rijhulpsystemen.
Het uitschakelen wordt bevestigd door het branden van dit controlelampje op het
instrumentenpaneel.
Storing
Bij een storing gaat dit waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel branden, in
combinatie met een melding en een geluidssignaal.
Laat het systeem door een PEUGEOT-dealer of
door een gekwalificeerde werkplaats controleren.
Dit waarschuwingslampje gaat op het instrumentenpaneel branden met de melding
" Drive Assist-sensor vervuild: maak de sensor
140
Rijden
schoon, zie handleiding" als de sensor wordt
afgedekt.
Dit is normaal; u hoeft hiervoor geen contact op te
nemen met een werkplaats.
Stop de auto in dat geval en controleer of de camera
aan de voorzijde met vuil, modder, zand, sneeuw, ijs
of iets anders is afgedekt waardoor de sensor niet
goed werkt.
Het systeem werkt weer normaal als het
detectiegebied is gereinigd.
Active Lane Departure Warning
Raadpleeg voor meer informatie de
algemene adviezen over het gebruik van
de rij- en parkeerhulpsystemen.
Het systeem corrigeert de koers van de auto door
de bestuurder te waarschuwen zodra het een risico
op het ongewenst verlaten van de rijstrook of het
rijden richting een berm of vluchtstrook detecteert
(afhankelijk van de uitvoering).
Hiervoor gebruikt het systeem een camera die
boven aan de voorruit is geplaatst en die de
rijstrookmarkeringen op de grond en de wegranden
herkent (afhankelijk van de uitvoering).
Dit systeem is met name nuttig op snelwegen en
autowegen.
Werkingsvoorwaarden
– Rijsnelheid tussen 70 en 180 km/u.
– W eg voorzien van een middenstreep.
–
Stuurwiel met beide handen vastgehouden.
–
Richtingaanwijzers uit bij activering van het
systeem.
–
ESP
ingeschakeld en in werking.
Het systeem assisteert de bestuurder uitsluitend als de auto ongewild de rijstrook
dreigt te verlaten. Het zorgt niet dat de auto een
veilige afstand of snelheid aanhoudt en grijpt ook
niet in op het remsysteem van de auto.
De bestuurder moet het stuurwiel met beide
handen vasthouden, zodat hij of zij de controle
behoudt wanneer de omstandigheden ervoor
zorgen dat het systeem niet meer kan ingrijpen
(bijvoorbeeld als de middelste rijstrookmarkering
op het wegdek niet meer zichtbaar is).
Werking
Zodra het systeem een risico op het ongewenst
overschrijden van een van de rijstrookmarkeringen
op de grond of een rand van de rijbaan (zoals een
berm) detecteert, voert het een koerswijziging uit om
de auto weer binnen de rijstrook te brengen.
De bestuurder kan bewegingen in het stuurwiel
voelen.
Dit waarschuwingslampje knippert gedurende de koerscorrectie.
De bestuurder kan de correctie voorkomen door het stuurwiel stevig vast te houden
(bijvoorbeeld tijdens een uitwijkmanoeuvre).
De correctie wordt meteen onderbroken als de
richtingaanwijzers worden ingeschakeld.
Zolang de richtingaanwijzers zijn ingeschakeld
en gedurende enkele seconden nadat ze zijn
uitgeschakeld, beschouwt het systeem elke
afwijking van de koers als gewild en worden er geen
correcties uitgevoerd.
Rijomstandigheden en bijbehorende waarschuwingen
In de onderstaande tabel ziet u een beschrijving van de waarschuwingen e\
n meldingen die in verschillende rijomstandigheden worden weergegeven.
De werkelijke volgorde van de weergave van deze waarschuwingen kan afwij\
ken.
226
Index
Gevarendriehoek 180
Gewichten
198–201
Grootlicht
189
H
Handgrepen 59
Handsfree achterklep
40–41
Handsfree set
213
Handsfree toegang
40–41
Hifisysteem
61
Hill-Holder ~ Hill Start Assist
112–113
Hoedenplank
64
Hoek van de stoel
47
Hoek van de stoel verstellen
47
Hoofdsteunen achter
51–52
Hoofdsteunen verstellen
46
Hoofdsteunen vóór
46
Hoogspanning
154
Hoogte- en diepteverstelling stuurwiel ~
Stuurverstelling
49
Hulpoproep
81–82
I
Identificatiegegevens 203
Identificatieplaatjes constructeur
203
Identificatie (stickers)
203
Indeling achter
63
Indeling bagageruimte ~ Bagageruimte,
indeling
64–65
Indeling interieur ~ Interieurindeling
59–60
Inductielader
60
Infraroodcamera
74, 117
Inhoud brandstoftank ~ Brandstoftank
(inhoud)
152
Instapverlichting
71
Instellen van de uitrustingen
10, 24
Instellingen bestuurder (opslaan) ~
Bestuurdersplaats (instellingen)
48
Instrumentenpaneel
10, 22–23, 23, 118
Instrumentenpanelen
10
Interieurfilter
53, 173
Interieurfilter (vervangen)
173
Interieurverlichting
62
ISOFIX (bevestigingen)
94, 99
ISOFIX bevestigingen
94, 99
ISOFIX kinderzitjes
94–95, 99
K
Kaartenhouder 59
Kaartleeslampjes
62
Keyless entry and start
29–31, 103–104
Kilometerteller
22
Kinderbeveiliging
99–100
Kinderen
87, 94–95
Kinderen (veiligheid)
99
Kinderzitjes
87, 91–92, 95
Kinderzitjes (conventioneel)
95, 99
Kinderzitjes i-Size 95, 99
Klep laadaansluiting
(plug-in hybride)
156, 162–164
Klep van de laadaansluiting
164
Kleurcode lak
203
Klokje (instellen)
219
Koelvloeistof
172
Koelvloeistoftemperatuur
19
Koelvloeistoftemperatuurmeter
19
Kofferdeksel sluiten
30, 37
Koplampen
72
Koplampverstelling
70
Krik
181–182, 184
L
Laadkabel 159
Laadkabel (plug-in hybride)
157–158, 163
Laadniveaumeter (plug-in hybride)
22
Laadstekker (plug-in hybride)
156, 162–164
Laadtoestand van de tractiebatterij
25
Laden accu ~ Accu laden
190, 192, 194
Laden tractiebatterij
159
Laden via een normaal stopcontact
159
Lader voor versneld laden (wallbox)
157–158
Lak
178, 203
Lampen (vervangen)
188–189
Lampen vervangen
188–189
Lane Departure Warning System
140
Lane keeping system
126, 130–132
Leder (onderhoud)
179