
106
Praktische informatie
Type vloeistof
De vloeistof moet worden bijgevuld met een
kant-en-klaar mengsel.
's Winters (bij temperaturen beneden het
vriespunt) moet een voor de omstandigheden
geschikte vloeistof met antivries worden gebruikt
om de onderdelen van het systeem (pomp,
reservoir, leidingen enz.) te beschermen.
Vul het reservoir nooit bij met kraanwater
(kans op bevriezing, kalkafzetting enz.).
AdBlue (BlueHDi)
Er verschijnt een waarschuwing zodra het
reserveniveau is bereikt.
Zie het betreffende hoofdstuk voor meer
informatie over de meters en met name de
indicatoren voor de AdBlue-actieradius.
Vul het AdBlue-reservoir bij om te voorkomen dat
de motor om wettelijke redenen niet meer kan
worden gestart.
Zie het desbetreffende hoofdstuk voor meer
informatie over AdBlue
® (BlueHDi) en met name over het bijvullen van AdBlue.
Controles
Controleer, tenzij anders aangegeven, deze
onderdelen conform het onderhoudsschema
van de fabrikant dat betrekking heeft op de
motoruitvoering van uw auto.
Laat de controles anders uitvoeren door het
PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats.
Gebruik uitsluitend door PEUGEOT
aanbevolen producten of gelijkwaardige
kwaliteitsproducten.
Om de werking van belangrijke onderdelen
als het remsysteem te optimaliseren,
selecteert en biedt PEUGEOT specifieke
producten aan.
12 V-accu
De accu is onderhoudsvrij.
Niettemin is het raadzaam om regelmatig
te controleren of de accupoolklemmen goed
vastzitten (bij uitvoeringen zonder snelsluiting
voor de accupoolklemmen) en of de
aansluitingen schoon zijn.
Raadpleeg voordat u werkzaamheden
uitvoert aan de 12 V-accu de
desbetreffende rubriek voor meer informatie
en de te nemen voorzorgsmaatregelen.
Uitvoeringen met het Stop & Start-
systeem zijn voorzien van een speciale
12 V-loodaccu.Deze accu mag uitsluitend worden vervangen
door het PEUGEOT-netwerk of door een
gekwalificeerde werkplaats.
Luchtfilter
Als de omgeving en het gebruik (veel stof, veel stadsverkeer...) daartoe aanleiding
geven, moet het twee keer zo vaak worden
vervangen.
Interieurfilter
Als de omgeving en het gebruik (veel stof, veel stadsverkeer...) daartoe aanleiding
geven, moet het twee keer zo vaak worden
vervangen.
Een verstopt interieurfilter kan de
prestaties van de airconditioning
verstoren en onaangename geuren
veroorzaken.
Oliefilter
Laat bij het olie verversen tevens het
oliefilter vervangen.
Roetfilter (diesel)
Als aanvulling op de katalysator levert dit filter
een actieve bijdrage aan het verbeteren van
de luchtkwaliteit door het tegenhouden van
onverbrande vuildeeltjes. Ook wordt zwarte
uitlaatrook voorkomen.
Werking
Dit filter, dat is opgenomen in het
uitlaatsysteem, slaat roetdeeltjes op. De
motormanagementcomputer regelt automatisch
en periodiek de verbranding van de opgeslagen roetdeeltjes (regeneratie).
De regeneratie vindt plaats als aan
bepaalde voorwaarden met betrekking tot
het aantal opgeslagen roetdeeltjes en de
gebruiksomstandigheden van de auto wordt
voldaan. Als er een regeneratie plaatsvindt, kunt
u dit merken aan enkele verschijnselen (een
hoger stationair toerental, inschakelen van de
koelventilator, meer rook uit de uitlaat en hogere
temperatuur van de uitlaat) die geen gevolgen
hebben voor de werking van de auto en het
milieu.
Nadat u langdurig met lage snelheden
hebt gereden of nadat de motor
langdurig stationair heeft gedraaid, kan het in
uitzonderlijke gevallen voorkomen dat
waterdamp bij de uitlaat zichtbaar is bij het
gas geven. Dit is niet van invloed op de
werking van de auto of het milieu.
Vanwege de hoge uitlaattemperatuur als
gevolg van de normale werking van het
roetfilter is het raadzaam de auto uit de buurt
van brandbaar materiaal (gras, dorre
bladeren, dennenaalden, enz.) te parkeren
om brandgevaar te voorkomen.
Verzadiging/regeneratie
Bij het gevaar van verstopping van het roetfilter gaat dit lampje branden in

108
Praktische informatie
moet de parkeerrem, zelfs tussen twee
onderhoudsbeurten door, worden afgesteld.
Laat het systeem door een PEUGEOT-dealer of
een gekwalificeerde werkplaats controleren.
Brandstoffilter
Het brandstoffilter bevindt zich in de motorruimte,
vlak bij het remvloeistofreservoir.
Als dit verklikkerlampje brandt, moet het water in het filter worden afgetapt.
U kunt ook bij elke verversing van de motorolie
water in het brandstoffilter aftappen.
Het water uit het filter aftappen
► Sluit een transparante slang aan op de knop
van de ontluchtingsschroef ( 1).► Steek het andere uiteinde van de transparante slang in een bak.
► Draai de ontluchtingsschroef (2) los.► Zet het contact aan.► Wacht totdat de spoelpomp stopt.► Schakel het contact uit.► Draai de ontluchtingsschroef (2) vast.► Verwijder de transparante slang en laat deze en de bak leeglopen.► Start de motor.► Controleer of er geen lekkage is.
In de HDi-motoren is veel hoogwaardige
technologie toegepast. Voor alle
werkzaamheden zijn speciale kwalificaties
nodig, die een PEUGEOT-dealer of
gekwalificeerde werkplaats kan bieden.
Velgen en banden
De bandenspanning van alle banden,
inclusief het reservewiel, moet worden
gecontroleerd terwijl de banden koud zijn.
De bandenspanningswaarden op de sticker
gelden voor koude banden. Als u langer dan 10
minuten of meer dan 10 km met een snelheid
van meer dan 50 km/h hebt gereden, moet u
een 0,3 bar (30 kPa) hogere bandenspanning
ten opzichte van de op de sticker aangegeven
waarden aanhouden.
Een te lage bandenspanning leidt ook tot
een hoger brandstofverbruik. Een
onjuiste bandenspanning veroorzaakt
vroegtijdige slijtage van de banden en heeft
een negatieve invloed op het weggedrag van
de auto. Kans op een ongeval!
Het rijden met versleten of beschadigde
banden vermindert de remwerking en heeft
een negatieve invloed op het weggedrag. Het
wordt aanbevolen om regelmatig de staat van
de banden (profiel en wangen) en velgen te
inspecteren en te controleren of de banden over
een ventieldop beschikken.
Als de slijtage-indicatoren niet meer onder
het loopvlakprofiel liggen, is de diepte van de
groeven minder dan 1,6 mm. De banden moeten
worden vervangen.
Het gebruik van wielen en banden in een andere
maat dan gespecificeerd kan van invloed zijn op
de levensduur van de banden, het draaien van
de banden, de bodemvrijheid en de waarde op
de snelheidsmeter, en kan een nadelig effect op
de wegligging hebben.
Gebruik altijd dezelfde banden op de voor-
en achteras, anders kan het elektronische
stabiliteitsprogramma (ESP) niet meer op het
juiste moment ingrijpen.AdBlue®
(BlueHDi-motoren)
Om het milieu zo min mogelijk te belasten en
om aan de nieuwe Euro 6-norm te voldoen,
heeft PEUGEOT ervoor gekozen zijn auto's met
dieselmotor te voorzien van een systeem waarbij
het roetfilter (FAP) wordt gecombineerd met een
SCR-systeem (Selective Catalytic Reduction)
voor de behandeling van de uitlaatgassen
zonder dat de prestaties veranderen of het
brandstofverbruik toeneemt.
SCR-systeem
Met behulp van een vloeistof die AdBlue® wordt
genoemd en ureum bevat, kan een katalysator
tot 85% van de stikstofoxide (NOx) omzetten in
stikstof en water (deze stoffen zijn niet schadelijk
voor de gezondheid en het milieu).
De AdBlue
® bevindt zich in een specifiek
reservoir van ongeveer 19 liter.

11 2
In geval van pech
Bandenreparatieset
Deze bandenreparatieset is in een zak in een
van de voorportieren opgeborgen.
De set bestaat uit:– een patroon A met afdichtmiddel, voorzien
van:
• een vulbuis B; • een sticker C met de aanduiding "Max. 80 km/u", die de bestuurder binnen het
gezichtsveld moet aanbrengen (op het
dashboard) nadat de band is gerepareerd;
– een korte handleiding voor de reparatieset; – een compressor D met drukmeter en
aansluitingen;
– adapters, voor het oppompen van diverse componenten.
Reparatie van een band
► Schakel de parkeerrem in.
► Draai het dopje van het bandventiel los, verwijder de vulslang ( B) en draai de ring (E) op
het ventiel.
► Zorg dat de schakelaar van de compressor (F) in de stand 0 (uit) staat.► Start de motor .► Steek de stekker (G) in de dichtstbijzijnde
aansluiting op het voertuig.
► Bedien de compressor door de schakelaar (F) in de stand I (aan) te zetten.► Pomp de band op met een druk van 5 bar .Voor een nauwkeurigere waarde raden wij u aan
om de spanningswaarde op de drukmeter (H)
met de compressor uitgeschakeld te controleren.
► Als u niet binnen 5 minuten een druk van minimaal 3 bar kunt bereiken, koppel
de compressor los van het ventiel en de
voedingsaansluiting, en rijd het voertuig dan
ongeveer 10 meter vooruit om het afdichtmiddel
in de band te verspreiden.
► Herhaal dan de procedure voor het oppompen:
• als u niet binnen 10 minuten een druk van minimaal 3 bar kunt bereiken, zet het
voertuig stil: de schade aan de band is te
groot en kan niet worden gerepareerd. Neem
contact op met een PEUGEOT-dealer of een
gekwalificeerde werkplaats.
• als de bandenspanning een waarde van 5
bar bereikt, start de motor dan onmiddellijk.
► Wanneer u ongeveer 10 minuten hebt gereden, stop het voertuig en controleer de
bandenspanning dan opnieuw.
► Pomp de band op tot de juiste bandenspanning in overeenstemming met de
sticker op de stijl aan de bestuurderszijde en
neem zo snel mogelijk contact op met een
PEUGEOT-dealer of een gekwalificeerde
werkplaats.
Deze bandenreparatieset en de
vervangende patronen zijn verkrijgbaar
bij een PEUGEOT-dealer.
De spanning controleren en
herstellen
De compressor kan alleen worden gebruikt
om de bandenspanning te controleren en te
herstellen.
► Koppel de slang (I) los en sluit deze direct
aan op het bandventiel; de patroon wordt dan
op de compressor aangesloten en er wordt geen
afdichtmiddel ingespoten.
Als de band leeg moet, sluit de slang ( I) aan op
het bandventiel en druk op de gele knop in het
midden van de schakelaar op de compressor.
De patroon vervangen

11 3
In geval van pech
8
► Koppel de slang (I) los en sluit deze direct
aan op het bandventiel; de patroon wordt dan
op de compressor aangesloten en er wordt geen
afdichtmiddel ingespoten.
Als de band leeg moet, sluit de slang ( I) aan op
het bandventiel en druk op de gele knop in het
midden van de schakelaar op de compressor.
De patroon vervangen
Ga als volgt te werk om de patroon met
afdichtmiddel te vervangen:
► Sluit de slang (I) aan.► Draai de oude patroon linksom en trek deze eruit.► Plaats de nieuwe patroon en draai deze rechtsom.► Sluit de slang (I) en de leiding (B) weer in
positie aan.
De patroon bevat ethyleenglycol, wat bij
inslikken schadelijk is en de ogen
irriteert.
Buiten het bereik van kinderen houden.
Gooi de patroon na gebruik niet weg, maar lever deze in bij een PEUGEOT-
dealer of een officieel inzamelpunt.
Reservewiel
Parkeerstand
► Zet de auto stil op een plaats waar het verkeer niet gehinderd wordt en zorg ervoor dat
de auto op een horizontale, stabiele en stroeve
ondergrond staat.
► Op een hellende of beschadigde ondergrond moet de auto tegen wegrollen worden beveiligd
(plaats een wielblok achter het wielen).
► Schakel bij een auto met een handgeschakelde versnellingsbak de eerste versnelling in en zet vervolgens het contact uit
om de wielen te blokkeren.
► Trek de parkeerrem aan en controleer of het lampje op het instrumentenpaneel brandt.► Controleer of de inzittenden de auto hebben verlaten en zich op een veilige plaats bevinden.► Trek een reflecterende veiligheidsvest aan en duid aan dat de auto stilstaat door gebruik
te maken van de hiervoor bestemde, wettelijk
verplichte middelen in het land waar u rijdt
(gevarendriehoek, alarmknipperlichten, enz.).
► Voorzie uzelf van het gereedschap.
Speciale functie met pneumatische
ophanging
Wanneer uw voertuig is uitgerust met deze
functie, kunt u de hefmodus voor het voertuig
activeren voordat u het voertuig met een krik
opheft.
Bij voertuigen met het stuur rechts bevinden de
toetsen zich rechts van het stuurwiel.

154
Specifieke kenmerken
Specificaties
UitrustingDetail
Kiepwagen Het laadbed van de kiepwagen bestaat uit twee balken van hoogwaardig staal, 2,5 mm dik, verzinkt, met
laserlassen in het midden en in de lengte.
In de carrosseriekleur gespoten kiepwagen
Structuur van de kiepwagen 2 hoofdzijbalken in gegalvaniseerd hoogwaardig staal.
1 dwarsbalk aan bovenkant hefcilinder van stalen buizen.
Dwarsbalken van gegalvaniseerd, hoogwaardig staal. Montage beschermd tegen corrosie met een
poedercoating.
Subframe 2 C-vormige zijbalken van hoogwaardig staal, dikte 2,5 mm, intern bevestigd met bredere onderste
spatscherm.
Gemonteerd op het basisvoertuig met gestanste steunen van hoogwaardig st\
aal.
1 dwarsbalk van staal aan onderkant hefcilinder, mechanisch gelaste buis, thermisch verzinkt.
1 dwarsbalk met achterste scharnier in gegalvaniseerd staal.
Steunaanslagen op uiteinden van zijbalk.
Beschermingsrooster achterlichten.
Zijbeschermingen truck en spatbordsteunen in gegalvaniseerd staal.
Platen Platen van hoogwaardig staal, dikte 15/10, koudgewalst en gemonteerd door continu laserlassen.
Anticorrosiebescherming gegarandeerd door een behandeling met poedercoat\
ing.
Vergrendelhandgrepen met verstevigde, zinkcoating, geïntegreerd in de uitsparing van de plaat.
Ladderhouder Rails van gegalvaniseerd staal. Panelen en dwarsbalken in gelakt staal met gekrompen bouten.
Elektropomp 12 V/2 kW.
Bedrijfstemperatuur: -20 tot +70 °C.
Hydraulische cilinder Expansie, stang van nitride, 3 behuizingen, Diam: 107 mm.
Maximale druk: 20 bar.
Hydraulische olie Mineraal van het type ISO HV 46 of vergelijkbaar.
Kiepwagen
De laadklep kan omhoog worden gezet met een
hydro-elektrische eenheid die door de accu van
het voertuig wordt gevoed.
De klep wordt omhoog of omlaag gezet door op
de bijbehorende toetsen van de magnetische en
verwijderbare afstandsbediening in een steun in
de cabine te drukken.
De laadklep wordt omhoog gezet met de motor
van de eenheid.
De laadklep wordt omlaag gezet met een
magneetklep die de olieretour van de poot opent.
Een antivalsysteem zorgt dat de laadklep veilig
omlaag kan worden gezet, zowel vanuit stilstand
als vanuit omhoog zetten.
Veiligheidsvoorschriften
Rijd nooit terwijl de laadklep omlaag
staat.
Zorg dat er tijdens het lossen geen mensen
of obstakels aanwezig zijn (op de grond en
hoger).
Laat de laadbak nooit omhoog staan wanneer
u deze niet gebruikt.
Kiep altijd met het bovenste deel van de
achterste laadklep vergrendeld.
Neem de maximale belasting op het
tarraplaatje op het voertuig in acht.
Controleer regelmatig of de ophanging in
goede staat is en of de banden met de
aanbevolen bandenspanning zijn opgepompt.
Verdeel de lading gelijkmatig over de
kiepwagen.
Vervoer gelijkmatige producten die
gemakkelijk stromen.
Rijd nooit met de laadbak omhoog, ook niet
langzaam.
Kiep op een vlakke, harde ondergrond; op
hellingen of losse grond kan het
zwaartepunt zich verplaatsen, waardoor de
stabiliteit van het voertuig in gevaar komt.

155
Specifieke kenmerken
10Specificaties
UitrustingDetail
Kiepwagen Het laadbed van de kiepwagen bestaat uit twee balken van hoogwaardig staal, 2,5 mm dik, verzinkt, met
laserlassen in het midden en in de lengte.
In de carrosseriekleur gespoten kiepwagen
Structuur van de kiepwagen 2 hoofdzijbalken in gegalvaniseerd hoogwaardig staal.
1 dwarsbalk aan bovenkant hefcilinder van stalen buizen.
Dwarsbalken van gegalvaniseerd, hoogwaardig staal. Montage beschermd tegen corrosie met een
poedercoating.
Subframe 2 C-vormige zijbalken van hoogwaardig staal, dikte 2,5 mm, intern bevestigd met bredere onderste
spatscherm.
Gemonteerd op het basisvoertuig met gestanste steunen van hoogwaardig st\
aal.
1 dwarsbalk van staal aan onderkant hefcilinder, mechanisch gelaste buis, thermisch verzinkt.
1 dwarsbalk met achterste scharnier in gegalvaniseerd staal.
Steunaanslagen op uiteinden van zijbalk.
Beschermingsrooster achterlichten.
Zijbeschermingen truck en spatbordsteunen in gegalvaniseerd staal.
Platen Platen van hoogwaardig staal, dikte 15/10, koudgewalst en gemonteerd door continu laserlassen.
Anticorrosiebescherming gegarandeerd door een behandeling met poedercoat\
ing.
Vergrendelhandgrepen met verstevigde, zinkcoating, geïntegreerd in de uitsparing van de plaat.
Ladderhouder Rails van gegalvaniseerd staal. Panelen en dwarsbalken in gelakt staal met gekrompen bouten.
Elektropomp 12 V/2 kW.
Bedrijfstemperatuur: -20 tot +70 °C.
Hydraulische cilinder Expansie, stang van nitride, 3 behuizingen, Diam: 107 mm.
Maximale druk: 20 bar.
Hydraulische olie Mineraal van het type ISO HV 46 of vergelijkbaar.

160
Audiosysteem
Audiosysteem
Multimedia audiosysteem
- Bluetooth
®-telefoon
Het systeem is zodanig beveiligd dat het
uitsluitend in uw auto functioneert.
Uit veiligheidsoverwegingen moet de
bestuurder handelingen die veel
aandacht vergen altijd uitvoeren als het
voertuig stilstaat.
Als de motor is afgezet, schakelt het
systeem zichzelf uit nadat de eco-mode is
ingeschakeld om te voorkomen dat de accu
leeg raakt.
De eerste stappen
Aan/uit en volumeregeling.
Selecteren van het golfbereik FM en AM.
Selecteren van de bron USB of AUX.
Toegang tot de lijst van aangesloten
telefoons.
Draaien: scrollen door de lijst of
afstemmen op een radiozender.
Drukken: bevestigen van de op het scherm
weergegeven optie.
Informatie over de op dat moment
beluisterde radiozender of het op dat
moment gebruikte medium.
Selecteren van opgeslagen zenders.
FM-A, FM-B, FM-C, AM-A, AM-B, AM-C.
Weergeven van het menu en instellen
van de opties.
Toetsen 1 t/m 6 autoradio: Selecteren van een voorkeuzezender.
Ingedrukt houden: opslaan van een zender als
voorkeuzezender.
Afspelen in willekeurige volgorde.
Herhaald afspelen.
Geluid onderbreken/pauzeren.
Automatisch zoeken naar lagere
frequentie. Selecteren van de vorige afspeellijst van het
USB-apparaat.
Ingedrukt houden: terugspoelen.
Automatisch zoeken naar hogere
frequentie.
Selecteren van de volgende afspeellijst van het
USB-apparaat.
Ingedrukt houden: vooruitspoelen.
Huidige bewerking afbreken.
Eén niveau omhooggaan in een structuur
(menu of map).
Stuurkolomschakelaars
De pauzefunctie van USB/iPod, AUX en
Bluetooth®-bronnen inschakelen/
uitschakelen.
De dempingsfunctie van de radio inschakelen/
uitschakelen.
De microfoon tijdens een telefoongesprek
inschakelen/uitschakelen.
Omhoog of omlaag: verhoog of verlaag
het volume van gesproken meldingen en
muziek, de handsfree functie en leesfunctie voor
tekstberichten.
Stemherkenning inschakelen.
Een gesproken bericht onderbreken om
een nieuw gesproken commando te geven.
Stemherkenning onderbreken.
Een inkomende oproep aannemen.
Een tweede inkomende oproep
aannemen en het huidige gesprek in de wacht
zetten.
Stemherkenning inschakelen voor de telefoonfunctie.
Een gesproken bericht onderbreken om een
ander gesproken commando te geven.
Stemherkenning onderbreken.
Radio, omhoog of omlaag: volgende/vorige zender selecteren.
Radio, continu omhoog of omlaag: omhoog of
omlaag door frequenties scannen totdat u de
toets loslaat.
Media, omhoog of omlaag: het volgende/vorige
nummer selecteren.
Media continu omhoog of omlaag: snel vooruit of
achteruit totdat u de toets loslaat.
Een inkomende oproep weigeren.Telefoongesprek beëindigen.
Radio
Een radiozender selecteren
Er kunnen storingen in de ontvangst
optreden door obstakels in de omgeving
(bergen, gebouwen, tunnels, parkeergarages,
enz.), ook als de RDS-functie is ingeschakeld.
Dit is een normaal verschijnsel voor
radiogolven en kan in geen enkel opzicht
worden gezien als een defect van de
autoradio.
Druk op de toets "RADIO" om het
golfbereik FM of AM te selecteren.

161
Audiosysteem
11Stemherkenning inschakelen voor de
telefoonfunctie.
Een gesproken bericht onderbreken om een
ander gesproken commando te geven.
Stemherkenning onderbreken.
Radio, omhoog of omlaag: volgende/
vorige zender selecteren.
Radio, continu omhoog of omlaag: omhoog of
omlaag door frequenties scannen totdat u de
toets loslaat.
Media, omhoog of omlaag: het volgende/vorige
nummer selecteren.
Media continu omhoog of omlaag: snel vooruit of
achteruit totdat u de toets loslaat.
Een inkomende oproep weigeren.
Telefoongesprek beëindigen.
Radio
Een radiozender selecteren
Er kunnen storingen in de ontvangst
optreden door obstakels in de omgeving
(bergen, gebouwen, tunnels, parkeergarages,
enz.), ook als de RDS-functie is ingeschakeld.
Dit is een normaal verschijnsel voor
radiogolven en kan in geen enkel opzicht
worden gezien als een defect van de
autoradio.
Druk op de toets "RADIO" om het
golfbereik FM of AM te selecteren.
Druk kort op een van de toetsen
om automatisch af te stemmen op
een zender met een lagere/hogere frequentie.
Draai aan de draaiknop om handmatig te
zoeken naar een zender met een lagere/
hogere frequentie.
Druk op de draaiknop om de lijst van de
beschikbare zenders in het gebied waar u
zich bevindt te bekijken.
Draai aan de draaiknop om een radiozender te
kiezen en druk vervolgens op de draaiknop om
de zender te selecteren.
Opslaan van een
radiozender
Druk op de toets "RADIO" om het
golfbereik FM of AM te selecteren.
Druk op de toets "A-B-C" om een van de
drie niveaus voor voorkeuzezenders te
selecteren.
Houd een toets lang ingedrukt om de
radiozender op te slaan waarnaar op dat
moment wordt geluisterd.
De naam van de radiozender wordt
weergegeven en er klinkt een geluidssignaal om
te bevestigen dat de zender is opgeslagen.
Druk op "INFO" om de informatie weer te
geven over de radiozender waarnaar op
dat moment wordt geluisterd.
RDS
Als de RDS-functie is weergegeven, zoekt de radio steeds naar de sterkste
frequentie van een zender, zodat u ernaar
kunt blijven luisteren. Onder bepaalde
omstandigheden zijn sommige RDS-zenders
echter niet in het hele land te ontvangen
doordat de zenders niet het hele land dekken.
Bij slechte ontvangst kan het daarom zijn dat
de radio tijdens het rijden overschakelt op een
regionale zender.
Druk op de toets "MENU".
Selecteer "Regionaal" en druk
vervolgens om het RDS in of uit te
schakelen.
Alternatieve frequentie (AF)
Selecteer "Alternatieve frequentie (AF)"
en druk vervolgens om de frequentie te
activeren of deactiveren.
Als de functie "Regionaal" is geactiveerd, kan het systeem dan altijd
de beste beschikbare frequentie zoeken.
TA-berichten beluisteren
De functie TA (Traffic Announcement)
geeft voorrang aan het luisteren naar de
verkeersinformatie. Voor de werking van deze