
78
Verlichting en zicht
Wanneer voetgangers of dieren worden
waargenomen, verschijnen deze in gele kaders.
Wanneer het systeem de kans op
een aanrijding met een voetganger
of een dier waarneemt, geeft het een
waarschuwing: op het instrumentenpaneel wordt
een van deze symbolen weergegeven. Het
betreffende silhouet wordt rood omkaderd.
Als de functie "Nachtzicht" niet is geselecteerd,
verschijnt de waarschuwing in een tijdelijk
venster.
In het geval van een waarschuwing kan
de bestuurder direct ingrijpen via een
uitwijkmanoeuvre of door te remmen.
Inschakelen/uitschakelen
Deze functie kan worden ingesteld in het
menu Rijverlichting/Auto van het
touchscreen.
Werkingslimieten
Het systeem werkt in de volgende situaties
mogelijk minder goed of helemaal niet:
– als het zicht slecht is (bij sneeuwval, zware
regenval of dichte mist),
– als de camera wordt bedekt door sneeuw,
modder of stof,
– als de camera bekrast is door het herhaaldelijk
wassen van de auto in een wasstraat met
roterende borstels,
– bij een zeer hoge buitentemperatuur,
– aan de top of de voet van een steile helling.
– op zeer bochtige wegen,
Inschakelen/uitschakelen
Deze functie wordt ingesteld in het menu
Rijverlichting/Auto op het touchscreen.
Inschakelen / uitschakelen
Deze functie wordt geactiveerd vanaf een
bepaalde stuuruitslag.
De verlichting werkt in de volgende gevallen niet:
–
bij een geringe stuuruitslag.
–
bij snelheden boven 90
km/h,
–
als de achteruit is ingeschakeld.
Night Vision
Bij weinig licht maakt het systeem gebruik van
de infraroodcamera aan de voorzijde van de
auto om de aanwezigheid van voetgangers en
dieren in het gezichtsveld van de bestuurder vast
te stellen en te signaleren.
Om het beeld van de infraroodcamera
permanent weer te geven in het
instrumentenpaneel, selecteert u de functie
"Nachtzicht" door aan de draaiknop links van het
stuur te draaien. W
anneer aan de voorwaarden
wordt voldaan, wordt er een waarschuwing
gegeven bij een kans op een aanrijding.
De permanente weergave verdwijnt nadat het
contract wordt afgezet of als er niet aan de
voorwaarden wordt voldaan.
Night Vision is een rijhulpsysteem voor
de bestuurder die echter te allen tijde zijn
aandacht op het verkeer moet blijven
vestigen.
Onder sommige omstandigheden zijn de
temperatuurcontrasten onvoldoende en kan
het systeem niet alle gevaren detecteren of,
omgekeerd, onjuiste waarschuwingen geven
(bijv. door warme motoren van langs de weg
geparkeerde vrachtwagens).
Werkingsvoorwaarden
– Bij draaiende motor en in de Stop-stand van
het Stop & Start-systeem.
–
Bij weinig licht met naar behoren werkend
dimlicht ingeschakeld.
–
T
emperatuur tussen -30 °C en +28 °C.
–
Snelheid lager dan 160
km/u.
–
Detectie van dieren groter dan 0,5 meter
.
Werking
Als de functie is geselecteerd, maar het display op het instrumentenpaneel en de
waarschuwingen zijn niet beschikbaar (functie
"Nachtzicht” actief), gaat het verklikkerlampje
grijs branden.
Als aan alle werkingsvoorwaarden is voldaan, gaat het verklikkerlampje groen
branden: de weergave op het
instrumentenpaneel (indien de functie
"Nachtzicht" is geselecteerd) en de activering
van waarschuwingen zijn beschikbaar.
Als aan bepaalde werkingsvoorwaarden (snelheid of temperatuur) niet wordt voldaan, gaat het verklikkerlampje oranje
branden: alleen de weergave op het
instrumentenpaneel is beschikbaar (functie
"Nachtzicht" actief).
Zolang het omgevingslicht te sterk is of de
dimlichten niet zijn ingeschakeld, zijn de
waarschuwingen niet beschikbaar.
Het detectiebereik van de camera ligt tussen
15 m (voor voetgangers) en 200 m, afhankelijk
van het zicht.
Het camerabeeld wordt in grijstinten op het
instrumentenpaneel weergegeven, waarbij
warme objecten lichter zijn dan koude objecten.

89
Veiligheid
5De pyrotechnische gordelspanners zijn actief
zodra het contact wordt aangezet.
Spankrachtbegrenzer
Dit systeem beperkt de kracht waarmee de
gordel tegen het lichaam van de inzittende
getrokken wordt en bevordert daarmee de
veiligheid.
In het geval van een aanrijding
De pyrotechnische gordelspanners
kunnen, afhankelijk van de aard en
de kracht van de aanrijding , vóór en
onafhankelijk van de airbags afgaan.
Het afgaan van de gordelspanners gaat
gepaard met wat onschadelijke rook en een
knal, als gevolg van de activering van de
pyrotechnische lading die in het systeem is
geïntegreerd.
In alle gevallen gaat het verklikkerlampje
Airbag branden.
Laat het veiligheidsgordelsysteem na
een aanrijding controleren en eventueel
vervangen door het PEUGEOT-netwerk of
een gekwalificeerde werkplaats.
Veiligheidsgordels vóór
De veiligheidsgordels vóór zijn voorzien van
een pyrotechnische gordelspanner en een
spankrachtbegrenzer.
Veiligheidsgordels achter
Iedere zitplaats achter heeft een
driepuntsveiligheidsgordel met een
oprolautomaat.
De veiligheidsgordels van de buitenste
zitplaatsen zijn voorzien van een gordelspanner
en een spankrachtbegrenzer.
Wanneer u zware ladingen in de bagageruimte
vervoert, moeten de veiligheidsgordels van de
achterzitplaatsen zijn vastgemaakt.
Vastmaken
► Trek aan de gordel en steek de gesp in de
gordelsluiting.
►
Controleer of de gordel goed is vastgemaakt
door even aan de riem te trekken.
Ontgrendelen
► Druk op de rode knop van de gordelsluiting.
► Houd de gordel vast terwijl deze zich oprolt.
Waarschuwingen
losgemaakte/
niet vastgemaakte
veiligheidsgordel(s)
1. Waarschuwingslampje veiligheidsgordel
linksvoor
2. Waarschuwingslampje veiligheidsgordel
rechtsvoor
3. Waarschuwingslampje veiligheidsgordel
linksachter
4. Waarschuwingslampje veiligheidsgordel
middenachter
5. Waarschuwingslampje veiligheidsgordel
rechtsachter
Als de bijbehorende veiligheidsgordel niet
is bevestigd of wordt losgemaakt en het
contact wordt ingeschakeld, dan gaat het
waarschuwingslampje voor de veiligheidsgordels
op het instrumentenpaneel branden en
het bijbehorende waarschuwingslampje
(1 tot en met 5) gaat rood branden op het
display met waarschuwingslampjes voor

94
Veiligheid
Dit systeem werkt slechts één keer. Als
er een tweede aanrijding plaatsvindt
(tijdens hetzelfde of een volgend ongeval),
wordt de actieve motorkap niet meer
geactiveerd.
Laat na een aanrijding of diefstal van uw auto
het systeem controleren.
Kom niet aan de pyrotechnische systemen
onder de motorkap, in de buurt van de
steunen - risico van explosie!
Laat werkzaamheden aan dit systeem
alleen door het PEUGEOT-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats uitvoeren.
Storing
Als dit waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel gaat branden in
combinatie met een geluidssignaal en een
melding op het display van het
instrumentenpaneel, laat het systeem dan
controleren door het PEUGEOT-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats.
De kans bestaat dat de actieve motorkap bij een
aanrijding niet wordt geactiveerd.
Kinderzitjes
De regelgeving met betrekking tot het
vervoer van kinderen verschilt per land.
Raadpleeg de in uw land geldende regels.
Volg voor een optimale veiligheid de volgende
adviezen op:
–
Conform de Europese wetgeving dienen
kinderen jonger dan 12 jaar of kleiner
dan 1,50 m in goedgekeurde, aan het
lichaamsgewicht aangepaste kinderzitjes
op
met veiligheidsgordels of ISOFIX-bevestigingen
uitgeruste plaatsen te worden vervoerd.
–
V
olgens de statistieken is de achterbank
van uw auto de veiligste plaats voor het
vervoeren van een kind.
–
Kinderen lichter dan 9 kg moeten in
een naar achteren gerichte positie in de
auto worden geplaatst, op de voorstoel of
achterbank van de auto.
Het wordt aanbevolen om kinderen op
de achterzitplaatsen van de auto te
vervoeren:
–
tot 3 jaar "
met de rug in de rijrichting ",
–
vanaf 3 jaar "
met het gezicht in de
rijrichting ".
Zorg ervoor dat de veiligheidsgordel
correct is bevestigd en aangetrokken.
Zorg er bij kinderzitjes met een steun voor dat
de steun goed contact maakt met de vloer.
Advies
Een onjuist geïnstalleerd kinderzitje kan
de veiligheid van het kind in gevaar
brengen in het geval van een ongeval.
Controleer of er geen veiligheidsgordel of
gesp van de veiligheidsgordel onder het
kinderzitje zit; dat zou de stabiliteit van het
zitje in gevaar kunnen brengen.
Zorg ervoor dat de veiligheidsgordels of het
tuigje van het kinderzitje, zelfs bij korte ritten,
worden vastgemaakt waarbij de speling ten
opzichte van het lichaam van het kind zoveel
mogelijk moet worden beperkt.
Zorg er bij het bevestigen van het kinderzitje
met de veiligheidsgordel voor dat de
veiligheidsgordel correct tegen het kinderzitje
is gespannen en dat de gordel het kinderzitje
stevig op zijn plaats houdt. Schuif de
passagiersstoel, wanneer deze versteld kan
worden, indien nodig naar voren.
Verwijder de hoofdsteun alvorens
een kinderzitje met rugleuning op een
passagierszitplaats te bevestigen.
Berg de hoofdsteun zorgvuldig op om te
voorkomen dat de hoofdsteun door de
auto vliegt bij krachtig afremmen. Plaats de
hoofdsteun terug zodra het kinderzitje is
verwijderd.

126
Rijden
Bij de detectie van een verkeersbord met
een andere snelheidslimiet geeft het systeem
de waarde aan en knippert "MEM" enkele
seconden; u kunt deze snelheid dan als nieuwe
snelheid opslaan.
Bij een verschil van minder dan 9 km/u
tussen de ingestelde snelheid en de door
de snelheidslimietherkennings- en
snelheidsadviessysteem weergegeven
snelheid wordt het symbool " MEM" niet
weergegeven.
Afhankelijk van de omstandigheden kunnen
verschillende snelheden worden weergegeven.
► Druk één keer op toets 2 om de voorgestelde
snelheid op te slaan.
Er wordt een melding weergegeven om het
verzoek te bevestigen.
► Druk toets 2nogmaals in om te bevestigen
en deze snelheid als nieuwe snelheid op te
slaan.
Het display keert terug naar de vorige weergave.
uitgebreide
verkeersbordherkenning
Lees de algemene adviezen over het gebruik
van de rij- en parkeerhulpsystemen.
Zodra de snelheidslimiet wordt gedetecteerd,
geeft het systeem de waarde weer.
Als de auto een gedetecteerde
maximumsnelheid voor het eerst met meer dan
5
km/h overschrijdt (bijvoorbeeld 95 km/h), dan
wordt de snelheid 10 seconden knipperend
weergegeven.
Werkingslimieten
Het systeem houdt geen rekening met lagere
snelheidslimieten die in de volgende gevallen
van kracht kunnen zijn:
–
Luchtvervuiling.
–
T
rekken van een aanhanger.
–
Rijden met een noodreservewiel of
sneeuwkettingen.
–
Rijden met een band die met de
bandenreparatieset is gerepareerd.
–
Beginnende bestuurders.
Het systeem geeft de snelheidslimiet mogelijk
niet weer wanneer binnen een vooraf ingestelde
tijd geen bord met snelheidslimiet wordt
gedetecteerd, en in de volgende gevallen:
– Verkeersborden die afgeschermd, beschadigd
of vervormd zijn, of die niet aan de norm
voldoen.
–
V
erouderde of onjuiste kaartgegevens.
Aanbeveling
Naast de snelheidslimietherkennings- en
snelheidsadviessysteem kan de bestuurder
de weergegeven snelheid als snelheidsinstelling
voor de snelheidsbegrenzer of snelheidsregelaar
gebruiken met behulp van de toets voor
het opslaan van instellingen voor de
snelheidsbegrenzer of snelheidsregelaar.
Als er regen wordt gedetecteerd, stelt het
systeem een snelheidsinstelling voor aan de
bestuurder die lager is dan de afgelezen/via
de kaartgegevens verkregen snelheid om de
snelheid aan de weersomstandigheden aan te
passen (voorbeeld: op een autosnelweg is de
voorgestelde snelheid 97 km/u in plaats van
112
km/u).
Zie de betreffende hoofdstukken voor
meer informatie over de
snelheidsbegrenzer, de snelheidsregelaar
of de adaptieve snelheidsregelaar.
Stuurkolomschakelaars
1. Selecteren van de snelheidsbegrenzer of
snelheidsregelaar
2. Opslaan van de snelheid
Informatie op het instrumentenpaneel
3.Weergave van de snelheidslimiet
4. Voorstel om de snelheid op te slaan
5. Actuele ingestelde snelheid
Opslaan van de snelheid
► Schakel de snelheidsbegrenzer/
snelheidsregelaar in.
De informatie over de snelheidsbegrenzer/
snelheidsregelaar wordt weergegeven.

127
Rijden
6Bij de detectie van een verkeersbord met
een andere snelheidslimiet geeft het systeem
de waarde aan en knippert "MEM" enkele
seconden; u kunt deze snelheid dan als nieuwe
snelheid opslaan.
Bij een verschil van minder dan 9 km/u
tussen de ingestelde snelheid en de door
de snelheidslimietherkennings- en
snelheidsadviessysteem weergegeven
snelheid wordt het symbool " MEM
" niet
weergegeven.
Afhankelijk van de omstandigheden kunnen
verschillende snelheden worden weergegeven.
►
Druk
één keer op toets 2 om de voorgestelde
snelheid op te slaan.
Er wordt een melding weergegeven om het
verzoek te bevestigen.
►
Druk toets
2nogmaals in om te bevestigen
en deze snelheid als nieuwe snelheid op te
slaan.
Het display keert terug naar de vorige weergave.
uitgebreide
verkeersbordherkenning
Lees de algemene adviezen over het gebruik
van de rij- en parkeerhulpsystemen.
Dit aanvullende systeem herkent
deze verkeersborden en toont ze op
het instrumentenpaneel als de juiste
weergavemodus is geselecteerd.
Eenrichtingsverkeer: als u een eenrichtingsweg
vanaf de verkeerde kant inrijdt, wordt er
een waarschuwingsmelding, inclusief een
symbool van het verkeersbord, op het
instrumentenpaneel weergegeven (controleer de
rijrichting) weergegeven.
Overige verkeersborden: wanneer u een van
deze borden nadert, verschijnt het betreffende
pictogram op het instrumentenpaneel.
De borden langs of boven de weg
hebben altijd prioriteit boven de door het
systeem weergegeven borden.
De borden moeten voldoen aan de regels van
het Verdrag van Wenen voor verkeersborden.
Inschakelen/uitschakelen
Deze functie wordt ingesteld via het menu
Rijverlichting /Auto op het touchscreen.
Snelheidsbegrenzer
Lees de algemene adviezen over het gebruik
van de rij- en parkeerhulpsystemen.
Dit systeem voorkomt dat de auto de door
de bestuurder ingestelde snelheid
overschrijdt.
De snelheidsbegrenzer moet handmatig worden
ingeschakeld. De minimale snelheid die ingesteld kan worden
is 30
km/h.
De ingestelde snelheid blijft na het afzetten van
het contact opgeslagen in het geheugen.
Stuurkolomschakelaars
1. ON (stand LIMIT )/OFF
2. Ingestelde snelheid verlagen
3. Ingestelde snelheid verhogen
4. Snelheidsbegrenzer onderbreken/hervatten
met de eerder opgeslagen ingestelde
snelheid

155
Rijden
6180°-weergave
Wanneer u vooruitrijdend een parkeerplaats
verlaat, kunt u dankzij de 180°-weergave
voertuigen, voetgangers of fietsers zien
aankomen.
Wij raden u aan om deze weergave niet tijdens
de gehele manoeuvre te gebruiken.
De weergave heeft drie zones: links A, centraal
B en rechts C.
Deze weergave is alleen beschikbaar door deze
te selecteren in het menu voor het veranderen
van de weergave.
Park Assist
Lees de algemene adviezen over het gebruik
van de rij- en parkeerhulpsystemen. Dit systeem biedt actieve parkeerhulp bij auto's
met een handgeschakelde versnellingsbak: het
detecteert een parkeerplek en stuurt vervolgens
in de betreffende richting om op deze plek te
parkeren terwijl de bestuurder de rijrichting
controleert, schakelt, accelereert en remt.
Het systeem schakelt automatisch het
display van de Visiopark 1 of Visiopark 2
en de parkeerhulp in om de bestuurder te
ondersteunen bij het controleren van de juiste
parkeermanoeuvres.
Het systeem voert metingen uit van beschikbare
parkeerplekken en berekent de afstand tot de
obstakels met behulp van ultrasone sensoren in
de voor- en achterbumpers van de auto.
Het systeem biedt ondersteuning bij de volgende
manoeuvres:
A.
Fileparkeren - inparkeren
B. Fileparkeren - uitparkeren
C. Parkeervakken - inparkeren
Werking
► Verminder de snelheid van de auto tot
30
km/h of lager als u een parkeerplek nadert.
Inschakelen van de functie
De functie kan in het menu Auto/
Rijverlichting van het touchscreen
worden ingeschakeld.
Selecteer "Park Assist".
Wanneer de functie wordt ingeschakeld,
wordt de dodehoekbewaking
uitgeschakeld.
Tot de start van de parkeermanoeuvre of de manoeuvre om de parkeerplek te
verlaten kunt u op elk gewenst moment op de
pijl in de linkerbovenhoek van de
weergegeven pagina drukken om de functie
uit te schakelen.
Selecteren van het type
manoeuvre

266
Trefwoordenregister
Kinderbeveiliging 103
Kinderen
90, 98–102
Kinderen (veiligheid)
103
Kinderzitjes
90, 94–95, 97–98
Kinderzitjes (conventioneel)
97–98
Kinderzitjes i-Size
102
Klep van de laadaansluiting
167, 170–171
Kleurcode lak
220
Klokje (instellen)
233, 259
Koelvloeistof
179
Koelvloeistoftemperatuur
19
Koelvloeistoftemperatuurmeter
19
Kofferdeksel sluiten
30, 37
Koplampverstelling
75
Krik
188–189, 192
L
Laadkabel 167, 169–170
Laadstekker
167, 170–171
Laadtoestand van de tractiebatterij
24, 166
Laden accu ~ Accu laden
205, 208–209
Laden via een normaal stopcontact
169, 171
Lader voor versneld laden (wallbox)
167
Lak
185, 220
Lampen
197
Lampen (vervangen)
195–196, 198
Lampen vervangen
195–196, 198
Lane Departure Warning System
143, 147
Lane Keeping System
132, 136–137, 140
Leder (onderhoud)
186
LED-verlichting 74, 196–198
Lekke band
189–190, 192
Lendensteun
48
Lendensteun, verstelling
48
Lichtschakelaar
73–74
Lokaliseren van de auto
28
Luchtfilter
181
Luchtfilter (vervangen)
181
Luchtrecirculatie
57–58
Luidsprekers
63
M
Make-upspiegel 62
Massagefunctie
50
Massages op meerdere punten
50
Matten
65, 123
Mat verwijderen
65
Meldingen
257
Menu
229
Menu's (audio)
223–224, 238–239
Menustructuren display
229
Milieu
7, 33, 60
Mistachterlicht
73, 198
Monteren allesdragers ~ Allesdragers
monteren
174–175
Motor
182
Motoren
213–215, 217
Motorkap
176–177
Motorolie
178
Motorolieniveaumeter
18
N
Navigatiesysteem 243–245
Neerklappen stoelen achter
53–54
Netaansluiting (standaardstekker)
167, 170–171
Night Vision
78
Niveau AdBlue®
180
Niveau brandstofadditief diesel ~
Brandstofaddititiefniveau
180–181
Niveau koelvloeistof ~
Koelvloeistofniveau
19, 179
Niveau remvloeistof ~ Remvloeistofniveau
179
Niveau ruitensproeiervloeistof ~
Ruitensproeiervloeistofniveau
80, 180
Niveaus controleren
178–180
Niveaus en controles
178–181
Noodbediening achterklep
38
Noodbediening portieren
31–32
Noodoproep ~ Urgence-oproep
84–85
Noodprocedure afzetten van de motor
108
Noodprocedure starten
108, 205
Noodremassistentie ~ Brake Assist
System (BAS)
87, 141
Noodremassistentie (AFU) ~ Brake Assist
System (BAS)
87
O
Oliefilter 181
Oliefilter (vervangen)
181
Olieniveau
18, 178