
3
Inhoudsopgave
bit.ly/helpPSA
snelheidslimietherkennings- en
snelheidsadviessysteem 11 4
Snelheidsbegrenzer 11 7
Snelheidsregelaar - specifieke adviezen 11 9
Snelheidsregelaar 120
Drive Assist Plus 121
adaptieve cruise control 122
Lane Positioning Assist 125
Lane Keeping Assist 129
actieve dodehoekbewaking 132
Active Safety Brake met Distance Alert en
intelligente noodremassistentie
134
Systeem voor detecteren
van onoplettendheid
137
Parkeerhulp 138
Visiopark 1 140
Park Assist 142
Full Park Assist 145
7Praktische informatie
Compatibiliteit van brandstoffen 151
Tanken 151
Tankbeveiliging (diesel) 152
Laadsysteem (elektrisch) 153
De tractiebatterij laden (elektrisch) 157
Trekhaak 159
Trekhaak met afneembare kogel 160
Dakdragers 163
Sneeuwkettingen 163
Sneeuwscherm 164
Eco-stand 165
Motorkap 166
Onder de motorkap 167
Niveaus controleren 167
Controles 169
AdBlue® (BlueHDi) 171
Overgaan op vrijloop 173
Onderhoudstips 174
8In geval van pech
Gevarendriehoek 177
Brandstoftank leeg (diesel) 177
Boordgereedschap 177
Bandenreparatieset 179
Reservewiel 181
Een lamp vervangen 184
Een zekering vervangen 187
Accu van 12 V / Hulpaccu 191
Slepen van de auto 195
9Technische gegevens
Technische gegevens motoren en
aanhangergewichten 198
Benzinemotoren 199
Dieselmotoren 201
Elektromotor 202
Afmetingen 203
Identificatie 203
10PEUGEOT Connect Radio
De eerste stappen 204
Stuurkolomschakelaars 205
Menu's 206
Applicaties 207
Radio 208
Digitale radio
(DAB, Digital Audio Broadcasting)
209
Media 210
Telefoon 2 11
Configuratie 215
Veelgestelde vragen 216
11PEUGEOT Connect Nav
De eerste stappen 219
Stuurkolomschakelaars 220
Menu's 221
Gesproken commando's 222
Navigatie 226
Online navigatie 228
Applicaties 231
Radio 234
Digitale radio
(DAB, Digital Audio Broadcasting)
235
Media 236
Telefoon 237
Configuratie 240
Veelgestelde vragen 242
■
Trefwoordenregister
Toegang tot aanvullende video's

16
Instrumentenpaneel
SCR-emissieregelsysteem (BlueHDi)Brandt permanent wanneer
het contact wordt aangezet,
in combinatie met een geluidssignaal en een
melding.
Er is een storing in het SCR -emissieregelsysteem gedetecteerd.
Deze waarschuwing verdwijnt zodra de uitstoot
van uitlaatgassen weer aan de normen voldoet.
Het AdBlue®-
waarschuwingslampje
knippert zodra het contact wordt aangezet, in
combinatie met het permanent branden van het
lampje Service en het lampje Zelfdiagnose
motor, een geluidssignaal en een melding met
betrekking tot de actieradius.
Afhankelijk van de weergegeven melding
kan het mogelijk zijn om nog maximaal 1.100
km te rijden voordat de startblokkering wordt
geactiveerd.
Voer (3) direct uit, om te voorkomen dat de
motor niet kan worden gestart .
Het AdBlue®-
waarschuwingslampje
knippert zodra het contact is aangezet, in
combinatie met het branden van het lampje
Service en het lampje Zelfdiagnose motor, een
geluidssignaal en een melding die aangeeft dat
de motor niet kan worden gestart.
De startonderbreker van de motor voorkomt dat
de motor weer kan worden gestart (toegestane
rijlimiet overschreden na bevestiging van een
storing in het emissieregelsysteem). Start de motor en zie (2).
Uitschakeling van de automatische
functies (met elektrische parkeerrem)
Brandt permanent.
De functies "automatisch aantrekken"
(bij het afzetten van de motor) en "automatisch
vrijzetten" (bij het wegrijden) zijn uitgeschakeld.
Als automatisch aantrekken/vrijzetten niet meer
mogelijk is:
► Start de motor .► Gebruik de hendel om de parkeerrem aan te trekken.► Laat het rempedaal volledig los.► Houd de hendel 10 tot 15 seconden in de richting voor het vrijzetten.► Laat de hendel los.► Trap het rempedaal in en houd het ingetrapt.► Houd de hendel 2 seconden in de richting voor het aantrekken.► Laat de hendel en het rempedaal los.
Storing (met elektrische parkeerrem)Brandt permanent, in combinatie
met de melding "Storing
parkeerrem".
De auto kan niet stil blijven staan terwijl de motor
draait.
Als de parkeerrem niet handmatig kan worden
in- en uitgeschakeld, dan is de hendel van de
elektrische parkeerrem defect.
De automatische functies moeten te allen
tijde worden gebruikt: ze worden automatisch
geactiveerd bij een storing in de hendel. Zie (2).
Brandt permanent, in
combinatie met de melding
"Storing parkeerrem".
De parkeerrem is defect; de handmatige en
elektrische bediening werken mogelijk niet meer.
Om de auto bij stilstand op zijn plaats te houden:
► Trek aan de hendel en houd deze ongeveer 7 tot 15 seconden aangetrokken tot het lampje op
het instrumentenpaneel gaat branden.
Als deze procedure niet werkt, beveilig uw auto
dan op de volgende wijze tegen wegrollen:
► Parkeer de auto op een vlakke ondergrond.► Bij auto's met een handgeschakelde versnellingsbak: schakel een versnelling in.► Bij auto's met een automatische transmissie of selectiehendel (elektrisch): selecteer P en
plaats het meegeleverde wielblok tegen een van
de wielen.
Zie (2).
Distance Alert / Active Safety BrakeBrandt permanent, in combinatie met de
weergave van een melding.
Het systeem is via het touchscreen geactiveerd
menu Rijverlichting /Auto).
Distance Alert/Active Safety BrakeKnippert.
Het systeem grijpt in en remt de auto
kort af om de snelheid van de aanrijding met de
voorligger te beperken.
Brandt permanent, in combinatie met een

17
Instrumentenpaneel
1melding en een geluidssignaal.
Storing in het systeem.
Voer (3) uit.
Distance Alert / Active Safety BrakePermanent.
Er is een storing in het systeem.
Als deze waarschuwingslampjes gaan branden
nadat de motor is uitgeschakeld en opnieuw is
gestart, zie (3).
Antiblokkeersysteem (ABS)Brandt permanent.
EStoring in het antiblokkeersysteem.
De normale remwerking blijft behouden.
Rijd voorzichtig en met lage snelheid en voer
(3) uit.
StuurbekrachtigingPermanent.
Er is een storing in de stuurbekrachtiging.
Rijd voorzichtig met matige snelheid en zie (3).
Dynamische stabiliteitscontrole (DSC)/
antispinregeling (ASR)
Brandt permanent.
Het systeem is uitgeschakeld.
Het DSC-/ASR-systeem wordt automatisch weer
ingeschakeld als de motor wordt gestart en
vanaf een snelheid van ongeveer 50 km/h.
Bij snelheden tot 50 km/h kan het systeem handmatig weer worden ingeschakeld.Knippert.
Het DSC-/ASR-systeem grijpt in vanwege
een verlies van grip of koersstabiliteit.
Brandt permanent.
Storing in het DSC-/ASR-systeem.
Voer (3) uit.
Storing noodremassistentie (met
elektrische parkeerrem)
Brandt permanent, in combinatie
met de melding "Storing
parkeerrem".
De noodremassistentie werkt niet optimaal.
Als automatisch uitschakelen niet mogelijk is,
gebruik de handmatige uitschakeling of zie (3).
Hill Start AssistBrandt permanent, in combinatie
met de melding "Storing in
antiterugrolsysteem".
Er is een storing in het systeem.
Zie (3).
Lane Keeping AssistBrandt permanent.
Het systeem is automatisch uitgeschakeld
of in de wachtstand gezet.
Knippert.
De auto dreigt een onderbroken
rijstrookmarkering te overschrijden zonder dat de
richtingaanwijzer is ingeschakeld.
Het systeem wordt geactiveerd en corrigeert
vervolgens de koers afhankelijk van de zijde van
de rijstrookmarkering die overschreden dreigt te
worden.
Permanent.
Er is een storing in het systeem.
Zie (3).
Lane Positioning AssistBrandt permanent, in combinatie
met het lampje Service.
Er is een storing in het systeem.
Voer (3) uit.
AirbagsBrandt permanent.
Een van de airbags of gordelspanners is
defect.
Voer (3) uit.
Passagiersairbag vóór (ON)Brandt permanent.
De passagiersairbag vóór is
ingeschakeld.
De schakelaar staat in de stand " ON”.
Plaats in dit geval GEEN kinderzitje
met de "rug in de rijrichting" op de
voorpassagiersstoel - Risico op zwaar letsel!
Passagiersairbag vóór (OFF)Brandt permanent.
De passagiersairbag vóór is
uitgeschakeld.
De schakelaar staat in de stand " OFF”.
Er kan een kinderzitje worden geplaatst met de
rug in de rijrichting, tenzij er een airbag defect is
(waarschuwingslampje airbag brandt).
ParkeerhulpBrandt permanent, in combinatie met een
melding en een geluidssignaal.
Storing in het systeem.
Voer (3) uit.

76
Veiligheid
(regeling actief tot 80 km/h)
Modder
In deze stand wordt bij het wegrijden veel
wielslip toegestaan bij het wiel met de minste
grip, zodat de modder van de band wordt
verwijderd en het wiel vervolgens weer grip
krijgt. Tegelijkertijd wordt zo veel mogelijk koppel
naar het wiel met de meeste grip overgebracht.
Tijdens het optrekken verdeelt het systeem de
wielslip zodanig dat de handelingen van de
bestuurder zo veel mogelijk effect hebben.
(regeling actief tot 50 km/h)
Zand
In deze stand kunnen de twee aangedreven
wielen tegelijkertijd iets spinnen, zodat de auto
vooruit kan rijden en niet vast komt te zitten in
het zand.
(regeling actief tot 120 km/h)
Gebruik geen andere standen in zand,
anders bestaat de kans dat de auto vast
komt te zitten.
Inschakelen/uitschakelen
► Druk op de toets DRIVE MODE om een van
de drie rijstanden te kiezen; de verschillende
standen worden weergegeven in het
instrumentenpaneel.
► Selecteer afhankelijk van de omstandigheden "Sneeuw", "Modder" of "Zand".
De gekozen stand wordt weergegeven op het
instrumentenpaneel.
► Selecteer "Normaal" of een andere rijstand
om het uit te schakelen.
Het systeem wordt automatisch gedeactiveerd
bij het afzetten van het contact.
Hill Assist Descent
Control
Hulpsysteem bij het afdalen van een helling op
onverhard wegdek (gravel, modder enz.) of bij
het afdalen van een steile helling.
Dit systeem beperkt de kans op wegglijden van
de auto en de kans dat de auto te veel vaart
maakt tijdens het voorruit of achteruit afdalen.
Bij het afdalen van een helling assisteert dit
systeem de bestuurder, afhankelijk van de
ingeschakelde versnelling, bij het wegrijden en
constant houden van de snelheid door geleidelijk
de remdruk te verminderen.
Het systeem werkt slechts bij hellingen
van meer dan 5%.
Het systeem kan worden gebruikt met de
versnellingsbak in de neutraalstand.
Het is echter raadzaam een voor de
rijsnelheid geschikte versnelling in te
schakelen om te voorkomen dat de motor
afslaat.
Bij een automatische transmissie kan het
systeem worden gebruikt als de stand N, D of
R is geselecteerd.
Als het systeem in werking treedt, wordt de Active Safety Brake automatisch
uitgeschakeld.
Het systeem is niet meer beschikbaar:– als de rijsnelheid hoger is dan 70 km/h,– als de rijsnelheid wordt geregeld door de adaptieve cruise control, afhankelijk van het
type versnellingsbak.
Inschakelen
Het systeem is standaard niet geselecteerd.
De status van de functie wordt niet opgeslagen
bij het afzetten van het contact.
De bestuurder kan het systeem bij draaiende
motor, bij stilstaande auto of tot een snelheid van
ongeveer 50 km/h selecteren.
► Houd deze toets bij snelheden lager dan 50 km/h ingedrukt totdat het groene controlelampje gaat branden om het systeem te
selecteren; dit lampje gaat grijs branden op het
instrumentenpaneel.
► Het systeem wordt geactiveerd bij een snelheid lager dan 30 km/h; dit lampje gaat groen branden op het instrumentenpaneel.► Zodra de afdaling begint, kunt u het gaspedaal en het rempedaal loslaten, het
systeem regelt de snelheid:
– als de eerste of tweede versnelling is ingeschakeld, wordt de snelheid verlaagd
en knippert het controlelampje snel;
– als de versnellingsbak in de neutraalstand staat of het koppelingspedaal wordt ingedrukt,
wordt de snelheid verlaagd en knippert het

134
Rijden
Er wordt geen waarschuwingssignaal afgegeven
en er wordt geen correctie uitgevoerd in de
volgende situaties:
– Bij stilstaande voorwerpen (geparkeerde auto's, vangrails, lantaarnpalen, borden enz.).– Bij tegemoetkomend verkeer.– Op bochtige wegen of in zeer scherpe bochten.– Wanneer u een lang voertuig inhaalt of wordt ingehaald door een lang voertuig (vrachtwagen,
bus, enz.) dat zowel in de dode hoek achter
wordt gedetecteerd als in het gezichtsveld van
de bestuurder aanwezig is.
– Bij snelle inhaalmanoeuvres.– Bij erg druk verkeer: de voertuigen die voor en achter worden gedetecteerd, worden aangezien
voor een vrachtwagen of een stilstaand object.
– Als de functie Park Assist of Full Park Assist is geactiveerd.
Storing
Bij een storing gaat dit
waarschuwingslampje op het
instrumentenpaneel gaat branden en wordt er
een melding weergegeven.
Neem contact op met een PEUGEOT-dealer of
een gekwalificeerde werkplaats om het systeem
te laten controleren.
Bij slechte weersomstandigheden (zware
regenval, hagel enz.) kan het systeem
tijdelijk minder nauwkeurig werken.
Vooral het rijden op een nat wegdek of het
van een droog wegdek op een nat wegdek
terechtkomen kan tot een vals alarm leiden
(zo kan een wolk waterdruppels in de dode
hoek worden aangezien voor een voertuig).
Let er bij slecht weer en in de winter altijd op
dat de sensoren niet met modder, sneeuw of
ijs bedekt zijn.
Plak geen stickers of andere voorwerpen op
het gedeelte van de buitenspiegels waar het
waarschuwingsgebied zich bevindt of op de
detectiezones op de voor- en achterbumper,
omdat de dodehoekbewaking dan mogelijk
niet goed werkt.
Active Safety Brake met Distance Alert
en intelligente
noodremassistentie
Lees de algemene adviezen over het gebruik
van de rij- en parkeerhulpsystemen.
Dit systeem:
– waarschuwt de bestuurder wanneer er een risico bestaat op een aanrijding met een
voorligger, een voetganger of, afhankelijk van de
uitvoering, een fietser.
– vermindert de snelheid van de auto om een aanrijding te voorkomen of de zwaarte van de
aanrijding te beperken.
Het systeem houdt tevens rekening met
motorfietsen en dieren, maar dieren
kleiner dan 0,5 m en voorwerpen op de rijbaan worden niet altijd gedetecteerd.
Dit systeem heeft drie functies:
– Distance Alert.– Intelligente noodremassistentie.– Active Safety Brake (automatisch noodremsysteem).
De auto is voorzien van een multifunctionele
camera bovenaan de voorruit en, afhankelijk van
de uitvoering, een radar in de voorbumper.
Ondanks de aanwezigheid van dit systeem moet de bestuurder waakzaam
blijven.
Dit systeem is ontwikkeld om de bestuurder te
ondersteunen en de veiligheid te verbeteren.
Het is de verantwoordelijkheid van de
bestuurder om de verkeersomstandigheden
continu in de gaten te houden, in
overeenstemming met de geldende
rijvoorschriften.
Zodra het systeem een mogelijk obstakel
detecteert, wordt het remcircuit
voorbereid op een automatische remactie. Er
kan dan een zwak geluid hoorbaar zijn en
mogelijk lijkt de auto wat af te remmen.
Uitschakelen/Inschakelen
Standaard wordt het systeem automatisch
ingeschakeld als de motor wordt gestart.
Deze functie wordt ingesteld via het touchscreenmenu Rijverlichting/Auto.
Het uitschakelen van het systeem wordt aangegeven door het branden van dit
waarschuwingslampje in combinatie met de
weergave van een melding.
Werkingsvoorwaarden en
-beperkingen
Auto rijdt vooruit.
ESC-systeem werkt goed.

136
Rijden
Werking
Afhankelijk van de door het systeem
gedetecteerde risico op een aanrijding
en de door de bestuurder geselecteerde
waarschuwingsdrempel, kunnen meerdere
waarschuwingsniveaus worden geactiveerd en
weergegeven op het instrumentenpaneel.
Het systeem houdt rekening met de dynamiek
van de auto, de rijsnelheid en ie van de
voorligger, de weersomstandigheden en
het rijden van de auto zelf (bediening van
de pedalen, het stuurwiel, enz.) om de
waarschuwing op het beste moment te geven.
Niveau 1 (oranje): waarschuwing alleen
door middel van visuele signalen die
aangeeft dat de afstand tot de voorligger zeer
klein is.
De melding " Voertuig dichtbij " wordt
weergegeven.
Niveau 2 (rood): waarschuwing door
middel van visuele signalen en
geluidssignalen die aangeeft dat een aanrijding
dreigt.
De melding "Remmen!" wordt weergegeven.
Niveau 3: in sommige gevallen kan een voelbare
waarschuwing in de vorm van zeer licht remmen
worden gegeven, wat het risico op een aanrijding
bevestigt.
Als uw auto een voorligger te snel nadert, wordt het eerste waarschuwingsniveau
mogelijk niet weergegeven: in dat geval wordt
waarschuwingsniveau 2 direct weergegeven.
Belangrijk: waarschuwingsniveau 1 wordt
nooit weergegeven voor een stilstaand
obstakel of wanneer de activeringsstand
"Dichtb." is geselecteerd.
Intelligente
noodremassistentie
Wanneer de bestuurder wel remt, maar niet
voldoende om een aanrijding te voorkomen, vult
deze functie de remkracht aan voor zover dit
binnen de natuurkundige grenzen mogelijk is.
Deze ondersteuning wordt alleen geleverd als de
bestuurder zelf het rempedaal intrapt.
Active Safety Brake
Deze functie, ook wel automatisch
noodremsysteem genoemd, treedt in werking
wanneer de bestuurder, na de waarschuwingen,
niet snel genoeg reageert en niet remt.
De functie is bedoeld om de snelheid van
de aanrijding te beperken of de aanrijding te
voorkomen wanneer de bestuurder niet ingrijpt.
Werking
Het systeem werkt onder de volgende
omstandigheden:
– De rijsnelheid is niet hoger dan 60 km/u
wanneer een voetganger wordt gedetecteerd.

184
In geval van pech
Bij het vervangen van lampen moet het contact en de koplampen/lampen
minstens enkele minuten zijn uitgeschakeld
- risico op ernstige brandwonden!
Raak de lamp niet met de vingers aan, maar
gebruik een niet-pluizende doek.
Het is van belang dat u uitsluitend lampen
van het type anti-ultraviolet (UV) gebruikt om
beschadiging van de koplamp te voorkomen.
Vervang een kapotte lamp altijd door een
nieuwe lamp met dezelfde specificaties.
Vervang de lampen per paar om onbalans in
de verlichting te voorkomen.
Terugplaatsen van de lampunits
Voer de handelingen voor het
terugplaatsen in de omgekeerde volgorde van
het verwijderen uit.
Koplampen en andere
verlichting met ledlampen
Afhankelijk van de uitvoering zijn de betreffende
typen (kop)lampen:
– Koplampen met ledtechnologie.– Koplampen met Full LED-technologie.– Mistlampen vóór.– Offset dagrijverlichting.– Zijrichtingaanwijzers.– Verlichting zijkant.– 3D-achterlichten.– Derde remlicht.
► Draai de overige wielbouten met alleen de wielsleutel ( 5) handvast.
► Laat de auto weer volledig zakken.► Vouw de krik (6) op en verwijder deze.
► Draai de slotbout met de wielsleutel (5) en de
dop (2) vast.
► Draai de overige wielbouten met alleen de wielsleutel ( 5) vast.► Bevestig de doppen op de de wielbouten
(afhankelijk van de uitvoering).► Berg het gereedschap op.
Na het verwisselen van een wiel
Met een noodreservewiel
Schakel bepaalde rijhulpsystemen
uit (Active Safety Brake, Adaptieve
snelheidsregelaar enz.).
Rijd niet sneller dan 80 km/h.Het is verboden om met meer dan één
noodreservewiel te rijden.
Laat het aanhaalmoment van de
wielbouten en de bandenspanning van
het reservewiel zo snel mogelijk door een
PEUGEOT-dealer of een gekwalificeerde
werkplaats controleren.
Laat de lekke band controleren. Na inspectie
kan de monteur u vertellen of de band
kan worden gerepareerd of moet worden
vervangen.
Een lamp vervangen
Onder bepaalde weersomstandigheden
(zoals een lage temperatuur of vocht)
kan er een laagje condens aan de binnenzijde
van de koplampen en de achterlichten
ontstaan; dit verdwijnt als de lampen enkele
minuten branden.
Kijk nooit van dichtbij in de lichtbundel
van koplampen met led- of Full
LED-technologie. U kunt daarbij ernstig
oogletsel oplopen!
De koplampunits zijn voorzien van glas
van polycarbonaat met een speciale
vernislaag:
– Gebruik voor het schoonmaken van de
koplampen nooit een droge doek of een
schuur-, schoonmaak- of oplosmiddel.
– Gebruik een spons met zeepwater of een pH-neutraal product.– Wanneer u met een hogedrukreiniger hardnekkig vuil probeert te verwijderen,
houd de straal dan nooit langdurig op
de koplampen, de achterlichten en de
randen ervan gericht, om beschadiging
van de vernislaag en de afdichtrubbers te
voorkomen.

246
Trefwoordenregister
3D digitaal instrumentenpaneel 1012V-accu 165, 169, 191–192, 191–194
A
Aanhanger 75, 159Aanhangergewichten 198–199, 201Aanraakgevoelige leeslampjes 58
Aansluiten MirrorLink 211–212, 232Aansluiting 12 V 56ABS 73Accessoires 70Accu laden 193–194Achterbank 48Achterlichten 186Achterruitverwarming 54Achteruitrijcamera 113, 140–141Actief dodehoekbewakingssysteem 132Actieradius AdBlue 21, 169Actieradius AdBlue® 21Active Safety Brake 134–136Adaptieve cruise control met Stop-functie 116–117Adaptieve snelheidsregelaar 121–122AdBlue® 21, 171AdBlue® bijvullen 173AdBlue®-reservoir 173Advanced Grip Control 75Afmetingen 203Afstandsbediening 30–35Afstellen van de koplamphoogte 63
Afzetten van de motor 94, 96Airbags 79–82, 84Airbags vóór 80, 82, 85Airconditioning 50, 52–53Airconditioning (handbediend) 50Alarmknipperlichten 70, 177Alarmsysteem 38–39Algemeen menu 27Allesdragers 163
Android Auto verbinding 232Antiblokkeersysteem (ABS) 73–74Antidiefstalsysteem/Startblokkering 32Antispinregeling (ASR) ~ Antislipregeling 74Apple®-speler 210, 237Apple CarPlay verbinding 212, 231Apps 233Audiokabel 236Audioversterker 56Automatische airconditioning ~ Airconditioning, automatische 51, 53Automatische ruitenwissers 69Automatische transmissie ~ Versnellingsbak, automatische 101, 103–106, 108, 110–111, 170, 193Automatisch inschakelen verlichting 63–64Automatisch noodremsysteem 134–136AUX-aansluiting 210, 236
B
Bagageruimte 38, 60
Banden 171, 203Banden oppompen 171, 203Bandenreparatieset 178–179Bandenspanning 171, 181, 203Bandenspanningscontrole (met set) 179, 181Bandenspanning te laag (detectie) 111Batterij afstandsbediening ~ Afstandsbediening, batterij 36–37Batterij afstandsbediening vervangen ~
Afstandsbediening, batterij vervangen 36Bediening autoradio aan stuurkolom ~
Autoradio, bedieningen
aan stuurkolom 205, 220Beladen 163Benzinemotor 167, 199Bijvullen AdBlue® 169, 173Binnenspiegel 47BlueHDi 21, 169, 177Bluetooth (handsfree set) 213–214, 237–238Bluetooth (telefoon) 213–214, 237–239Bluetooth-verbinding 213–214, 233, 237–239Bochtverlichting, statisch 66Boordcomputer 25–26Boordgereedschap 59, 177–179Brandstof 7, 151Brandstofadditief 170Brandstofniveaumeter 151Brandstoftank 151–152Brandstof tanken 151–152Brandstoftank leeg (diesel) 177Brandstofverbruik 7Brandstofvuldop ~ Brandstoftankdop 151