
149
Verlaat om veiligheidsredenen (kinderen
in de auto) de auto nooit bij draaiende
motor.
Handmatig schakelen
F Druk, terwijl de selectiehendel in stand D staat, op de toets M
om sequentieel te schakelen
tussen de 6 of 8 versnellingen.
Het lampje van de toets gaat uit. Bij handmatig schakelen is het niet
noodzakelijk om bij het schakelen het
gaspedaal los te laten.
Het schakelen naar een andere
versnelling kan alleen als de snelheid van
de auto en het toerental van de motor dit
toestaan. Bij een te laag of te hoog toerental
knippert de geselecteerde versnelling
enkele seconden waarna de werkelijk
ingeschakelde versnelling wordt
weergegeven.
Als de auto stopt of langzaam rijdt, kiest
de transmissie automatisch de stand M1
.
In een steile en/of lange afdaling is het om
de remmen te ontzien raadzaam om terug
te schakelen of in een lage versnelling te
blijven rijden.
Voortdurend remmen kan leiden tot
over verhitting van de remmen waardoor
het remsysteem beschadigd of buiten
werking kan raken.
Rem alleen als dit noodzakelijk is om
snelheid te minderen of te stoppen.
Op wegen met steile hellingen
(bijvoorbeeld een bergweg) is het
raadzaam handmatig te schakelen.
Het automatische schakelprogramma
werkt onder zulke omstandigheden niet
optimaal en biedt geen mogelijkheid om
op de motor af te remmen.
Ongeldige waarde bij
handmatig schakelen
Dit symbool verschijnt als een
versnelling niet goed is ingeschakeld
(de keuzeschakelaar bevindt zich
tussen twee standen in). F
Z
et de keuzeschakelaar "goed" in de
gewenste stand.
Stilzetten van de auto
Selecteer voordat u de motor afzet de stand P
en trek ver volgens de parkeerrem aan om de
auto te blokkeren.
Het lampje van de toets gaat branden.
F
B
edien de flipper " +" of " -" aan de
stuurkolom.
Op het instrumentenpaneel
verschijnt de aanduiding M en
verschijnen achtereenvolgens de
ingeschakelde versnellingen.
F
U k
unt op elk moment terugkeren naar
automatisch schakelen door nogmaals op
de toets M te drukken. U kunt bij het selecteren van de stand P
een zwaar punt voelen.
Als de selectiehendel niet in de stand
P staat, klinkt bij het openen van het
bestuurdersportier of na ongeveer 45
seconden een geluidssignaal en verschijnt
een melding op het display.
F
Z
et de selectiehendel in de stand P ;
het geluidssignaal stopt en de melding
verdwijnt.
Wanneer de auto zwaar beladen is en u
deze op een steile helling parkeert, houd
dan het rempedaal ingetrapt , selecteer
de stand P , trek de parkeerrem aan en laat
vervolgens het rempedaal weer los.
Controleer voordat u uitstapt altijd of de
keuzeschakelaar in de stand P staat.
6
Rijden

150
Storing
Bij aangezet contact wordt een melding
op het display van het instrumentenpaneel
weergegeven die duidt op een storing in de
transmissie.
De transmissie werkt dan met een
noodprogramma en de 3
e versnelling blijft
ingeschakeld. U kunt dan een hevige schok
voelen bij het selecteren van R vanuit de
stand
P , of R vanuit de stand N . Dit is niet
schadelijk voor de transmissie.
Rijd niet harder dan 100 km/h (afhankelijk van
de geldende snelheidslimiet).
Laat het systeem controleren door een
PEUGEOT-dealer of door een gekwalificeerde
werkplaats.
De automatische transmissie kan
beschadigd raken:
-
a
ls u het gaspedaal en het rempedaal
gelijktijdig intrapt (bedien deze pedalen
uitsluitend met uw rechtervoet),
-
a
ls u, indien de accu geen stroom
levert, de keuzeschakelaar vanuit de
stand P geforceerd naar een andere
stand schakelt.
Zet, om het brandstofverbruik tijdens
langdurig stilstaan met draaiende
motor (file, enz...) te beperken, de
keuzeschakelaar in de stand N en trek
de parkeerrem aan. Het aanduwen om de motor te starten
is bij een auto met een automatische
transmissie niet toegestaan.Elektronisch gestuurde
versnellingsbak
Elektronische versnellingsbak met
6
versnellingen, met elektronische regeling
van schakelingen. De versnellingsbak biedt
ook een handmatige modus om sequentieel te
schakelen via schakelflippers achter het stuur.
Selectiehendel
Bij het bedienen van de keuzeschakelaar
is het om veiligheidsredenen raadzaam
om het rempedaal ingetrapt te houden.
Stuurwielflippers
R. Achteruitversnelling.
N. Neutraalstand.
A. Auto (automatisch schakelen). M.
Handmatig (handmatig schakelen
met sequentieel schakelen tussen de
versnellingen).
F
T
rek de rechter flipper "
+" of linker flipper " -"
naar u toe om op of terug te schakelen.
Met de flippers kunt u de neutraalstand
niet selecteren en de achteruitversnelling
niet in- en uitschakelen.
Rijden

151
Weergave op het
instrumentenpaneel
Starten van de auto
F Selecteer de stand N.
F H oud het rempedaal volledig ingetrapt.
F
S
tart de motor.
Op het display van het
instrumentenpaneel verschijnt de
aanduiding N .
Wanneer de motor niet wil star ten:
Als de aanduiding N op het display
knippert in combinatie met een
geluidssignaal en een melding, zet de
keuzeschakelaar dan in de stand A en
ver volgens in de stand N .F
Sel
ecteer de automatische bediening
(stand
A
), de handmatige bediening
(stand
M
) of de achteruitversnelling
(stand
R
).
F
Z
et de parkeerrem vrij.
F
L
aat het rempedaal geleidelijk los, de auto
zet zich direct in beweging.
Automatische werking
F Selecteer bij draaiende motor de stand A om het automatische schakelprogramma in
te schakelen.
Op het instrumentenpaneel
worden de aanduiding AUTO
en de ingeschakelde versnelling
weergegeven.
De transmissie werkt dan in de auto-adaptieve
stand, zonder dat u zelf hoeft te schakelen. De
versnellingsbak kiest voortdurend de meest
geschikte versnelling en houdt hierbij rekening
met:
-
de
rijstijl,
-
h
et profiel van de weg. Trap om krachtig te accelereren
(bijvoorbeeld voor een
inhaalmanoeuvre) het gaspedaal
volledig in.
Tijdelijk handmatig schakelen
U kunt tijdelijk zelf schakelen met de
flippers " +" en " -” aan het stuur wiel. Als
het motortoerental het toestaat, wordt de
gevraagde versnelling ingeschakeld.
Met deze functie kunt u anticiperen op
bepaalde rijsituaties, zoals het inhalen van een
voorligger of het naderen van een bocht.
Als de flippers enige tijd niet meer gebruikt
worden, gaat de versnellingsbak weer over op
de automatische stand.
Handmatige werking
F Selecteer bij draaiende motor de stand M om sequentieel te schakelen.
Wanneer de selectiehendel wordt verplaatst,
wordt het lampje en de desbetreffende
versnelling weergegeven op het display van het
instrumentenpaneel.
Wanneer "
-" wordt weergegeven, is de waarde
ongeldig.
Als op het instrumentenpaneel
het pictogram Voet op het
rempedaal brandt in combinatie
met een geluidssignaal en de
melding "Voet op rempedaal",
houd het rempedaal dan steviger
ingetrapt. F
B
edien de flipper " +" of " -" aan de
stuurkolom.
Het schakelen naar een andere
versnelling kan alleen als de snelheid
van de auto en het toerental van de
motor dit toestaan, anders wordt er
tijdelijk overgegaan op de automatische
bediening. Op het instrumentenpaneel
worden de aanduiding AUTO
en de ingeschakelde versnelling
weergegeven.
6
Rijden

152
Tijdens het schakelen hoeft u het
gaspedaal niet los te laten.
Bij het remmen of het verminderen van
de snelheid schakelt de versnellingsbak
automatisch terug, zodat de juiste
versnelling is geselecteerd op het moment
dat u het gaspedaal weer intrapt.
Bij krachtig accelereren wordt de hoogste
versnelling niet ingeschakeld als de bestuurder
de flippers achter het stuur niet bedient.
Zet de selectiehendel tijdens het rijden
nooit in de stand N (neutraalstand).
Selecteer de achteruitversnelling
(stand
R) uitsluitend als de auto volledig
stilstaat en de voet op het rempedaal
wordt gehouden.
Achteruitversnelling
Selecteer de achteruitversnelling uitsluitend
als de auto volledig stilstaat en de voet op het
rempedaal wordt gehouden.
F
S
electeer de stand R .
Bij het inschakelen van de achteruitversnelling
klinkt een geluidssignaal.
Wanneer u bij een lage snelheid de
achteruitversnelling selecteert, knippert de
aanduiding N en wordt de versnellingsbak
automatisch in de neutraalstand gezet.
Zet om de achteruitversnelling in te
schakelen uw voet op het rempedaal,
de selectiehendel in de stand N en
ver volgens in de stand R .
Stilzetten van de auto
Voordat u de motor afzet, kunt u:
-
d e keuzeschakelaar in de stand N zetten om
de neutraalstand te selecteren,
of
-
d
e versnellingsbak in de ingeschakelde
versnelling laten staan. In dat geval kan de
auto niet worden verplaatst.
Trek in beide gevallen altijd de parkeerrem aan
om de auto volledig stil te zetten.
Selecteer wanneer u de auto met
draaiende motor stilzet altijd de
neutraalstand N .
Controleer voordat u werkzaamheden
onder de motorkap uitvoert altijd of de
keuzeschakelaar in de neutraalstand N
staat en de parkeerrem is aangetrokken.
Storing
Als de aanduiding A of AUTO bij het aanzetten
van het contact gaat knipperen, in combinatie
met een geluidssignaal en een melding, duidt
dit op een storing in de versnellingsbak.
Laat uw auto controleren door het PEUGEOT-
netwerk of een gekwalificeerde werkplaats. Houd bij het starten van de motor altijd het
rempedaal ingetrapt.
Trek bij het parkeren de parkeerrem altijd
aan om de auto volledig te blokkeren.
Stop & Start
De Stop & Start-functie zet de motor
tijdelijk af (STOP-stand) als u stopt (bij rood
licht, opstoppingen enz.). De motor wordt
automatisch opnieuw gestart (START-stand)
als u weer weg wilt rijden.
De functie is per fect afgestemd op
stadsgebruik en zorgt voor een lager
brandstofverbruik, minder uitstoot van
schadelijke stoffen en een aangename rust in
het interieur tijdens het wachten.
De functie heeft geen invloed op de
functionaliteit van de auto, met name het
remmen.
Rijden op een overstroomde weg
Schakel het Stop & Start-systeem uit
wanneer u over een overstroomde weg
moet rijden.
Raadpleeg de desbetreffende rubriek voor
meer rijadviezen , met name over het
rijden op overstroomde wegen.
Rijden

153
Uitschakelen/inschakelen
Met / / zonder audiosysteem
Als u het systeem met de motor in de
STOP-stand uitschakelt, dan wordt de
motor direct opnieuw gestart.
Werking
Primaire werkingsvoorwaarden
- H et bestuurdersportier moet zijn gesloten.
-
D
e schuifdeur moet zijn gesloten.
-
D
e veiligheidsgordel van de bestuurder
moet zijn vastgemaakt.
-
H
et laadniveau van de accu moet voldoende
zijn.
-
D
e temperatuur van de motor moet binnen
het nominale werkingsbereik liggen.
-
D
e buitentemperatuur moet tussen 0 °C en
35
°C liggen.
De motor in standby zetten
(STOP-stand)
De motor wordt automatisch in standby gezet
als de bestuurder de intentie aangeeft te willen
stoppen.
Bij auto's met een handgeschakelde
versnellingsbak : als u bij een snelheid lager
dan 20
km/h of bij gestopte auto (afhankelijk
van de motor) de versnellingshendel in de
neutraalstand zet en het koppelingspedaal
loslaat.
Bij auto's met een automatische transmissie :
met het rempedaal ingetrapt of de
selectiehendel in de stand N , bij gestopte auto.
Bij auto's met een elektronische
versnellingsbak : als u bij een snelheid van 20
km/h het rempedaal intrapt of de selectiehendel
in de stand N zet, bij gestopte auto.
Te l l e r
Een teller houdt bij hoe lang standby tijdens
een traject is geactiveerd. De teller wordt elke
keer als u het contact aanzet weer op nul gezet.
Bijzonderheden:
Het systeem schakelt niet naar standby
als niet minimaal is voldaan aan een van
de voor waarden voor de werking en in de
volgende gevallen:
-
D
e auto staat op een steile helling
(bergopwaarts of bergafwaarts).
-
D
e auto heeft sinds de laatste start (met
de sleutel of de " START/STOP"-knop) niet
sneller dan 10
km/h gereden.
-
A
ls het draaien van de motor nodig is
om het interieur op een aangename
temperatuur te houden.
-
D
e ontwaseming is ingeschakeld. In deze gevallen knippert dit lampje
een paar seconden, waarna het
uitgaat.
Nadat de motor is gestart, is de STOP-
stand niet beschikbaar zolang de auto nog
geen snelheid heeft bereikt van 8
km/h.
Tijdens parkeermanoeuvres zal de STOP-
stand enkele seconden na het schakelen
uit de achteruitversnelling of het draaien
van het stuur wiel niet werken.
F
U k
unt het systeem uit- of inschakelen door
op deze toets te drukken.
Het lampje brandt als het systeem is
uitgeschakeld .
Met touchscreen
De functie kan worden
in- en uitgeschakeld in het
configuratiemenu van de auto.
Het systeem wordt automatisch weer
ingeschakeld zodra u de motor opnieuw
start.
6
Rijden

156
Zonder audiosysteem
F Druk gedurende ongeveer drie seconden op deze knop en laat de knop ver volgens
los; het resetten wordt bevestigd door een
geluidssignaal.
Met audiosysteem of touchscreen
Opnieuw initialiseren wordt
uitgevoerd via het configuratiemenu
van de auto.
Storing
In dat geval werkt de bandenspanningscontrole
mogelijk niet goed.
Laat het systeem controleren door het
PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats. Bij een storing in het systeem gaan deze
lampjes branden.
Rij- en
parkeerhulpsystemen -
Algemene adviezen
Ondanks de aanwezigheid van rij- en
parkeerhulpsystemen moet de bestuurder
altijd alert blijven.
De bestuurder moet zich altijd aan de
verkeersregels houden, moet onder alle
omstandigheden de auto in zijn macht
hebben en moet te allen tijde in staat zijn
om de controle weer over te nemen. De
bestuurder moet de snelheid aanpassen
aan de weersomstandigheden, het
verkeer en de toestand van de weg.
De bestuurder moet te allen tijde het
verkeer in de gaten blijven houden en de
snelheid en afstand van achteropkomend
verkeer inschatten voordat richting
aangegeven en van rijstrook gewisseld
wordt.
De systemen werken uitsluitend binnen de
grenzen van de natuurkundige wetten.
Rijhulpsystemen
De bestuurder moet beide handen aan
het stuur wiel houden, altijd de binnen- en
buitenspiegels gebruiken, altijd de voet
dichtbij de pedalen houden en iedere twee
uren pauze nemen. Parkeerhulpsystemen
De bestuurder moet voorafgaand aan en
tijdens het manoeuvreren altijd en met
name met behulp van de spiegels de
omgeving van de auto in de gaten houden.
Radar
De werking van de radar en de
bijbehorende functies kan negatief worden
beïnvloed door de opeenhoping van vuil
(stof, modder, ijs enz.) of door bepaalde
weersomstandigheden (zware regenval,
sneeuw) wanneer de bumper beschadigd
is.
Neem contact op met het PEUGEOT-
netwerk of een gekwalificeerde werkplaats
alvorens de voorbumper te spuiten of
de lak er van bij te werken. Bepaalde
laksoorten kunnen de werking van de
radar beïnvloeden.
Rijden

160
F Voer de nieuwe waarde in met de nummertoetsen en bevestig.
F
E
r zijn standaard al enkele snelheden
opgeslagen.
U kunt de opgeslagen snelheden
weergeven door op deze toets te
drukken.
F
D
ruk op de toets van de snelheid die u wilt
wijzigen.
snelheidslimietherkennings-
en snelheidsadviessysteem
Lees de algemene adviezen over het gebruik
van de rij- en parkeerhulpsystemen.
Dit systeem geeft de maximaal toegestane
snelheid op het instrumentenpaneel weer,
conform de snelheidslimieten die gelden in het
land waarin u rijdt, op basis van: -
I
nformatie over snelheidslimieten uit de
kaartgegevens van het navigatiesysteem.
Om er zeker van te zijn dat de informatie
over snelheidslimieten afkomstig van
het navigatiesysteem actueel is, dienen
de kaartgegevens geregeld te worden
geüpdatet.
De eenheid voor de snelheidslimieten
(km/h of mph) hangt af van het land waarin
u rijdt.
Houd hier rekening mee om te voorkomen
dat u de snelheidslimiet overschrijdt.
Als u in een ander land bent, moet
de eenheid van snelheid die door het
instrumentenpaneel wordt aangegeven
gelden voor het land waarin u rijdt; anders
werkt het systeem niet correct.
Het verkeersbordherkenningssysteem is
een hulpsysteem; het geeft niet altijd de
juiste snelheidslimiet aan.
De snelheidslimietborden langs of boven
de weg hebben altijd prioriteit boven
de door het systeem weergegeven
snelheidslimieten.
Het systeem is ontworpen voor het
detecteren van borden die voldoen aan
de regels van het Verdrag van Wenen
betreffende verkeersborden.
Inschakelen/uitschakelen
De functie kan worden
in- en uitgeschakeld in het
configuratiemenu van de auto.
Weergave op het
instrumentenpaneel
- Door de camera gedetecteerde verkeersborden met een snelheidslimiet. 1.
Weergave van de snelheidslimiet.
Head-up display
Rijden

162
Weergave op het
instrumentenpaneel
Head-up display
3.Weergave van de snelheidslimiet.
4. Opslaan van de snelheid.
5. Actuele ingestelde snelheid.
Opslaan van de snelheid
Bij de detectie van een verkeersbord met
een andere snelheidslimiet geeft het systeem
de waarde aan en knippert MEM een paar
seconden om u voor te stellen deze nieuwe
snelheid als ingestelde snelheid op te slaan.
Bij een verschil van minder dan 9
km/h
tussen de ingestelde snelheid en de
door de snelheidslimietherkennings- en
snelheidsadviessysteem weergegeven
snelheid wordt het symbool " MEM" niet
weergegeven.
Afhankelijk van de omstandigheden kunnen
verschillende snelheden worden weergegeven.
F
Druk eenmaal op toets 2 om de
voorgestelde snelheid op te slaan.
Er wordt een melding weergegeven om het
verzoek te bevestigen.
F
Druk nogmaals op toets 2 om te bevestigen
en deze snelheid als nieuwe ingestelde
snelheid op te slaan.
Het display keert na enige tijd terug naar de
vorige weergave. F
S
chakel de snelheidsbegrenzer/
snelheidsregelaar in.
De informatie over de snelheidsbegrenzer/
snelheidsregelaar wordt weergegeven.
Snelheidsbegrenzer
Lees de algemene adviezen over het gebruik
van de rij- en parkeerhulpsystemen.
Dit systeem voorkomt dat de auto
de door de bestuurder ingestelde
snelheid overschrijdt.
De snelheidsbegrenzer moet handmatig
worden ingeschakeld .
De minimale snelheid die ingesteld kan worden
is 30
km/h.
De ingestelde snelheid blijft na het afzetten van
het contact opgeslagen in het geheugen.
Raadpleeg de desbetreffende
rubriek voor meer informatie
over deze toets en de adaptieve
snelheidsregelaar .
Raadpleeg de desbetreffende
rubriek voor meer informatie over
het opslaan van snelheden .
Raadpleeg de desbetreffende
rubriek voor meer informatie over
de snelheidslimietherkenning en
in het bijzonder het opslaan van de
weergegeven snelheidslimiet.
Rijden