
Verzorging van de auto207Let op
In landen waar het bandenspan‐
ningscontrolesysteem wettelijk
vereist is, vervalt de typegoedkeu‐
ring van de auto bij het gebruik van wielen zonder spanningssensoren.
De sensoren van het bandenspan‐
ningscontrolesysteem controleren de
spanningswaarden van de banden en
verzenden de meetwaarden naar een
ontvanger in de auto.
Overzicht bandenspanningswaarden
3 251.
Bandenspanning te laagEen te lage bandenspanning wordt
aangegeven door het oplichten van
controlelamp w 3 101 en een bijbe‐
horend bericht op het Driver Informa‐ tion Center.
Als w oplicht, stop dan bij de eerst‐
volgende gelegenheid en breng de
banden op de aanbevolen spannings‐
waarden 3 251.
Na het op spanning brengen moet u mogelijk een stukje rijden om de
bandenspanningswaarden in het
systeem bij te werken. Hierbij kan w
oplichten.
Als w bij lagere temperaturen oplicht
en na een stukje rijden dooft, kan dit
duiden op een te lage bandenspan‐
ning. Controleer de bandenspan‐
ningswaarden van alle vier de
banden.
Schakel het contact uit wanneer de
bandenspanning moet worden
verhoogd of verlaagd.
Monteer uitsluitend wielen met druk‐
sensoren, omdat anders w dan
enkele seconden knippert en vervol‐
gens blijft branden, samen metcontrolelamp A 3 99 en er een bijbe‐
horend bericht op het Driver Informa‐ tion Center verschijnt.
Een reservewiel of tijdelijk reserve‐
wiel heeft geen spanningssensor. Het
bandenspanningscontrolesysteem
werkt niet op deze wielen. Voor de
overige drie wielen blijft het banden‐
spanningscontrolesysteem in
werking.
Controlelamp w en het bijbehorende
bericht blijven actief totdat de banden op de juiste bandenspanning zijn
gezet.
Driver Information Center 3 104.
Boordinformatie 3 105.
Lekke band
Een lekke band of een veel te lage
bandenspanning wordt aangegeven
door het oplichten van controlelamp
w samen met C 3 100 en een bijbe‐
horend bericht op het Driver Informa‐
tion Center. Stop de auto en schakel
de motor uit.
Bandenspanning 3 251, Bandenre‐
paratieset 3 210, Reservewiel
3 216, Wiel verwisselen 3 213.

208Verzorging van de autoInleerfunctie
Na het repareren van een lekke band
en het weer op spanning brengen van de banden moet het bandenspan‐
ningscontrolesysteem opnieuw bere‐
kenen.
Bandenspanning 3 251, bandenre‐
paratieset 3 210.
Selecteer onderweg het menu
Bandenspanning op het Driver Infor‐
mation Center door de knop op het
uiteinde van de wisserhendel in te
drukken. Houd de knop gedurende
ongeveer vijf seconden ingedrukt om
het systeem opnieuw te laten bereke‐
nen. Een bijbehorend bericht
verschijnt in het Driver Information
Center.
Voor het voltooien van de inleerpro‐
cedure moet u wellicht enkele minu‐
ten met een snelheid van meer dan
40 km/u rijden. Het systeem kan
tijdens deze tijd alleen beperkte infor‐
matie verstrekken.
Wanneer tijdens het inleren proble‐
men optreden, blijft controlelamp w
branden en wordt een waarschu‐
wingsbericht op het Driver Informa‐
tion Center weergegeven.
Driver Information Center 3 104.
Boordinformatie 3 105.
Algemene informatie
Gebruik van sneeuwkettingen of in de handel verkrijgbare vloeibare
bandenreparatiesets kan de werking
van het systeem nadelig beïnvloe‐
den. Gebruik door de fabriek goedge‐
keurde bandenreparatiesets.
Bandenreparatieset 3 210, Sneeuw‐
kettingen 3 210.Externe zendinstallaties met een
hoog vermogen kunnen storingen in
het bandenspanningscontrolesys‐
teem tot gevolg hebben.
Elke keer bij het verwisselen van de
banden moeten de sensoren van het
bandenspanningscontrolesysteem
worden gedemonteerd en onderhou‐
den door een werkplaats.
Profieldiepte Regelmatig de profieldiepte controle‐
ren.
Om veiligheidsredenen de banden te
vervangen wanneer een profieldiepte
van twee-drie mm (vier mm voor
winterbanden) is bereikt.
Omwille van de veiligheid wordt het
aanbevolen dat de profieldiepte van de banden op één as onderling niet
meer dan twee mm verschilt.

228Service en onderhouden: Koude starts, vaak stoppen en
optrekken, rijden met een aanhanger,
rijden in de bergen, rijden op slechte
en rulle wegdekken, ernstige lucht‐
vervuiling, zand en veel stof in de
lucht, rijden op grote hoogtes en
aanzienlijke temperatuurwisselingen.
In deze zware omstandigheden
moeten bepaalde onderhoudswerk‐
zaamheden wellicht vaker dan met
het reguliere service-interval worden
verricht.
Servicedisplay 3 94.
Registraties Uitgevoerde service wordt geregi‐
streerd op de daarvoor bestemde
plaatsen in het service- en garantie‐
boekje. De datum en afgelezen kilo‐
meterstand worden bevestigd met
stempel en handtekening van de
uitvoerende werkplaats.
Zorg ervoor dat het service- en garan‐
tieboekje correct wordt ingevuld,
omdat een sluitend bewijs van
service essentieel is bij aanspraken
op garantie of goodwill en tevens een pluspunt is bij verkoop van de auto.Servicedisplay
Het service-interval is gebaseerd op
diverse parameters afhankelijk van
het gebruik.
De Service-display, in het Driver Information Center, geeft de
volgende onderhoudsbeurt aan. De
hulp van een werkplaats inroepen.
Servicedisplay 3 94.
Peilsensor motorolie 3 94.Aanbevolen
vloeistoffen,
smeermiddelen en
onderdelen
Aanbevolen vloeistoffen en smeermiddelen
Gebruik alleen producten die voldoen aan de aanbevolen specificaties.9 Waarschuwing
Bedrijfsvloeistoffen zijn gevaarlijk
en mogelijk giftig. Voorzichtig
hanteren. Informatie op de verpak‐ king in acht nemen.
Motorolie
Motorolie wordt ingedeeld op basis van kwaliteit en viscositeit. Bij de
keuze van motorolie is kwaliteit
belangrijker dan viscositeit. Door de
oliekwaliteit blijft o.a. de motor
schoon, is de slijtage minimaal en
veroudert de olie minder snel. De

Klantinformatie255Bedrijfsfre‐
quentie (MHz)Maximum
uitgangsver‐
mogen (dBm)2400 - 2483,5
MHz100 mW EIRP
Achteruitkijkcameradisplay
Ficosa International
Gran Via de Carles III, 98, 08028
Barcelona, Spain
Bedrijfsfre‐
quentie (MHz)Maximum
uitgangsver‐
mogen (dBm)824 - 894 MHz39 dBm880 - 960 MHz39 dBm1710 - 1880 MHz36 dBm1850 - 1890 MHz33 dBm
Telematicadisplay
MASTERNAUT INTERNATIONAL
4 rue Charles Cros 27400 Louviers,
France
Bedrijfsfre‐
quentie (MHz)Maximum
uitgangsver‐
mogen (dBm)900 MHz33 dBm1800 MHz30 dBm
Ontvanger bandenspanningscontrole
Schrader Electronics
Trooperslane Industrial Estate, 2 Meadowbank Rd, Carrickfergus
BT38 8YF, United Kingdom
Bedrijfsfrequentie: n.v.t.
Maximum uitgangsvermogen: n.v.t.
Bandenspanningssensoren
Schrader Electronics
Trooperslane Industrial Estate, 2
Meadowbank Rd, Carrickfergus
BT38 8YF, United Kingdom
Bedrijfsfre‐
quentie (MHz)Maximum
uitgangsver‐
mogen (dBm)433,05 - 434,79
MHz10 mW ERP
Bandenspanningssensormodule
Visteon Electronics
04 Rue Nelson Mandela, Zone Indu‐
strielle Borj Cedria, 2055 Bir El Bey,
Tunisia
Bedrijfsfrequentie: n.v.t.
Maximum uitgangsvermogen: n.v.t.
Radarsystemen
Landspecifieke conformiteitsverkla‐ ringen voor radarsystemen staan op
de volgende pagina:

263LLaadruimte.................................... 23
Laadsysteem ............................... 99
Laadvloernet ................................. 77
Lampenkappen, beslagen ..........115
Lane Departure Warning ....100, 171
Leeslamp achteraan ...................116
Leeslampen ............................... 116
Leeslamp vooraan ......................116
Lekke band ......................... 210, 213
Lichtschakelaar .......................... 110
Lichtsignaal ................................ 112
Luchtinlaat ................................. 133
Luchtvering ................................ 143
Luchtveringssysteem ..................221
M
Meldingen ................................... 105
Meters........................................... 92
Mistachterlicht .................... 103, 110
Mistachterlichten ........................ 114
Mistlamp .................................... 103
Mistlampen .................110, 114, 193
Mistlampen voor ........................114
Modus ECO ................................ 136
Motoraanduiding .........................232
Motorgegevens .......................... 234
Motor-ID...................................... 232
Motorkap .................................... 181
Motorolie ............182, 228, 233, 250Motorolieadditieven ....................228
Motoroliedruk ............................. 102
Motorolieviscositeitsindexen .......228
Motorremmomentregeling ..........162
Motor starten ................17, 138, 155
N
Nieuwe auto inrijden ..................137
Nooduitgang ........................... 40, 42
O
Obstakeldetectiesystemen .........167
Olie ............................................. 182
Oliedruk ...................................... 102
Olie, motor .......................... 228, 233
Oliepeil.......................................... 94
Ontlaadbeveiliging accu ............117
Ontwasemen en ontdooien ..........15
Opbergnet............................... 75, 76
Opbergruimte................................ 74
Opbergruimte achterin ..................77
Opbergruimte onder achterbank ..76
Opbergruimte plafond ..................77
Opbergruimte voor........................ 75
Opbergvakken .............................. 74
Opbergvakken instrumentenpaneel .................74
Opbergvak onder passagiersstoel 76
Opschakelen............................... 100
Opwarmen van de turbomotor ....138
Overzicht instrumentenpaneel .....10P
Panne ......................................... 221
Panoramadak .............................. 42
Parkeerhulp ............................... 167
Parkeerrem - zie Handrem .........159
Parkeertickethouder .....................41
Parkeren .............................. 18, 142
Park pilot met ultrasoonsensoren 167
Partikelfilter ................................. 145
Pedalen ...................................... 136
Peilsensor motorolie .....................94
Pollenfilter .................................. 133
Portieren ....................................... 28
Portier open ............................... 103
Portiersloten ................................. 22
Portiervergrendelknoppen ............22
Profieldiepte ............................... 208
PTO (krachtafnemer) ..................177
R
Radiofrequentie-identificatie (RFID) ..................................... 258
REACH ....................................... 257
Regeling stationair toerental .......139
Regensensor ................................ 87
Registratie van voertuigdata en privacy ..................................... 257
Remassistentie .......................... 160
Remmen ............................ 158, 186
Remsysteem .............................. 100