
Opslagplaats van bandenservicekit
De bandenservicekit is opgeborgen onder de
laadvloer achter de achterbank.
1. Open de achterklep.
2. Til de afdekking met behulp van de laad-
vloergreep omhoog.Onderdelen en gebruik van de bandenservicekit
Gebruik van de functieregelknop en slangen
Uw bandenservicekit is voorzien van de vol-
gende symbolen, die de lucht- en afdicht-
functie aangeven.
Luchtfunctie selecteren
Druk de functieregelknop in en draai hem
naar de stand voor alleen luchtpompbedie-
ning.Laadvloergreep
Bandenservicekit (bovenaanzicht)
1 — Stekker
2 — Functieregelknop
3 — Bandenspanningsmeter
4 — Aan/uit-schakelaar
5 — Knop voor leeglopen
Bandenservicekit (onderaanzicht)
1 — Fles met afdichtingsmiddel
2 — Slangaansluitingen
3 — Afdichting/luchtslang
233

Afdichtfunctie selecteren
Druk de functieregelknop in en draai hem
naar deze stand om het afdichtingsmiddel
van de bandenservicekit in te spuiten en de
band op te pompen.
Gebruik van de aan/uit-knop
Druk eenmaal op de aan/uit-knop om de
bandenservicekit in te schakelen. Druk nog-
maals op de aan/uit-knop om de bandenser-
vicekit uit te schakelen.
Gebruik van de knop voor leeglaten
Druk op de knop voor leeglaten om de lucht-
druk in de band te verlagen wanneer de
bandenspanning te hoog is.
Voorzorgsmaatregelen voor gebruik van ban-
denservicekit
• Vervang de fles met afdichtingsmiddel uit
de servicekit voordat de houdbaarheidsda-
tum (vermeld op het etiket van de fles) is
verstreken, om er zeker van te zijn dat het
systeem optimaal werkt. Raadpleeg "Fles
met afdichtingsmiddel vervangen" in dit
hoofdstuk.• De fles met afdichtingsmiddel is bedoeld
voor eenmalig gebruik en moet telkens na
gebruik worden vervangen. Laat deze on-
derdelen altijd onmiddellijk vervangen door
een erkende dealer.
• Als het afdichtingsmiddel van de banden-
servicekit vloeibaar is, kan het met schoon
water en een vochtige doek van de lak of de
band- en wielonderdelen worden afge-
veegd. Als het afdichtingsmiddel droog is,
kan het makkelijk worden verwijderd en op
de juiste wijze worden afgevoerd.
• Voor de beste prestaties dient u ervoor te
zorgen dat het ventiel op het wiel schoon is
voordat u de bandenservicekit aansluit.
• U kunt de luchtpomp uit de bandenservice-
kit gebruiken om fietsbanden op te pom-
pen. De set bevat tevens twee naalden, die
zich in de opbergruimte voor toebehoren
(aan de onderkant van de luchtpomp) be-
vinden, waarmee u ballen, luchtbedden of
andere opblaasbare voorwerpen kunt op-
pompen. Gebruik uitsluitend de luchtpomp
en zorg ervoor dat de functieregelknop op
de luchtmodus is afgesteld als zulke voor-
werpen worden opgepompt om te voorko-
men dat ze worden ingespoten met afdich-tingsmiddel. Het afdichtingsmiddel uit de
bandenservicekit is uitsluitend bedoeld
voor het afdichten van gaatjes met een
maximale diameter van 1/4 inch (6 mm) in
het loopvlak van een band.
• U mag de bandenservicekit niet aan de
slangen optillen of dragen.
WAARSCHUWING!
• Probeer geen band af te dichten aan de
zijde van de auto waar ander verkeer
langs rijdt. Ga ver genoeg van de weg af
staan om ongelukken te voorkomen bij
gebruik van de bandenreparatieset.
• Onder de volgende omstandigheden
mag u de bandenreparatieset niet ge-
bruiken en niet met de auto rijden:
– Als het gat in het loopvlak van de
band ongeveer 6 mm (1/4 inch) of
groter is.
– Als de wang van de band bescha-
digd is.
– Als de band is beschadigd door rij-
den met zeer lage bandenspanning.
– Als de band is beschadigd door rij-
den met een lekke band.
IN GEVAL VAN NOOD/PECH
234

WAARSCHUWING!
– Als het wiel beschadigd is.
– Als u niet zeker weet in welke staat
de band of het wiel verkeert.
• Houd de bandenreparatieset uit de
buurt van open vuur en warmtebronnen.
• Een losse bandenreparatieset kan bij
een noodstop of ongeval naar voren
schieten en zo de inzittenden ernstig
letsel toebrengen. Berg de bandenrepa-
ratieset altijd op de daarvoor voorziene
plaats op. Als geen gehoor wordt gege-
ven aan deze waarschuwingen, kan dit
ernstig of dodelijk letsel tot gevolg heb-
ben voor u, uw passagiers en anderen in
uw omgeving.
• Voorkom dat de bandenreparatieset in
contact komt met uw haar, ogen of kle-
ding. Het afdichtmiddel van de banden-
reparatieset is schadelijk bij inademen,
inslikken en huidcontact. Het veroor-
zaakt irritatie van de huid, ogen en
luchtwegen. Spoel onmiddellijk met
veel water na eventuele aanraking met
de ogen of de huid. Trek zo snel mogelijk
WAARSCHUWING!
andere kleding aan wanneer TIREFIT in
aanraking is gekomen met de kleding.
• De afdichtingsoplossing van de banden-
reparatieset bevat latexrubber. Raad-
pleeg bij een allergische reactie of huid-
uitslag onmiddellijk een arts. Houd de
bandenreparatieset buiten het bereik
van kinderen. Bij inslikken de mond met
veel water uitspoelen en veel water drin-
ken. Braken niet opwekken! Direct een
arts raadplegen.
Een band repareren met de bandenservicekit
Wanneer u stopt om de bandenservice-
kit te gebruiken:
1. Parkeer de auto op een veilige plaats en
schakel de waarschuwingsknipperlichten
in.
2. Zorg dat het ventiel (op het wiel van de
lekke band) zich vlakbij de grond bevindt.
In die stand reikt de slang van de banden-
servicekit tot het ventiel en kan de ban-
denservicekit recht op de grond staan.
Hierdoor bevindt de set zich in de beste
positie voor het inspuiten van het afdich-tingsmiddel in de lekke band en het be-
dienen van de luchtpomp. Verplaats de
auto zo nodig om het ventiel in die positie
te brengen voordat u begint.
3. Zet de versnellingsbak in de stand PARK
en zet het contact in de stand OFF.
4. Trek de handrem aan.
Voorbereiding van het gebruik van
bandservicekit:
1. Rol de afdichtingsslang uit en verwijder
de dop van de fitting aan het uiteinde van
de slang.
2. Zet de bandservicekit recht op de grond,
naast de lekke band.
3. Verwijder het dopje van het ventiel en
schroef de fitting aan het uiteinde van de
afdichtingsslang op het ventiel.
4. Maak de stekker los en steek de stekker in
de 12 Volt-aansluiting van het voertuig.
OPMERKING:
Verwijder geen voorwerpen (bijvoorbeeld
schroeven of spijkers) uit de band.
235

Afdichtingsmiddel uit de bandservice-
kit in de lekke band spuiten:
1. Start altijd het voertuig voordat u de band-
servicekit inschakelt.
2. Controleer of de functieregelknop op de
stand voor de afdichtingsfunctie staat.
3. Nadat op de aan/uit-knop wordt gedrukt,
stroomt het afdichtingsmiddel (witte
vloeistof) van de fles naar de afdichtings-
slang en in de band.
OPMERKING:
Het is mogelijk dat afdichtingsmiddel uit het
gaatje in de band lekt.
Als het afdichtingsmiddel (witte vloeistof) niet
binnen 0 tot 10 seconden door de slang
stroomt:
1. Druk op de aan/uit-knop om de bandser-
vicekit uit te schakelen. Maak de afdich-
tingsslang los van het ventiel. Zorg dat het
ventiel schoon is. Sluit de afdichtings-
slang weer aan op het ventiel. Controleer
of de functieregelknop in de stand voor deafdichtingsfunctie staat en niet in de
stand voor de luchtfunctie. Druk op de
aan/uit-knop om de bandservicekit in te
schakelen.
2. Sluit de stekker aan op een andere
12 Volt-aansluiting in uw voertuig of, in-
dien mogelijk, in een ander voertuig. Zorg
dat de motor van het voertuig draait voor-
dat u de bandservicekit inschakelt.
3. De fles met afdichtingsmiddel is mogelijk
eerder gebruikt en daarom leeg. Schakel
hulp in.
Als er afdichtingsmiddel (witte vloeistof) door
de afdichtingsslang stroomt:
1. Laat de pomp werken totdat er geen af-
dichtingsmiddel meer door de slang
stroomt (dit duurt meestal 30 tot 70 se-
conden). Terwijl het afdichtingsmiddel
door de afdichtingsslang stroomt, kan de
drukmeter een waarde tot 70 psi (4,8 bar)
aangeven. De waarde van de drukmeter
neemt snel af van ongeveer 70 psi
(4,8 bar) tot de werkelijke bandenspan-
ning wanneer de fles met afdichtingsmid-
del leeg is.2. Als de fles met afdichtingsmiddel leeg is,
begint de pomp onmiddellijk met het in-
spuiten van lucht in de band. Laat de
pomp werken en vul de band totdat de
bandenspanning is bereikt die te vinden is
op de band- en beladingsinformatiestic-
ker in de portieropening aan de bestuur-
derszijde. Controleer de bandenspanning
op de drukmeter.
Als de band niet binnen 15 minuten wordt ge-
vuld tot een druk van ten minste 1,8 bar
(26 psi):
• De schade aan de band is te groot. Probeer
niet door te rijden. Schakel hulp in.
Als de band binnen 15 minuten is gevuld tot de
aanbevolen bandenspanning of tot een span-
ning van ten minste 1,8 bar (26 psi):
OPMERKING:
Druk, als de band een te hoge spanning
heeft, op de knop Deflation (leeglopen) om
de bandenspanning te verminderen tot de
voorgeschreven bandenspanning voordat u
verder gaat.
1. Druk op de aan/uit-knop om de bandser-
vicekit uit te schakelen.
IN GEVAL VAN NOOD/PECH
236

2. Verwijder het label met de snelheidslimiet
van de bandenservicekit en plaats de stic-
ker op het stuurwiel.
3. Maak de afdichtingsslang onmiddellijk los
van het ventiel, breng de dop weer aan op
de fitting aan het uiteinde van de slang,
en berg de bandservicekit op de daarvoor
bestemde plaats in het voertuig op. Ga
verder met "Rijden met het voertuig".
Rijden met het voertuig:
Rijd onmiddellijk na het inspuiten van het
afdichtingsmiddel en het vullen van de band
ongeveer 8 km (5 mijl) of tien minuten om
ervoor te zorgen dat het afdichtingsmiddel uit
de bandservicekit goed in de band wordt
verdeeld. Rijd niet sneller dan 80 km/u
(50 mph).
WAARSCHUWING!
Met de bandenreparatieset kunt u een
lekke band niet permanent repareren. Laat
de band controleren, repareren of vervan-
gen na gebruik van de bandenreparatieset.
Rijd niet sneller dan 80 km/u (50 mph)
totdat de band is gerepareerd of vervan-
WAARSCHUWING!
gen. Als geen gehoor wordt gegeven aan
deze waarschuwing, kan dit ernstig of do-
delijk letsel tot gevolg hebben voor u, uw
passagiers en anderen in uw omgeving.
Laat de band zo snel mogelijk controleren
door een erkende dealer.
Na het rijden:
Parkeer op een veilige plaats. Lees eerst
"Wanneer u stopt om de bandenservicekit te
gebruiken" in dit hoofdstuk voordat u verder
gaat.
1. Rol de afdichtingsslang uit en verwijder
de dop van de fitting aan het uiteinde van
de slang.
2. Zet de bandservicekit recht op de grond,
naast de lekke band.
3. Verwijder het dopje van het ventiel en
schroef de fitting aan het uiteinde van de
afdichtingsslang op het ventiel.
4. Maak de stekker los en steek de stekker in
de 12 Volt-aansluiting van de auto.5. Maak de slang los en schroef de fitting
aan het uiteinde van de slang op het
ventiel.
6. Draai de functieregelknop in de stand voor
de luchtfunctie.
7. Controleer de bandenspanning op de
drukmeter.
Als de bandenspanning lager is dan 1,3 bar
(19 psi):
De schade aan de band is te groot. Probeer
niet door te rijden. Schakel hulp in.
Als de bandenspanning 1,3 bar (19 psi) of meer
bedraagt:
1. Druk op de aan/uit-knop om de banden-
servicekit in te schakelen en vul de band
totdat de bandenspanning voor koude
banden is bereikt die op de band- en
beladingsinformatiesticker in de portier-
opening aan de bestuurderszijde is
vermeld.
237

OPMERKING:
Druk, als de band een te hoge spanning
heeft, op de knop Deflation (leeglopen)
om de bandenspanning te verminderen
tot de voorgeschreven bandenspanning
voordat u verder gaat.
2. Koppel de bandenservicekit los van het
ventiel, breng de dop weer aan op het
ventiel en verwijder de stekker uit de
12 Volt-aansluiting.
3. Berg de bandenserviceset op de daarvoor
bestemde plaats in de auto op.
4. Laat de band bij de eerste gelegenheid
repareren of vervangen door een erkende
dealer of een bandenservicebedrijf.
5. Verwijder de sticker met de snelheidsli-
miet van het stuurwiel nadat de band is
gerepareerd.
6. Laat de fles met afdichtingsmiddel zo
snel mogelijk vervangen bij uw erkende
dealer. Zie "Fles met afdichtingsmiddel
vervangen".OPMERKING:
Als u de band laat repareren, laat de erkende
dealer of het bandenservicebedrijf dan weten
dat de band is afgedicht met de bandenser-
vicekit.
Fles met afdichtingsmiddel vervangen:
1. Ontrol de stroomkabel.
2. Ontrol de slang.
3. Draai de dop van de fles los.
4. Draai de fles omhoog tot deze loskomt.
5. Trek de fles weg van de compressor.
OPMERKING:
• Als u de fles met afdichtingsmiddel terug
wilt plaatsen, volgt u de deze stappen om-
gekeerde volgorde.
• Vervangende flessen met afdichtmiddel
zijn verkrijgbaar bij erkende servicecentra.
STARTEN MET
STARTKABELS
Wanneer de accu van uw voertuig leeg is, kan
de motor met behulp van een set startkabels
en een accu in een ander voertuig of met eendraagbare snellader weer worden gestart. Bij
onjuist gebruik kan het starten met startka-
bels gevaarlijk zijn. Houd u daarom zorgvul-
dig aan de hier beschreven procedures.
OPMERKING:
Bij gebruik van een draagbare snellader moe-
ten instructies en vereiste voorzorgsmaatre-
gelen van de fabrikant worden uitgevoerd.
WAARSCHUWING!
Probeer het voertuig niet met startkabels
te starten wanneer de accu bevroren is. De
accu kan hierdoor openscheuren of explo-
deren, met kans op persoonlijk letsel.
LET OP!
Gebruik geen draagbare snellader of een
andere lader met een systeemspanning
groter dan 12 volt. Dit kan schade toebren-
gen aan de accu, startmotor, dynamo of
het elektrische systeem.
IN GEVAL VAN NOOD/PECH
238

LET OP!
Accessoires die op de aansluitcontacten
zijn aangesloten, ontvangen ook voedings-
spanning van de accu in de auto als u ze
niet gebruikt (bijv. mobiele apparatuur).
Als u de accessoires te lang aangesloten
laat zonder dat de motor draait, raakt de
accu zo ver ontladen dat de levensduur
ervan afneemt en/of de motor niet meer zal
starten.
TANKEN IN
NOODGEVALLEN
De procedure voor het tanken in noodgevallen
wordt beschreven in "Brandstof bijvullen met
een jerrycan in noodgevallen". Raadpleeg de
paragraaf "Brandstof tanken" in het hoofd-
stuk "Starten en rijden" voor meer informatie
hierover.
OVERVERHITTING VAN DE
MOTOR
In elk van de hierna volgende gevallen kunt u
met de passende maatregelen de kans op
oververhitting van de motor verminderen.
• Op de grote weg — minder snelheid.
• In stadsverkeer — zet de keuzehendel in
NEUTRAL wanneer u stilstaat, maar ver-
hoog het stationair toerental niet.
LET OP!
Als u blijft rijden met een oververhit koel-
systeem, kan dit leiden tot schade aan de
auto. Wanneer de temperatuurmeter in de
H-zone staat, zet dan de auto veilig stil aan
de kant van de weg. Laat de auto met
uitgeschakelde airco stationair draaien tot
de meternaald weer in het normale bereik
staat. Als de meternaald op "H" blijft staan
en u een geluidssignaal hoort, zet de motor
dan onmiddellijk af en neem contact op
voor service.OPMERKING:
Er zijn verschillende manieren om dreigende
oververhitting van de motor te voorkomen:
• Als de airco is ingeschakeld, schakel deze
dan uit. Het aircosysteem voert warmte af
naar het koelsysteem en dat gebeurt niet
als u de airco uitzet.
• U kunt ook de temperatuurregelknop in de
hoogste stand zetten, de ventilatie in de
vloerstand zetten en de aanjagerschakelaar
in een hoge stand zetten. Zo ondersteunt
het verwarmingssysteem de werking van de
radiateur bij het afvoeren van warmte uit
het koelsysteem.
WAARSCHUWING!
Hete koelvloeistof (antivries) en stoom uit
de radiateur kunnen ernstige brandwon-
den veroorzaken. Als u stoom van onder de
motorkap hoort of ziet komen, mag u de
motorkap pas openen nadat de radiateur
voldoende is afgekoeld. Open nooit de vul-
dop van het koelsysteem als de radiateur
of het koelvloeistofreservoir heet is.
241

SERVICE EN ONDERHOUD
GEPLAND ONDERHOUD......250
1.4-liter benzinemotor...........250
2.4-liter benzinemotor...........254
Dieselmotoren................258
MOTORCOMPARTIMENT......263
1.4-liter motor................263
2.4-liter motor................264
2.0-liter dieselmotor............265
1.6-liter dieselmotor............266
Oliepeil controleren............267
Ruitensproeiervloeistof bijvullen.....267
Onderhoudsvrije accu...........267
DEALERSERVICE...........268
Onderhoud van de airconditioning. . . .268
Wisserbladen................269
Koelsysteem.................269
Remsysteem.................270
Handgeschakelde versnellingsbak — indien
aanwezig...................271
Automatische versnellingsbak......271
HET VOERTUIG OMHOOG TE
BRENGEN.................272
BANDEN..................272
Banden — Algemene informatie.....272Type banden.................277
Reservewielen — indien aanwezig. . . .278
Sneeuwkettingen
(tractiehulpmiddelen)...........279
Aanbevelingen voor het rouleren
van banden.................280
INTERIEUR................281
Stoelen en bekleding............281
Kunststof- en gelakte onderdelen. . . .282
Lederen onderdelen.............283
Ruitoppervlakken..............283
SERVICE EN ONDERHOUD
249