
189
308_nl_Chap06_conduite_ed01-2016
Onder bepaalde omstandigheden is het
mogelijk dat de gevolgde auto niet kan worden
gedetecteerd, bijvoorbeeld:
-
a
ls u in een bocht rijdt,
-
a
ls u van rijstrook wisselt,
-
a
ls de voorligger zich buiten het bereik
van de sensor bevindt (maximaal bereik:
ongeveer 100
m).
Beperkingen van de
werking
wordt dit pictogram weergegeven in
combinatie met een melding.
Laat het systeem controleren
Storing
In het geval van een storing in het systeem
door het PEUGEOT-netwerk of door een
gekwalificeerde werkplaats.Als u het systeem na een reparatie voor
het eerst gebruikt, kan een melding
worden weergegeven die aangeeft dat
het systeem bezig is met resetten. De
functie is dan niet beschikbaar. Zodra
deze melding is verdwenen, is het
systeem weer klaar voor gebruik. Als
de melding niet verdwijnt, raadpleeg
dan het PEUGEOT-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats. De werking van de radar, die achter
de voorbumper is gemonteerd, kan
verstoord worden door bepaalde
weersomstandigheden, die een
opeenhoping van sneeuw, ijs, modder
enz. veroorzaken.
Reinig de voorbumper door de sneeuw
of de modder te verwijderen.
6
Rijden

209
308_nl_Chap06_conduite_ed01-2016
Bandenspanningscontrolesysteem
Het systeem bewaakt de spanning van de vier
banden zodra de auto begint te rijden.
Het systeem vergelijkt de signalen van de
snelheidssensoren van de wielen met de
referentiewaarden die elke keer nadat de
banden op spanning zijn gebracht of na het
ver wisselen van een wiel moeten worden
gereset.
Het systeem geeft een waarschuwing zodra
wordt gesignaleerd dat de spanning van een of
meer banden te laag is. Het bandenspanningscontrolesysteem is
niet meer dan een hulpmiddel, hetgeen
inhoudt dat de waakzaamheid van de
bestuurder niet door het systeem kan
worden vervangen.
Het systeem onthoudt u niet van de
verantwoordelijkheid om elke maand de
bandenspanning te controleren (ook die
van het reservewiel). Doe dit ook voordat
u een lange rit gaat maken.
Het rijden met een te lage
bandenspanning heeft een nadelige
invloed op het weggedrag en de remweg
van de auto en veroorzaakt vroegtijdige
bandenslijtage, vooral onder zware
omstandigheden (zware belading, hoge
snelheden, een lange rit).
Dit systeem controleert automatisch de bandenspanning tijdens het rijden.
De voor uw auto voorgeschreven
bandenspanning vindt u op de sticker
met de bandenspanningen.
Raadpleeg de desbetreffende
rubriek voor meer informatie over de
identificatie van de auto.
De bandenspanning moet worden
gecontroleerd als de banden "koud" zijn
(de auto staat langer dan een uur stil
of er is minder dan 10
km gereden met
een beperkte snelheid).
Onder andere omstandigheden
(bij warme banden) moet de
bandenspanning ten opzichte van de
op de sticker vermelde spanning met
0,3
bar worden verhoogd.
Het rijden met een te lage
bandenspanning veroorzaakt
bovendien een hoger brandstofverbruik.
Sneeuwkettingen
Het systeem hoeft niet gereset
te worden na het aanbrengen of
verwijderen van sneeuwkettingen.
6
Rijden

210
308_nl_Chap06_conduite_ed01-2016
Waarschuwing te lage
bandenspanningResetten
Controleer voordat u het systeem
gaat resetten of de spanning van
de vier banden overeenkomstig de
gebruiksomstandigheden van de auto
en de voorschriften op de sticker met
de bandenspanningen is.
Het waarschuwingssysteem voor
te lage bandenspanning is alleen
betrouwbaar als de vier banden tijdens
het resetten de juiste spanning hebben.
Het bandenspanningscontrolesysteem
geeft geen meldingen als de
bandenspanning bij het resetten onjuist
is.
U krijgt deze waarschuwing als dit
lampje blijft branden in combinatie
met een geluidssignaal en, volgens
uitvoering, een melding.
Elke keer nadat u een of meer banden op
spanning hebt gebracht en na het verwisselen
van een of meer wielen, moet u het systeem
resetten.
F
V
erminder onmiddellijk uw snelheid en
vermijd plotselinge stuurbewegingen en
krachtig remmen.
F
S
top zodra dit mogelijk is op een veilige
plaats. F
G
ebruik in het geval van een lekke band
de bandenreparatieset of het reservewiel
(volgens uitvoering),
of
F
c
ontroleer als u een compressor in de
auto hebt, bijvoorbeeld die van de set voor
tijdelijke bandenreparatie, de spanning van
de vier banden als deze zijn afgekoeld,
of
F
r
ijd voorzichtig verder als het niet mogelijk
is om deze controle onmiddellijk uit te
voeren.
Een te lage bandenspanning is niet
altijd aan de band te zien. Een visuele
controle is dus niet voldoende. De waarschuwing blijft actief tot het
systeem is gereset.
Rijden

211
308_nl_Chap06_conduite_ed01-2016
Het resetten van het systeem moet gebeuren
bij afgezet contact en stilstaande auto.
F
B
evestig het resetten door op de toets
" Ja " te drukken. Als het resetten is
voltooid, klinkt een geluidssignaal en wordt
een melding weergegeven.
Touchscreen
De nieuw opgeslagen drukwaarden
worden door het systeem beschouwd
als referentiewaarden.
Display C
F Druk op de toets MENU om het algemene
menu te openen.
F
D
ruk op de toets " 7" of " 8" om het menu
Persoonlijke instellingen - configuratie
te selecteren en bevestig uw keuze door op
de toets OK te drukken.
F Selecteer " Initialisatie
bandensp.controle " in het
menu " Rijhulpsysteem " van
het touchscreen.
F Druk op de toets " 5" of " 6" om het menu
Configuratie auto instellen te selecteren
en bevestig uw keuze door op de toets OK
te drukken.
F
D
ruk op de toets " 5" of " 6" om het
menu Rijhulpsysteem , het menu
Bandenspanning en vervolgens het menu
Resetten te selecteren en bevestig uw
keuzes door op de toets OK te drukken.
H
et resetten wordt bevestigd door een
geluidssignaal.
6
Rijden

212
308_nl_Chap06_conduite_ed01-2016
F Druk met aangezet contact en stilstaande auto gedurende
ongeveer drie seconden op deze
knop en laat de knop vervolgens
los; het resetten wordt bevestigd
door een geluidssignaal.
Display A Storing
Als het waarschuwingslampje te lage
bandenspanning gaat knipperen en vervolgens
blijft branden in combinatie met het lampje
Service, wijst dit op een storing in het systeem.
Er verschijnt een melding in combinatie met
een geluidssignaal.
In dat geval werkt de bandenspanningscontrole
mogelijk niet goed.
Laat het systeem controleren door
het PEUGEOT-netwerk of door een
gekwalificeerde werkplaats.
Controleer na werkzaamheden aan
het systeem altijd de spanning van
de vier banden en reset het systeem
vervolgens.
Display A (zonder
autoradio)
Rijden

245
308_nl_Chap08_En-cas-de-panne_ed01-2016
Controle / aanpassen bandenspanning
U kunt de compressor, zonder inspuiting
van het afdichtmiddel, ook gebruiken om uw
bandenspanning te controleren of uw banden
op spanning te brengen.F
D
raai de schakelaar A in de stand
"Op spanning brengen". F
S luit de stekker van de compressor aan op
de 12V-aansluiting van de auto.
F
S
tart de auto en laat de motor draaien.
F
B
reng de band op spanning met behulp
van de compressor (op spanning brengen:
schakelaar B in stand "I" ; leeg laten lopen:
schakelaar B in stand "O" en druk op de
knop C ), zoals staat aangegeven op de
bandenspanningssticker van de auto.
F
V
er wijder de set en berg deze op.Als de spanning van een of meer
banden is aangepast, moet het
bandenspanningscontrolesysteem
worden gereset.
Zie de desbetreffende rubriek
voor meer informatie over het
bandenspanningscontrolesysteem
.
F
R
ol de witte slang G volledig uit.
F
S
luit de slang aan op het ventiel van de
band.
8
Storingen verhelpen

251
308_nl_Chap08_En-cas-de-panne_ed01-2016
F Draai de slotbout vast met de wielsleutel 1 en de dop 4 (volgens uitvoering).
F
D
raai de overige wielbouten vast met
alleen de wielsleutel 1 .
F
Be
vestig de dop(pen) op de wielbout(en)
(volgens uitvoering).
F
B
erg het gereedschap op in de houder. Op deze sticker staat de bandenspanning
aangegeven.
Na het verwisselen van het
wiel
Ver wijder de naafdop van het wiel
om het op de juiste manier in de
bagageruimte op te bergen.
Rijd met een noodreservewiel niet
sneller dan 80
km/h.
Laat zo snel mogelijk het
aanhaalmoment van de wielbouten en
de bandenspanning van het reservewiel
controleren door het PEUGEOT-
netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats.
Laat de lekke band zo spoedig mogelijk
repareren en verwissel hem met het
reservewiel.
Als uw auto is uitgerust met een
bandenspanningscontrolesysteem,
controleer dan de bandenspanning en
reset het systeem.
Raadpleeg de desbetreffende
rubriek voor meer informatie over het
bandenspanningscontrolesysteem .
8
Storingen verhelpen

382
308_nl_Chap11_index-alpha_ed01-2016
Radio .................................... 308, 309, 312, 362
Radiozender ................................. 308, 309, 362
RDS
............................................................... 309
Regeling luchtopbrengst
................................. 95
R
egeling luchtverdeling
..................................95
Regelmatige controles
..........................231, 232
Regelmatig onderhoud
...................................10
Regeneratie roetfilter
.................................... 231
Remblokken
.................................................. 232
Remlichten
............................................ 257, 259
Remmen
............................................ 21, 25, 232
Remschijven .................................................. 232
Reservewiel
.................................... 87, 246, 247
Reservoir koplampsproeiers
.........................230
Reservoir ruitensproeiers
............................. 23
0
Resetten bandenspanningscontrolesysteem
............210
Richtingaanwijzers
........112, 252, 255, 257, 259
Riem
...............
........................................... 87, 88
Rijadviezen
........................................... 146, 147
Risicozones (update)
.................................... 327
Roetfilter
................................................ 230, 231
Ruitbediening
.................................................. 70
Ruitensproeier achter
...................................115
Ruitensproeiers
............................................. 11
5
Ruitenwisser achter
...................................... 115
Ruitenwisserbladen vervangen
............ 1
17, 222
Ruitenwissers
.................................. 1
6 , 114 , 11 6
Ruitenwisserschakelaar
......................... 11
4 -11 6Schakelaars stoelverwarming ........................
76
S
CR (Selective Catalytic Reduction) ............233
SCR-systeem
..........................................2 7, 2 3 3
Selectiehendel automatische transmissie
.... 16
5
Selectiehendel handgeschakelde versnellingsbak
...........................................163
Serienummer auto
..............................
..........292
Service
............................................................19
Serv ice (verklikkerlampje)
............................. 19
S
et voor tijdelijke bandenreparatie
.........87, 239
Sfeerverlichting
.............................................104
Sjorogen
....................................................87, 88
Skiluik
..............................................................86
Sleepoog
.........................................................87
Slepen van een auto
.....................................272
Sleutel
........................50, 51, 56, 58, 59, 64, 65
Sleutel met afstandsbediening
.... 5
1, 53, 59, 154
Sneeuwkettingen
..................................209, 216
Sneeuwscherm
..................................... 21
7, 218
Snelheidsbegrenzer
..............................173 , 174
Snelheidsregelaar
.................173, 177, 180, 181
Spaarfase
......................................................219
Sproeiers, verwarmd
.................................... 11
7
Starten van de auto....................... 151, 152, 165
Starten van de motor
....................................148
Stilzetten van de auto
...................151, 152, 165
Stoelen achter
...........................................79, 80
Stoelen verstellen
.....................................7 3 , 74
Stoelverwarming
.............................................76
Stop
.................................................................18
Stop & Start
..........16, 25, 39, 92, 100, 170, 172,
213, 225, 231, 268, 271
Stop (verklikkerlampje)
...................................18
Streaming audio Bluetooth
...........312, 314, 3 69
Stuurslot
..................................................53, 15 4
Stuurwiel (verstellen)
......................................72
Supervergrendeling
.................................. 5
2, 60
Synchroniseren afstandsbediening
..........54, 64
Synchroniseren van de afstandsbediening
..................................54, 64
RS
Oliefilter ......................................................... 231
Oliefilter (vervangen) .................................... 231
Olieniveau
............................................... 31, 2 28
Oliepeilstok
..............................
...............31, 2 28
Olieverbruik
................................................... 2
28
Onder de motorkap
..............................2
26, 227
Onderhoudscontroles
..................................... 10
Onderhoudsindicator
...................................... 28
O
ntdooien ........................................ 93, 10 0, 101
Ontgrendelen
..................................... 50, 56, 58
Ontluchten brandstofsysteem
....................... 2
74
Ontwasemen
........................................... 93, 10 0
Ontwasemen achter
.............................. 10
1, 105
Opbergvakken
............................... 82, 84, 86 - 88
Openen bagageruimte
.................50, 56, 58, 61
Openen motorkap
......................................... 225
Openen portieren
............................... 50, 56, 58
Opschakelindicator
....................................... 16 4
Overzicht gewichten
.............................278, 285
Overzicht motoren
........................275, 281, 285
Overzicht zekeringen
................... 26
2, 264, 266
O
Pack e-Motion ...............................................16 9
Panoramadak ................................................ 102
Park Assist
.................................... 201, 203, 206
Parkeerhulp achter
....................................... 19
8
Parkeerhulp vóór
........................................... 198
Parkeerlichten
........ 1
07, 252, 253, 255-257, 259
PEUGEOT Connect Apps
.............................3 41
Peugeot Connect Assistance
.......................11 9
Peugeot Connect Packs
...............................11 9
Peugeot Connect SOS
.................................11
9
Plafonniers
.................................................... 103
Portieren sluiten
............................ 51, 56, 58, 59
Pyrotechnische gordelspanners
................... 12
6
P
Index