
209
308_nl_Chap06_conduite_ed02-2015
Bandenspanningscontrolesysteem
Het systeem bewaakt de spanning van de vier
banden zodra de auto begint te rijden.
Het systeem vergelijkt de signalen van de
snelheidssensoren van de wielen met de
referentiewaarden die elke keer nadat de
banden op spanning zijn gebracht of na het
ver wisselen van een wiel moeten worden
gereset.
Het systeem geeft een waarschuwing zodra
wordt gesignaleerd dat de spanning van een of
meer banden te laag is.Het bandenspanningscontrolesysteem is niet
meer dan een hulpmiddel, hetgeen inhoudt
dat de waakzaamheid van de bestuurder niet
door het systeem kan worden vervangen.
Het systeem onthoudt u niet van de
verantwoordelijkheid om elke maand de
bandenspanning te controleren (ook die van
het reservewiel). Doe dit ook voordat u een
lange rit gaat maken.
Het rijden met een te lage bandenspanning
heeft een nadelige invloed op het weggedrag
en de remweg van de auto en veroorzaakt
vroegtijdige bandenslijtage, vooral onder
zware omstandigheden (zware belading,
hoge snelheden, een lange rit).
Dit systeem controleert automatisch de bandenspanning tijdens het rijden.
De voor uw auto voorgeschreven
bandenspanning vindt u op de sticker met
de bandenspanningen.
Raadpleeg de desbetreffende rubriek voor
meer informatie over de identificatie van
de auto.
De bandenspanning moet worden
gecontroleerd als de banden "koud" zijn
(de auto staat langer dan een uur stil of
er is minder dan 10 km gereden met een
beperkte snelheid).
on
der andere omstandigheden (bij warme
banden) moet de bandenspanning ten
opzichte van de op de sticker vermelde
spanning met 0,3 bar worden verhoogd.
Het rijden met een te lage
bandenspanning veroorzaakt
bovendien een hoger brandstofverbruik.
Sneeuwkettingen
Het systeem hoeft niet gereset
te worden na het aanbrengen of
verwijderen van sneeuwkettingen.
6
Rijden

210
308_nl_Chap06_conduite_ed02-2015
Waarschuwing te lage
bandenspanningResetten
Controleer voordat u het systeem
gaat resetten of de spanning van
de vier banden overeenkomstig de
gebruiksomstandigheden van de auto
en de voorschriften op de sticker met
de bandenspanningen is.
Het waarschuwingssysteem voor
te lage bandenspanning is alleen
betrouwbaar als de vier banden tijdens
het resetten de juiste spanning hebben.
Het bandenspanningscontrolesysteem
geeft geen meldingen als de
bandenspanning bij het resetten
onjuist
is.
u
krijgt deze waarschuwing als dit
lampje blijft branden in combinatie
met een geluidssignaal en, volgens
uitvoering, een melding.
el
ke keer nadat u een of meer banden op
spanning hebt gebracht en na het verwisselen
van een of meer wielen, moet u het systeem
resetten.
er i
s een sticker op de middenstijl aan de
bestuurderszijde aangebracht om u hierop
attent te maken.
F
V
erminder onmiddellijk uw snelheid en
vermijd plotselinge stuurbewegingen en
krachtig remmen.
F
S
top zodra dit mogelijk is op een veilige
plaats. F
g
e
bruik in het geval van een lekke band
de bandenreparatieset of het reservewiel
(volgens uitvoering),
of
F
c
ontroleer als u een compressor in de
auto hebt, bijvoorbeeld die van de set voor
tijdelijke bandenreparatie, de spanning van
de vier banden als deze zijn afgekoeld,
of
F
r
ijd voorzichtig verder als het niet mogelijk
is om deze controle onmiddellijk uit te
voeren.ee
n te lage bandenspanning is niet
altijd aan de band te zien.
ee
n visuele
controle is dus niet voldoende. De waarschuwing blijft actief tot het
systeem is gereset.
Rijden

211
308_nl_Chap06_conduite_ed02-2015
Het resetten van het systeem moet gebeuren
bij afgezet contact en stilstaande auto.F
D
ruk op "Initialisatie bandensp.
controle ".
F
B
evestig het resetten door op de toets " Ja"
te drukken. Als het resetten is voltooid,
klinkt een geluidssignaal en wordt een
melding weergegeven.
Touchscreen
De nieuw opgeslagen drukwaarden
worden door het systeem beschouwd
als referentiewaarden.
Display C
F Druk op de toets MENU om het algemene
menu te openen.
F
D
ruk op de toets " 7" of " 8" om het menu
Persoonlijke instellingen - configuratie
te selecteren en bevestig uw keuze door op
de toets OK te drukken.
Via het menu " Rijhulpsysteem " van
het touchscreen:
F Druk op de toets " 5" of " 6" om het menu
Configuratie auto instellen te selecteren
en bevestig uw keuze door op de toets OK
te drukken.
F
D
ruk op de toets " 5" of " 6" om het
menu Rijhulpsysteem , het menu
Bandenspanning en vervolgens het menu
Resetten te selecteren en bevestig uw
keuzes door op de toets OK te drukken.
H
et resetten wordt bevestigd door een
geluidssignaal.
6
Rijden

212
308_nl_Chap06_conduite_ed02-2015
F Druk met aangezet contact en stilstaande auto gedurende
ongeveer drie seconden op deze
knop en laat de knop vervolgens
los; het resetten wordt bevestigd
door een geluidssignaal.
Display A Storing
Als het waarschuwingslampje te lage
bandenspanning gaat knipperen en vervolgens
blijft branden in combinatie met het lampje
Service, wijst dit op een storing in het systeem.
In dat geval werkt de bandenspanningscontrole
mogelijk niet goed.
Laat het systeem controleren door het P
e
ugeot
-
n
etwerk of door een gekwalificeerde werkplaats. Controleer na werkzaamheden aan
het systeem altijd de spanning van
de vier banden en reset het systeem
vervolgens.
Display A (zonder autoradio)
Rijden

249
308_nl_Chap08_en-cas-de-panne_ed02-2015
Controle / aanpassen
bandenspanning
u kunt de compressor, zonder inspuiting van
h et afdichtmiddel, ook gebruiken om:
-
u
w bandenspanning te controleren of uw
banden op spanning te brengen,
-
a
ndere opblaasbare voor werpen op te
pompen (ballen, fietsbanden...).
F
D
raai de schakelaar A in de stand
"
op
spanning brengen". F
S luit de stekker van de compressor aan op
de 12V-aansluiting van de auto.
F
S
tart de auto en laat de motor draaien.
F
B
reng de band op spanning met behulp
van de compressor (op spanning brengen:
schakelaar B in stand "I" ; leeg laten lopen:
schakelaar B in stand "O" en druk op de
knop C ), zoals staat aangegeven op de
bandenspanningssticker van de auto of het
opblaasbare voorwerp.
F
V
er wijder de set en berg deze op.Als de spanning van een of meer
banden is aangepast, moet het
bandenspanningscontrolesysteem
worden gereset.
Zie de desbetreffende rubriek
voor meer informatie over het
bandenspanningscontrolesysteem.
F
R
ol de zwarte slang H volledig uit.
F
S
luit de zwarte slang aan op het ventiel van
de band of van de accessoire.
B
reng indien nodig eerst een van de
meegeleverde verloopstukken aan.
8
Storingen verhelpen

386
308_nl_Chap11_index-alpha_ed02-2015
Pack e-Motion ...............................................16 9
Panoramadak ................................................ 103
Park Assist
.................................... 201, 203, 206
Parkeerhulp achter
....................................... 19
8
Parkeerhulp vóór
........................................... 198
Parkeerlichten
....... 1
08, 256, 257, 259 -261, 263
P
e
ugeot Connect
Apps
............................................................ 345
Peugeot Connect
Assistance
.................................................. 29
6
Peugeot Connect
Packs
...............
........................................... 296
Peugeot Connect
S
o
S
............................................................ 296
P
e
ugeot Connect Sound ..........................363
Plafonniers
.................................................... 104
Portieren sluiten
........................... 49, 54, 56, 57
Pyrotechnische gordelspanners
........................................... 125
Radio
..................................... 312, 313, 316, 3 6 6
Radiozender
.................................. 312, 313, 3 6 6
RDS
............................................................... 313
Regeling luchtopbrengst
................................. 96
R
egeling luchtverdeling
..................................96
Regelmatige controles
.........................233, 234
Regelmatig onderhoud
...................................10
Regeneratie roetfilter
.................................... 233
Remblokken
.................................................. 234
Remlichten
............................................ 261, 263
Remmen
............................................ 21, 24, 234
Remschijven .................................................. 234
Reservewiel
.................................... 86, 250, 251
Reservoir koplampsproeiers
.........................231Schakelaars stoelverwarming
........................
75
S
CR (Selective Catalytic
Reduction)
.................................................. 23
5
SCR-systeem
................................................235
Selectiehendel automatische transmissie
..............................
...................165
Selectiehendel handgeschakelde versnellingsbak
...........................................163
Serienummer auto
..............................
..........295
Service
............................................................19
Service (verklikkerlampje)
..............................19
Set voor tijdelijke bandenreparatie
...................................86, 244
Sfeerverlichting
.............................................105
Sjorogen
....................................................86, 87
P
RS
Reservoir ruitensproeiers .............................2 31
Resetten bandenspanningscontrolesysteem
............210
Richtingaanwijzers
........111, 256, 259, 261, 263
Riem
...............
........................................... 86, 87
Rijadviezen
........................................... 146, 147
Risicozones (update)
.................................... 331
Roetfilter
................................................ 232, 233
Ruitbediening
.................................................. 69
Ruitensproeier achter
...................................11 6
Ruitensproeiers
............................................. 11
6
Ruitenwisser achter
...................................... 11 6
Ruitenwisserbladen (vervangen)
......................................... 118, 222
Ruitenwisserbladen vervangen
...............................
............118, 222
Ruitenwissers
................................... 1
6 , 115 , 117
Ruitenwisserschakelaar
......................... 11
5 -117
Noodbediening portieren ................................
61
N
oodoproep
.......................................... 11 9 , 2 9 6
Noodremassistentie
...................................... 120
Nulstelling dagteller
........................................ 32
N
ulstelling
onderhoudsindicator
..................................... 30
ol
iefilter
(vervangen)
................................................. 233
ol
ieniveau
............................................... 31, 2 29
ol
iepeilstok
..............................
............... 31, 2 29
oli
everbruik
................................................... 2
29
on
der de motorkap
............................... 2
27, 228
ond
erhoudscontroles
..................................... 10
ond
erhoudsindicator
...................................... 28on
tdooien ........................................ 92, 101, 102
on
tgrendelen
..................................... 48, 54, 56
ont
luchten
brandstofsysteem
....................................... 277
on
twasemen
........................................... 92, 101
on
twasemen
achter
...............................
................... 102, 10 6
op
bergvakken
............................... 80, 82, 85 - 87
op
enen bagageruimte
........... 48, 54, 56, 58, 59
op
enen motorkap
......................................... 226
op
enen portieren
............................... 48, 54, 56
op
schakelindicator
....................................... 16 4
ov
erzicht gewichten
............................. 281, 288
ov
erzicht motoren
....................... 278, 284, 288
ov
erzicht zekeringen
................... 26
6, 268, 270
O
Index