
Veiligheid
110
208_nl_Chap05_securite_ed01-2015
Aanbevolen kinderzitjes
Volg bij het plaatsen van de kinderzitjes de gebruiksaanwijzing van de fabrikant van het zitje. "RÖMER Baby- Safe Plus met basis Baby- Safe Plus ISOFIX" (maatcategorie: E
)
Groep 0+: vanaf de geboor te tot 13 kg
Dit zitje dient te worden geplaatst met de rug in de rijrichting met behulp van een ISOFIX-basis, die wordt bevestigd aan de ringen A .
De basis is voorzien van een in hoogte verstelbare steun die op de vloer van de auto rust.
Dit zitje kan ook worden bevestigd met een veiligheidsgordel. In dat geval wordt het zitje zonder basis met de driepuntsgordel op de zitplaats van de auto bevestigd.
Baby P2C Midi met ISOFIX-basis (maatcategorie: D, C, A, B, B1 )
Groep 1 : 9 tot 18 kg
Dit zitje dient te worden geplaatst met de rug in de rijrichting met behulp van een ISOFIX-basis, die wordt bevestigd aan de ringen A .
De basis is voorzien van een in hoogte verstelbare steun die op de vloer van de auto rust. Dit zitje kan ook met het gezicht in de rijrichting worden geplaatst.Dit zitje kan niet worden bevestigd met een veiligheidsgordel.
We adviseren u het zitje voor kinderen tot 3 jaar met de rug in de rijrichting te plaatsen.

Veiligheid111
208_nl_Chap05_securite_ed01-2015
Volg bij het plaatsen van een kinderzitje de gebruiksaanwijzing van de fabrikant van het zitje. Dit kinderzitje kan ook worden gebruikt op zitplaatsen die niet zijn voorzien van ISOFIX-bevestigingspunten.
In dat geval moet het zitje met de driepuntsveiligheidsgordel op de stoel van de auto worden bevestigd.
Stel de voorstoel zo af dat de voeten van het kind de rugleuning niet kunnen raken. RÖMER Duo Plus ISOFIX (lengtecategorie: B1
)
Groep 1: van 9 tot 18 kg
Dit zitje wordt met het gezicht in de rijrichting geplaatst.
Het wordt verankerd met een bovenste riem aan de ringen A en de ring B , de Top Tether.
Drie standen: rechtop, ruststand en ligstand.
FAIR G 0/1 S met RWF B ISOFIX
-onderstel (gewichtsklasse C )
Groepe 0+ en 1: van de geboor te tot 18 kg
Wordt met de rug in de rijrichting geplaatst.
Wordt geplaatst met behulp van een ISOFIX-onderstel dat aan de ogen A wordt bevestigd. Er zijn 6
verschillende standen mogelijk.
Gebruik het ISOFIX-onderstel RWF type B (met de rug in de rijrichting).
Dit kinderzitje kan ook "met het gezicht in de rijrichting" worden bevestigd op zitplaatsen die niet zijn voorzien van ISOFIX-bevestigingen.
Het is in dat geval verplicht het kinderzitje met de normale driepuntsveiligheidsgordel op de zitplaats van de auto te bevestigen.
5

Veiligheid
112
208_nl_Chap05_securite_ed01-2015
Plaatsing
Overeenkomstig de Europese wetgeving geeft het overzicht de mogelijkheden aan voor het bevestigen van een ISOFIX-kinderzitje op een plaats in de
auto voorzien van ISOFIX-bevestigingen.
Bij universele en semi-universele ISOFIX-kinderzitjes wordt de ISOFIX-maat op het kinderzitje naast het ISOFIX-logo aangegeven met een letter ( A t /m G ).
Gewicht van het kind / leeftijdsindicatie
Tot 10
kg
(groep 0)
Tot ca.
6
maandenTot 10
kg
(groep 0)
Tot 13
kg
(groep 0+)
Tot ca. 1
jaarVan 9
tot 18 kg (groep 1)
Van 1
tot ca. 3 jaar
Type ISOFIX-kinderzitje Reiswieg"rug in de rijrichting" "rug in de
rijrichting" "gezicht in de rijrichting"
ISOFIX-maat F G C D E C D A B B1
Passagiersstoel voor Geen ISOFIX
Buitenste zitplaatsen achter XIL- SU* IL- SU IL- SU *IL- SU IUF
IL- SU
Middelste zitplaats achter Geen ISOFIX
I UF:
z
itplaats geschikt voor de bevestiging van een universeel gehomologeerd ISOFIX- kinderzitje
met het gezicht in de rijrichting en een bovenste riem.
IL- SU: zitplaats geschikt voor de bevestiging van een semi-universeel gehomologeerd ISOFIX-kinderzitje:
-
r
ug in de rijrichting voorzien van een bovenste riem of een steun,
-
g
ezicht in de rijrichting voorzien van een steun,
-
r
eiswieg voorzien van een bovenste riem of een steun.
Raadpleeg de paragraaf "Isofix-bevestigingen" voor meer informatie over de bevestiging van de
bovenste riem.
X : zitplaats die niet geschikt is voor een kinderzitje voor de aangegeven gewichtscategorie.
* Stoel van de auto in een specifieke stand: schuif de stoelen vóór het kinderzitje naar voren.
Ver wijder de hoofdsteun en berg hem op
alvorens een kinderzitje met een rugleuning
te bevestigen op een passagiersstoel.
Plaats de hoofdsteun terug zodra het
kinderzitje is verwijderd.

Veiligheid113
208_nl_Chap05_securite_ed01-2015
De onjuiste bevestiging van een kinderzitje
brengt de veiligheid van het kind in gevaar bij
een aanrijding.
Controleer of er geen veiligheidsgordel of
gesp van de veiligheidsgordel onder het
kinderzitje zit; dat zou de stabiliteit van het
zitje in gevaar kunnen brengen.
Zorg ervoor dat de veiligheidsgordels of het
tuigje van het kinderzitje, zelfs bij korte ritten,
worden vastgemaakt waarbij de speling ten
opzichte van het lichaam van het kind zoveel
mogelijk moet worden beperkt.
Zorg er bij het bevestigen van het
kinderzitje met de veiligheidsgordel voor
dat de veiligheidsgordel correct tegen het
kinderzitje is gespannen en dat de gordel het
kinderzitje stevig op zijn plaats houdt. Schuif
de passagiersstoel, wanneer deze versteld
kan worden, indien nodig naar voren.
Laat bij de achterzitplaatsen altijd voldoende
ruimte tussen de voorstoel en:
-
het kinderzitje "met de rug in de rijrichting",- de voeten van het kind in het kinderzitje "met het gezicht in de rijrichting".
Schuif daartoe de voorstoel naar voren
en zet de rugleuning ervan, indien nodig,
rechter op.
Adviezen
Kinderen voorin
Zorg er voor een optimale bevestiging
van het kinderzitje "met het gezicht in de
rijrichting" voor dat de rugleuning van het
zitje zo dicht mogelijk tegen de rugleuning
van de stoel van de auto aan zit of er zelfs
tegenaan drukt.
Verwijder de hoofdsteun alvorens een
kinderzitje met een rugleuning te plaatsen op
een passagiersstoel.
Berg de hoofdsteun zorgvuldig op om te
voorkomen dat de hoofdsteun door de auto
vliegt bij krachtig afremmen. Plaats de
hoofdsteun terug zodra het kinderzitje is
verwijderd.
De regelgeving met betrekking tot het
vervoer van kinderen op de passagiersstoel
vóór is per land verschillend. Raadpleeg de
in uw land geldende regelgeving.
Schakel de airbag vóór aan passagierszijde
uit zodra een kinderzitje met de rug in de
rijrichting op de voorpassagiersstoel wordt
geplaatst.
Het kind kan anders bij het afgaan van de
airbag levensgevaarlijk gewond raken.Plaatsen van een
stoelverhoger
Het bovenste gedeelte van de
veiligheidsgordel moet over de schouder van
het kind liggen zonder de hals te raken.
Controleer of de heupgordel goed over de
bovenbenen van het kind ligt.
PEUGEOT beveelt aan een stoelverhoger
met rugleuning te gebruiken voorzien
van een gordelgeleider ter hoogte van de
schouder.
Laat uit veiligheidsoverwegingen:
-
g
een kinderen zonder toezicht achter in
een auto,
-
n
ooit een kind of een dier in een auto
achter wanneer alle ruiten gesloten zijn
en de auto in de zon staat,
-
d
e sleutels nooit binnen bereik van de
kinderen achter in de auto.
Gebruik de kindersloten om te voorkomen
dat de portieren en de portierruiten achter
per ongeluk geopend worden.
Zorg er voor dat de portierruiten achter niet
verder dan voor 1/3
deel geopend worden.
Plaats zonneschermen om uw jonge
kinderen tegen de zon te beschermen.
5

Veiligheid
114
208_nl_Chap05_securite_ed01-2015
Elektrische kinderbeveiliging
Met behulp van dit systeem kan vanaf de
bestuurdersplaats worden voorkomen dat
beide achterportieren van binnenuit kunnen
worden geopend.
Inschakelen
F Druk bij ingeschakeld contact op deze knop.
Het verklikkerlampje van de knop gaat
branden in combinatie met een melding die het
inschakelen bevestigt.
Het lampje blijft branden zolang de elektrische
kinderbeveiliging is ingeschakeld.
Het blijft mogelijk de portieren van buitenaf te
openen en de elektrisch bedienbare achterste
zijruiten te bedienen vanaf de bestuurdersstoel.
Uitschakelen
Als het lampje een ander signaal geeft,
wijst dit op een storing in de elektrische
kinderbeveiliging.
Laat het systeem controleren door
het PEUGEOT-netwerk of door een
gekwalificeerde werkplaats.
Dit systeem werkt onafhankelijk van
de centrale vergrendeling; gebruik het
nooit in plaats daarvan.
Controleer bij het aanzetten van het contact
altijd de stand van de kinderbeveiliging.
Neem vóór het verlaten van de auto
altijd de sleutel uit het contact, zelfs
voor korte periodes.
Kinderbeveiliging
Beide achterportieren zijn voorzien van een
kinderslot om het openen van binnenuit te
verhinderen.
De knop bevindt zich op de zijkant van beide
achterportieren.
Vergrendelen
F Draai de rode knop met de contactsleutel tot de aanslag:
-
n
aar links bij het linker achterportier,
-
n
aar rechts bij het rechter achterportier.
Mechanisch kinderslot
F Druk nogmaals bij ingeschakeld contact op deze knop.
Het verklikkerlampje van de knop gaat
uit in combinatie met een melding die het
uitschakelen bevestigt.
Het lampje blijft uit zolang de elektrische
kinderbeveiliging is uitgeschakeld.
Ontgrendelen
F Draai de rode knop met de contactsleutel
tot de aanslag:
-
n
aar rechts bij het linker achterportier,
-
n
aar links het rechter achterportier.

Rijden139
208_nl_Chap06_conduite_ed01-2016
Ingestelde snelheden
F Druk op de toets " MENU" om het
hoofdmenu te openen.
F
S
electeer het menu " Rijden ".
F
S
electeer de secundaire pagina.
F
Sel
ecteer " Inst. snelheden ".
F
S
electeer de snelheid die u wilt wijzigen.
F
D
ruk op " Wijzigen ". Voer deze handelingen omwille van de
veiligheid alleen uit als de auto stilstaat.
F
V
oer de nieuwe waarde in.
F D ruk op de bevestigingsknop.
F B evestig om de wijzigingen op te slaan en
het menu te verlaten.
Met deze toets kunt u alle snelheden
selecteren.
Met deze toets kunt u alle snelheden
deselecteren.
Met deze toets kunt u de
fabrieksinstellingen herstellen.
Er kunnen maximaal 5
verschillende
snelheden worden opgeslagen voor
de snelheidsbegrenzer "LIMIT" en de
snelheidsregelaar "CRUISE" .
Op het touchscreen
Praktische informatie
6

Rijden
142
208_nl_Chap06_conduite_ed01-2016
Als het snelheidsverschil tussen de
auto's niet groter is dan 15 km/h,
is de kans groot dat een aanrijding
automatisch wordt voorkomen.
Is het verschil groter, dan probeert het
systeem een aanrijding te voorkomen
of de kracht van de botsing te beperken
door de auto af te remmen.
Als het automatisch remmen wordt geactiveerd:
-
kan dit nog efficiënter werken als de
bestuurder het rempedaal nog steviger intrapt,
- kan de auto tot stilstand komen,
waarna nog 1,5 seconde remdruk wordt
uitgeoefend zodat de bestuurder de tijd
heeft om de controle over de auto weer
over te nemen,
-
k
an de motor afslaan,
-
k
an een pompend geluid worden
waargenomen doordat het remcircuit op
druk wordt gebracht.
Touchscreen
Druk op " MENU" om het
" HOOFDMENU " weer te geven.
Selecteer " Rijden ".
Selecteer " Secundaire pagina ".
Selecteer " Configuratie van de
auto ".
Selecteer het tabblad
" Rijhulpsysteem "
Vink " Automatisch remmen
ingeschakeld " aan.
Inschakelen
Bevestig. Uitschakelen
Vink "
Automatisch remmen uitgeschakeld "
aan.
De laatste selectie blijft na het afzetten van het
contact opgeslagen in het geheugen.
Als de functie automatisch remmen is
uitgeschakeld, wordt elke keer nadat het
contact wordt aangezet tijdelijk een melding
hierover weergegeven bij het overschrijden van
een bepaalde snelheid (10 km/h).
De functie moet worden uitgeschakeld:
- A ls de voorruit is beschadigd ter hoogte
van de sensor.
-
B
ij het trekken van een aanhanger.
-
A
ls de auto wordt gesleept.
-
B
ij het naderen van een tolpoort.
-
B
ij het wassen van de auto in een
automatische wasstraat.

226
208_nl_Chap10b_SMEGplus_ed01-2016
Basisfuncties
Gebruik de toetsen links van het touchscreen
om de menucarrousellen te openen en
druk vervolgens op de op het touchscreen
weergegeven toetsen.
Elk menu wordt op één pagina of op twee
pagina's (hoofdpagina en secundaire pagina)
weergegeven.Secundaire pagina
HoofdpaginaAls het bijzonder warm is, kan het systeem
gedurende minimaal 5
minuten overgaan
in de waakstand (volledig uitschakelen van
het scherm en het geluid).
Audio en telematica