
118Verlichting
Inschakelen
Intelligent verlichtingssysteem en au‐
tomatische grootlichtactivering wor‐
den tegelijk ingeschakeld door twee‐
maal op de keuzehendel te drukken.
Ze kunnen ingeschakeld worden met
het contact aan.
Automatische grootlichtactivering
werkt bij een snelheid boven
40 km/u en wordt uitgeschakeld on‐
der 20 km/u. Het intelligente verlich‐
tingssysteem werkt boven 55 km/u.
De groene controlelamp l brandt
continu wanneer de functie geacti‐
veerd is; de blauwe lamp 7 brandt
wanneer het grootlicht automatisch
wordt ingeschakeld.
Uitschakelen
Druk eenmaal op de keuzehendel. De functie wordt ook gedeactiveerd,
wanneer u de mistlampen voor in‐
schakelt.
Dynamische automatische
koplampverstelling Om te voorkomen dat tegenliggers
worden verblind, worden de koplam‐
pen automatisch versteld op basis
van de hellingshoek, gemeten door
de voor- en achteras, de versnelling
of vertraging en de rijsnelheid.Fout in adaptief rijlichtsysteem
Wanneer het systeem een storing in
het adaptief rijlichtsysteem herkent,
gaat het naar een vooraf ingestelde
positie om verblinding van tegenlig‐ gers te voorkomen. Indien dit niet mo‐
gelijk is, zal de desbetreffende kop‐
lamp automatisch worden uitgescha‐
keld. Eén koplamp zal in elk geval blij‐
ven branden. U ziet een waarschu‐
wing op het Driver Information Cen‐
tre.
Alarmknipperlichten
Bediening met toets ¨.

Verlichting119
De alarmlichten worden automatisch
ingeschakeld wanneer de airbags bij
een ongeval in werking treden.
Richtingaanwijzershendel omhoog=rechter rich‐
tingaanwijzersig‐
naalhendel omlaag=linker richtingaan‐
wijzersignaal
Als de hendel voorbij het weerstands‐
punt wordt geduwd, blijft de richting‐
aanwijzer ingeschakeld. Bij het terug‐ draaien van het stuurwiel gaat derichtingaanwijzer automatisch uit.
Om driemaal te knipperen, bijv. om
van rijstrook te wisselen, de hendel
tot tegen het weerstandspunt duwen
en loslaten.
Wanneer er een aanhangwagen is aangekoppeld, knippert de richting‐
aanwijzer zes keer wanneer u de hen‐
del indrukt tot u een weerstand voelt en u de hendel weer loslaat.
Voor langer richting aanwijzen de
hendel tot tegen het weerstandspunt
duwen en vasthouden.
Schakel de richtingaanwijzer hand‐
matig uit door de hendel in de oor‐
spronkelijke stand te zetten.Mistlampen voor
Bediening met toets >.
Lichtschakelaar in stand AUTO: bij
het inschakelen van de mistlampen
worden de koplampen automatisch
ingeschakeld.

140Rijden en bedieningDe elektrische handrem is aan‐
getrokken wanneer controle‐
lamp m oplicht 3 92.
■ Zet de motor af.
■ Wanneer de auto vlak of op een
oplopende helling staat, dan
vóór het verwijderen van de
contactsleutel de eerste ver‐
snelling inschakelen of de keu‐ zehendel in stand P zetten. Op
een oplopende helling boven‐
dien de voorwielen van de
stoeprand wegdraaien.
Wanneer de auto op een aflo‐
pende helling staat, dan vóór
het verwijderen van de contact‐
sleutel de achteruitversnelling
inschakelen of de keuzehendel
in stand P zetten. Bovendien de
voorwielen naar de stoeprand toedraaien.
■ Sluit de ramen en de softtop.
■ De contactsleutel verwijderen. Stuurwiel verdraaien totdat het
stuurslot merkbaar vergrendelt.Bij auto's met automatische ver‐ snellingsbak kan de sleutel al‐
leen worden verwijderd met de
keuzehendel in stand P.
■ Vergrendel de auto.
■ Diefstalalarmsysteem inschakelen.
Let op
Bij een ongeval waarbij airbags wor‐
den geactiveerd, wordt de motor au‐
tomatisch uitgeschakeld als het
voertuig binnen een bepaalde tijd tot stilstand komt.
Uitlaatgassen9 Gevaar
Motoruitlaatgassen bevatten het
giftige en bovendien kleur- en
geurloze koolmonoxide dat bij in‐
ademen levensgevaarlijk kan zijn.
Wanneer uitlaatgassen in de pas‐
sagiersruimte dringen, de ruiten openen. Oorzaak van de storing
door een werkplaats laten verhel‐
pen.
Niet met een geopende achterklep
rijden, aangezien er dan uitlaat‐
gassen de passagiersruimte bin‐
nen kunnen dringen.
Roetfilter
Het roetfilter verwijdert schadelijke
roetdeeltjes uit de uitlaatgassen. Het
systeem heeft een zelfreinigende
functie die tijdens het rijden automa‐
tisch wordt geactiveerd, zonder dat
hier een bericht over verschijnt. Het
filter wordt geregenereerd door ach‐
tergebleven roetdeeltjes periodiek bij

Rijden en bediening157
Als een voorligger te snel nadert,
klinkt er een geluidssignaal en ver‐
schijnt er een waarschuwing in het
Driver Information Centre.
Een voorwaarde is dat de frontaanrij‐
dingswaarschuwing niet met toets ge‐
activeerd is V.
Inschakelen De frontaanrijdingswaarschuwing
werkt automatisch bij snelheden bo‐
ven 40 km/u , als deze niet is gedeac‐
tiveerd via de knop V; zie hieronder.
De gevoeligheid van het
systeem instellen
De gevoeligheid van het systeem kan op kort, gemiddeld of ver worden in‐
gesteld.
Druk op de knop V, de huidige instel‐
ling verschijnt op het Driver Informa‐
tion Centre. Druk opnieuw op V om
de gevoeligheid van het systeem te
wijzigen.De bestuurder alarmeren
Een groene controlelamp voorligger
gedetecteerd A licht op in de instru‐
mentengroep wanneer het systeem
een voorligger heeft geconstateerd.

Rijden en bediening167Voorzichtig
Het systeem werkt eventueel min‐
der goed wanneer de sensoren
zijn bedekt, bijv. met ijs of sneeuw.
Het parkeerhulpsysteem werkt bij
een zware belading eventueel
minder goed.
Voor grotere auto's in de buurt
(bijv. off-roads, minivans, vans)
gelden speciale voorwaarden. De
objectherkenning en de juiste af‐
standsindicatie in het bovenste deel van deze voertuigen kan niet
worden gegarandeerd.
Objecten met een erg klein reflec‐ tievlak, bijv. smalle voorwerpen of
zachte materialen, herkent het
systeem mogelijkerwijs niet.
Parkeerhulpsystemen detecteren
geen voorwerpen buiten het de‐
tectiebereik.
Let op
Het parkeerhulpsysteem kan wor‐
den geactiveerd en gedeactiveerd
door de instellingen in het
Info-Display te veranderen.
Persoonlijke instellingen 3 106.
Let op
Het parkeerhulpsysteem herkent automatisch een af fabriek gemon‐
teerde trekhaak. Het systeem wordt
gedeactiveerd zodra u de stekker
erin steekt.
Als gevolg van externe akoestische
of mechanische storingen is het mo‐ gelijk dat de sensor een niet-be‐
staand object (echostoring) herkent.
De geavanceerde parkeerhulp rea‐
geert eventueel niet op veranderin‐
gen van de parkeerplek nadat u met
het parkeren bent begonnen.
Let op
Na gebruik moet de geavanceerde
parkeerhulp worden gekalibreerd.
Voor optimale begeleiding tijdens
het parkeren is een rijafstand van
ten minste 35 km, inclusief een aan‐
tal bochten, nodig.Blindehoeksysteem
Het blindehoeksysteem detecteert en meldt objecten die zich, binnen een
specifieke blindehoekzone, aan
weerszijden van de auto bevinden.
Het systeem alarmeert visueel in elke buitenspiegels bij het detecteren die
in de binnen- en buitenspiegels wel‐
licht niet zichtbaar zijn.
De sensoren van het systeem bevin‐
den zich in de bumper aan de linker-
en rechterzijde van de auto.9 Waarschuwing
Het blinde-hoeksysteem vervangt
het zicht van de bestuurder niet.
Het systeem detecteert geen: ■ Auto's die zich buiten de blinde hoeken bevinden, en die moge‐
lijk snel naderen.
■ Voetgangers, fietsers of dieren.
Controleer voordat u van rijstrook
verandert altijd alle spiegels, kijk
over uw schouder en gebruik de
richtingaanwijzer.

Verzorging van de auto185
■ Handrem niet aantrekken.
■ Motorkap openen, alle portieren sluiten en auto vergrendelen.
■ Sluit de softtop.
■ Dek de softtop af om invloeden van
buitenaf terug te brengen.
■ Poolklem van de minpool van de accu loskoppelen. Erop letten dat
geen van de systemen werkt, bijv.
het diefstalalarmsysteem.
Weer in gebruik nemen
Wanneer u de auto weer in gebruik
neemt:
■ Poolklem op de minpool van de accu aansluiten. Elektronica voor
de elektrische ruitbediening inscha‐ kelen.
■ Bandenspanning controleren.
■ Sproeiervloeistofreservoir vullen.
■ Motoroliepeil controleren.
■ Koelvloeistofpeil controleren.
■ Zo nodig kentekenplaat monteren.Verwerking van sloopauto
Eventueel wettelijk verplichte infor‐
matie over autodemontagebedrijven
en de recycling van sloopauto's vindt
u op onze website. Laat dit werk uit‐
sluitend over aan een erkend autode‐ montagebedrijf.Controle van de auto
Werkzaamheden
uitvoeren9 Waarschuwing
Controles in de motorruimte alleen
met uitgeschakelde ontsteking uit‐ voeren.
De koelventilator kan ook bij uit‐
geschakelde ontsteking gaan
draaien.

248TrefwoordenlijstAAanbevolen vloeistoffen en smeermiddelen ..............231, 235
Aanduidingen op banden ..........207
Aanhanger trekken ....................179
Aansteker .................................... 85
Accessoires en modificaties van auto ........................................ 184
Accu ........................................... 190
Achterlichten .............................. 197
Achterruitverwarming ................... 34
Achteruitkijkcamera ...................169
Achteruitrijlichten .......................120
Actieve hoofdsteunen ...................47
Adaptief rijlicht (AFL) .........115, 194
Adaptive Forward Lighting ...........96
Afmetingen auto ........................240
Afslagverlichting ......................... 115
Airbag deactiveren ....................... 63
Airbag-deactivering ...................... 91
Airbaglabel.................................... 58
Airbags, gordelspanners en rolbeugels.................................. 91
Airbagsysteem ............................. 58
Airconditioning ........................... 125
Airconditioning regelmatig aanzetten ............................... 133
Alarmknipperlichten ...................118
Algemene informatie .................. 179Algemene richtlijnen voor het rijden ....................................... 134
Andere auto slepen ...................225
Antiblokkeersysteem .................146
Antiblokkeersysteem (ABS) .........93
Armsteun ...................................... 54
Armsteun met opbergruimte ........72
Asbakken ..................................... 85
Autogegevens ............................ 235
Autokrik....................................... 206
Automatische dimfunctie .............31
Automatische verlichting ............ 112
Automatische versnellingsbak ...142
Automatisch vergrendelen ...........24
Auto ontgrendelen .........................6
Auto slepen ................................ 224
Auto stallen ................................. 184
B
Bagageruimte ........................ 25, 73
Bandenreparatieset ...................213
Bandenspanning .......................207
Bandenspanningscontrolesys‐ teem .................................. 95, 208
Bandenspanningswaarden ........242
Batterijspanning .........................106
Bedieningsorganen ......................79
Bekerhouders .............................. 71
Bekleding .................................... 228
Beladingsinformatie .....................77

249
Beslagen lampglazen ................120
Bestuurdersondersteuningssys‐ temen ...................................... 153
Beveiliging van de auto ................26
Binnenspiegels ............................. 31
Binnenverlichting ...............121, 200
Blindehoeksysteem ....................167
Bolle vorm .................................... 29
Boordgereedschap .....................206
Boordinformatie .........................104
Brandstof .................................... 176
Brandstofmeter ............................ 87
Brandstofverbruik - CO 2-uitstoot 178
Brandstof voor benzinemotoren 176
Brandstof voor dieselmotoren ...176
Buitenspiegels .............................. 29
Buitentemperatuur .......................82
Buitenverlichting .........................111
C Car Pass ...................................... 20
Centrale vergrendeling ................22
Claxon ................................... 14, 80
Code ........................................... 104
Conformiteitsverklaring ...............244
Contactslotstanden ....................135
Controlelampen ......................86, 89
Controle over de auto ................134
Controles .................................... 185
Cruise control ...................... 96, 153D
Dagrijlicht ................................... 115
Dagteller ...................................... 87
Diefstalalarmsysteem ..................27
Dieselbrandstofsysteem ontluchten .............................. 192
Dimlicht of grootlicht ...................111
Driepuntsgordel ........................... 57
Driver Information Center .............97
E EHBO ........................................... 77
Elektrisch bediende ruiten ...........32
Elektrische aansluitingen .............85
Elektrische handrem .............93, 147
Elektrische stoelverstelling ..........52
Elektrische verstelling ..................29
Elektrisch systeem...................... 200
Elektronische rijprogramma's ....144
Elektronische stabiliteitsregeling en Traction Control-systeem .....94
Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) .........150
Elektronische stabiliteitsregeling UIT ...............94
Elektronisch klimaatregelsysteem ..............127
Event Data Recorders (EDR) .....246F
Frontaal airbagsysteem ...............62
Frontaanrijdingswaarschuwing ...156
G
Gebruik van deze handleiding .......3
Geluidssignalen .........................105
Gereedschap ............................. 206
Gevaar, Waarschuwing en Voorzichtig ................................. 4
Gevarendriehoek .........................76
Gloeilamp vervangen ................192
Gordelverklikker ........................... 91
Graphic-Info-Display, Color-Info-Display ...................102
Grootlicht ............................. 96, 112
Grootlichtassistentie .............96, 113
H
Halogeenkoplampen .................193
Handgeschakelde versnellingsbak ......................145
Handmatige dimfunctie ................31
Handmatige modus ...................143
Handrem ............................. 146, 147
Handschoenenkastje ...................70
Handzender ................................. 21
Hellingrem ................................. 148
Hoofdsteunen .............................. 46