
❒de prestaties van het parkeerhulpsysteem kunnen ook beïnvloed
worden door de positie van de sensoren. Als bijvoorbeeld de
geometrie gewijzigd wordt (door slijtage van de schokdempers,
wielophanging), de auto te veel beladen is, of speciale afstellingen
worden uitgevoerd die de auto lager zetten;
❒De detectie van obstakels in het hoge gedeelte van de auto kan niet
gegarandeerd zijn, aangezien het systeem obstakels detecteert die
de auto in het lage gedeelte kunnen raken.
TPMS (Tyre Pressure
Monitoring System)(voor bepaalde versies/markten)
Mogelijk is de auto uitgerust met een bewakingssysteem voor de
bandenspanning (TPMS) dat de bestuurder waarschuwt als er een
onjuiste spanning wordt geconstateerd met de meldingen
"Bandenspanning controleren" en "Lage bandenspanning" die op de
display worden weergegeven.
Dit systeem omvat een RF-zender die op elk wiel is gemonteerd (op de
wielvelg in de band) en die gegevens aangaande de
spanningswaarde van elke band naar de regeleenheid stuurt.BELANGRIJKE INFORMATIE OVER HET
TPMS-SYSTEEMDe storingsindicaties worden niet opgeslagen en worden bij de
volgende start dus niet meer weergegeven.
Als de storing blijft optreden, zal de regeleenheid pas na een rit van
korte duur een melding op het instrumentenpaneel doen verschijnen.
De aanwezigheid van het TMPS-systeem heeft niet tot
gevolg dat de bestuurder de bandenspanning niet
regelmatig hoeft te controleren, met inbegrip van het
reservewiel.
107WEGWIJS IN UW
AUTOVEILIGHEID
STARTEN EN RIJDEN
NOODGEVALLEN
ONDERHOUD EN
ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
ALGEMENE WAARSCHUWINGENLet tijdens parkeermanoeuvres in bijzondere mate op obstakels die
zich boven of onder de sensoren kunnen bevinden.
Onder bepaalde omstandigheden kunnen voorwerpen achter de auto
niet gedetecteerd worden en kunnen zo schade aan de auto
veroorzaken of zelf beschadigd raken.
De volgende omstandigheden kunnen de werking van de
parkeersensoren beïnvloeden:
❒verminderde gevoeligheid van de sensoren en afname van de
prestaties van het systeem kunnen te wijten zijn aan de
aanwezigheid van ijs, sneeuw, modder, dikke verf op de sensoren;
❒de sensor kan een onbestaand voorwerp (echogeluid) wegens
mechanische geluiden detecteren, bijvoorbeeld tijdens het wassen
van de auto, in geval van regen, sterke wind, hagel;
❒de door de sensoren verzonden signalen kunnen ook gewijzigd
worden door ultrasoonsystemen (bijv. pneumatisch remsysteem
of pneumatische hamers) in de buurt van de auto.

Controleer de bandenspanning bij koude banden. Als
de bandenspanning om welke reden dan ook bij
warme banden moet worden gecontroleerd, dan mag
de druk niet worden verlaagd, ook wanneer de gemeten waarde
hoger is dan de voorgeschreven drukwaarde. Controleer de
bandenspanning nadien nogmaals bij koude banden.Als een of meerdere wielen zonder sensoren is
gemonteerd, dan is het systeem niet beschikbaar en
wordt een melding op de display weergegeven tot de
4 wielen met sensoren zijn gemonteerd.Het TPMS-systeem waarschuwt niet bij plots
drukverlies (bijvoorbeeld bij en klapband). Breng in
dergelijke gevallen de auto tot stilstand en voorkom
bruuske stuurbewegingen.Wanneer standaard banden moeten worden
vervangen door winterbanden (en omgekeerd) moet
het TPMS-systeem hierop worden afgesteld, dit mag
alleen door het Alfa Romeo Servicenetwerk worden verricht.Schommelende buitentemperaturen kunnen de
bandenspanningg beïnvloeden. Het TPMS-systeem kan
tijdelijk een onvoldoende drukwaarde aangeven.
Controleer in dergelijke gevallen de bandenspanning bij koude
banden en herstel zo nodig de juiste spanningswaarde.
Wanneer een wiel wordt vervangen, is het raadzaam
ook de bijbehorende rubberen klepafdichting te
vervangen: raadpleeg het Alfa Romeo Servicenetwerk.
Bij de montage/demontage van een band en velg moeten
specifieke voorzorgsmaatregelen in acht worden genomen; om
schade of een verkeerde montage van de sensoren te
voorkomen, moeten deze werkzaamheden alleen door
gespecialiseerd personeel worden uitgevoerd. Raapleeg het Alfa
Romeo Servicenetwerk.Intense storingen op bepaalde radiofrequenties kan de
juiste werking van het TPMS-systeem belemmeren.
Dit wordt aangegeven met een bericht op de display.
De melding verdwijnt automatisch zodra de storing is
verdwenen.
108WEGWIJS IN UW
AUTO
VEILIGHEID
STARTEN EN RIJDEN
NOODGEVALLEN
ONDERHOUD EN
ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER

Als de contactsleutel naar MAR wordt gedraaid en het
lampje
gaat niet branden of blijft branden tijdens
het rijden (bij sommige versies samen met de melding
op de display), dan is er mogelijk een storing in de
veiligheidssystemen. In dat geval kunnen de airbags of
gordelspanners niet geactiveerd worden bij een ongeval of, in
een zeer beperkt aantal gevallen, op verkeerde wijze
geactiveerd worden. Laat het systeem onmiddellijk controleren
door het Alfa Romeo Servicenetwerk alvorens verder te rijden.
De vervaldata van de explosieve lading en de
klokveer staan vermeld op een specifiek etiket in het
dashboardkastje. Neem contact op met het Alfa Romeo
Servicenetwerk als de vervaldata naderen.Reis niet met voorwerpen op schoot of voor de borst
en houd niets in de mond (pijp, pen, etc.). Dit kan
ernstig letsel veroorzaken als de airbag in werking
treedt.Laat bij diefstal of poging tot diefstal, vandalisme of
overstromingen het airbagsysteem door het Alfa
Romeo Servicenetwerk controleren.
De airbags kunnen tevens geactiveerd worden
wanneer de auto stil staat met de contactsleutel naar
de stand MAR gedraaid
of wanneer de motor
is afgezet, als de auto door een ander voertuig
wordt aangereden. Om die reden mogen kinderen
nooit in een achterstevoren geplaatst kinderzitje
op de voorstoel worden geplaatst, ook niet als de
auto stil staat. Als bij een botsing de airbag wordt
opgeblazen, kan dit leiden tot ernstig letsel en zelfs
tot de dood van het kind. Schakel dus altijd de
passagiersairbag uit wanneer een kinderzitje op de
passagiersstoel wordt geplaatst. Bovendien moet
de passagiersstoel zo ver mogelijk naar achteren
zijn geschoven om te voorkomen dat het kinderzitje
eventueel in aanraking komt met het dashboard.
Ook al is dit niet wettelijk verplicht, moet de airbag
onmiddellijk weer ingeschakeld worden zodra geen
kinderen meer vervoerd worden, om een betere
bescherming van de volwassenen te garanderen.
Als de sleutel echter in de stand STOP staat, wordt
bij een ongeval geen enkel veiligheidssysteem
(airbag of gordelspanners) geactiveerd. In dat geval
duidt de niet-activering niet op een storing van het
systeem.
131WEGWIJS IN UW
AUTOVEILIGHEIDSTARTEN EN RIJDEN
NOODGEVALLEN
ONDERHOUD EN
ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER

STARTEN EN RIJDEN
DE MOTOR STARTENSTARTPROCEDURE VOOR
BENZINEVERSIES(uitgezonderd Turbo TwinAir versies)
Ga als volgt te werk:
❒trek de handrem aan en zet de versnellingsbak in de vrijstand;
❒trap het koppelingspedaal volledig in zonder het gaspedaal aan te
raken;
❒draai de contactsleutel naar AVV en laat deze los zodra de motor
start.
BELANGRIJK
❒Als de motor niet bij de eerste poging start, draai dan de
contactsleutel naar de stand STOP alvorens de procedure
te herhalen.
❒Als, met de contactsleutel in de stand MAR, het
waarschuwingslampje
op het instrumentenpaneel (of het
symbool op het display) samen met het waarschuwingslampje
blijft branden, draai dan de sleutel naar STOP en weer terug
naar MAR; als het waarschuwingslampje blijft branden, probeer het
dan met de andere sleutels die bij de auto zijn geleverd. Neem
contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk als de motor nog
steeds niet gestart kan worden.
❒Laat de contactsleutel nooit in de MAR stand bij afgezette motor.Starten van de motor bij Turbo TwinAir versies
Ga als volgt te werk:
❒Trek de handrem aan en plaats de versnellingspook in z'n vrij of
trap het koppelingspedaal volledig in als een andere versnelling dan
de vrijstand is ingeschakeld;
❒draai de contactsleutel naar AVV en laat deze los zodra de motor
start.
OpmerkingAls de motor niet bij de eerste poging start, draai dan
de contactsleutel naar de stand STOP en herhaal de startprocedure
door de versnellingspook in z'n vrij te plaatsen en het
koppelingspedaal volledig in te drukken.
BELANGRIJK
❒Als, met de contactsleutel in de stand MAR, het
waarschuwingslampje
op het instrumentenpaneel (of het
symbool op het display) samen met het waarschuwingslampje
blijft branden, draai dan de sleutel naar STOP en weer terug
naar MAR; als het waarschuwingslampje blijft branden, probeer het
dan met de andere sleutels die bij de auto zijn geleverd. Neem
contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk als de motor nog
steeds niet gestart kan worden.
❒Laat de contactsleutel nooit in de MAR stand bij afgezette motor.
133WEGWIJS IN UW
AUTO
VEILIGHEIDSTARTEN EN
RIJDENNOODGEVALLEN
ONDERHOUD EN
ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER

STARTPROCEDURE VOOR
DIESELVERSIESGa als volgt te werk:
❒trek de handrem aan en zet de versnellingsbak in de vrijstand;
❒draai de contactsleutel naar MAR: de waarschuwingslampjes
en
op het instrumentenpaneel (of het symbool op het
display) gaan branden;
❒wacht tot de waarschuwingslampjes (of het symbool op het display)
uit gaan;
❒trap het koppelingspedaal volledig in zonder het gaspedaal aan te
raken;
❒draai de contactsleutel naar AVV zodra het waarschuwingslampje
dooft. Als te lang wordt gewacht, is het werk van de
voorgloeibougies tevergeefs. Laat de sleutel los zodra de motor start.
Als het waarschuwingslampje
na het starten of na
langdurig "aanzwengelen" 1 minuut knippert, duidt dit op
een defect van de gloeibougies. Als de motor start kan
de auto zoals gewoonlijk gebruikt worden, maar moet zo snel
mogelijk contact worden opgenomen met het Alfa Romeo
Servicenetwerk.
Het is gevaarlijk om de motor in afgesloten ruimten te
laten draaien. De motor verbruikt zuurstof en
produceert kooldioxide, koolmonoxide en andere
giftige gassen.
Tijdens de eerste gebruiksperiode adviseren wij om
overmatige belasting van de auto te voorkomen
(bijvoorbeeld hard accelereren, lang rijden met de
maximumsnelheid, abrupt remmen, enz.).Laat de contactsleutel nooit in de stand MAR staan als de
motor is afgezet, zodat de accu niet onnodig wordt
ontladen.Onthoud dat de rembekrachtiging en de elektrische
stuurbekrachtiging niet werken zolang de motor niet is
gestart; om die reden is meer kracht benodigd voor
de bediening van het rempedaal en het stuur.Probeer de motor nooit te starten door het voertuig te
duwen, te slepen of van een helling af te laten rijden.
Hierdoor kan de katalysator worden beschadigd.
DE GESTARTE MOTOR OPWARMENGa als volgt te werk:
❒rijd langzaam weg en laat de motor bij gemiddelde toerentallen
draaien zonder bruusk te accelereren;
❒verlang de eerste kilometers niet de maximale prestaties van de
auto. Wacht tot de wijzer van de koelvloeistoftemperatuurmeter
begint te bewegen.
134WEGWIJS IN UW
AUTO
VEILIGHEIDSTARTEN EN
RIJDENNOODGEVALLEN
ONDERHOUD EN
ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER

ONDERHOUD EN ZORG
GEPROGRAMMEERD
ONDERHOUDJuist onderhoud is uiterst belangrijk voor een lange levensduur van de
auto onder optimale omstandigheden.
Alfa Romeo heeft een reeks controles en onderhoudsbeurten opgesteld
die elke 30.000 kilometer (benzineversies) of elke 35.000 kilometer
(dieselversies) uitgevoerd moeten worden.
Vóór 30.000/35.000 km en vervolgens tussen elke twee
servicebeurten is het sowieso nodig om bepaalde items van het
Geprogrammeerde Onderhoudsplan te controleren (bijv. periodieke
controle van het niveau van de vloeistoffen, bandenspanning, etc.).
De servicebeurten van het Geprogrammeerde Onderhoud worden
volgens een vast tijdsschema door het Alfa Romeo Servicenetwerk
uitgevoerd. Eventuele reparaties die nodig blijken tijdens het uitvoeren
van de diverse inspecties en controles van het geprogrammeerd
onderhoud, mogen uitsluitend worden uitgevoerd na toestemming van
de klant. Als de auto dikwijls gebruikt wordt voor het trekken van
aanhangers, dan moet een korter interval tussen de
onderhoudsbeurten worden aangehouden.WAARSCHUWING
Op 2000 km vóór de volgende servicebeurt zal de display een
melding tonen.
De servicebeurten van het Geprogrammeerde Onderhoud zijn door de
fabrikant voorgeschreven. Het niet uitvoeren ervan kan het vervallen
van de garantie tot gevolg hebben.
Het is raadzaam het Alfa Romeo Servicenetwerk onmiddellijk te
informeren over eventuele kleine storingen en niet te wachten tot de
volgende servicebeurt.
177WEGWIJS IN UW
AUTO
VEILIGHEID
STARTEN EN RIJDEN
NOODGEVALLENONDERHOUD EN
ZORGTECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER

INLEIDING .................................................................................... 241
TIPS ........................................................................................... 241
TECHNISCHE GEGEVENS .......................................................... 242
BASIC LEVEL SYSTEEM ............................................................... 242
SNELGIDS .................................................................................... 243
ALGEMENE FUNCTIES ................................................................ 244
RADIOFUNCTIES ........................................................................ 245
CD-FUNCTIES ............................................................................ 245
BEDIENINGSTOETSEN OP STUURWIEL ......................................... 246
ALGEMENE INFORMATIE .............................................................. 247
FUNCTIES EN INSTELLINGEN ........................................................ 249
INSCHAKELING AUTORADIO ..................................................... 249
UITSCHAKELING AUTORADIO .................................................... 249
RADIOFUNCTIES KIEZEN ............................................................ 249
CD-FUNCTIE KIEZEN .................................................................. 249
GEHEUGENFUNCTIE AUDIOBRON ............................................. 249
VOLUMEREGELING .................................................................... 249
MUTE/PAUSE FUNCTIE (volume op nul stellen) ............................. 249
GELUIDSINSTELLINGEN .............................................................. 250
TOONREGELING (lage/hoge tonen) ............................................ 250
BALANSREGELING ..................................................................... 250
FADERREGELING ........................................................................ 251
LOUDNESSFUNCTIE ................................................................... 251
PRESET/USER/CLASSIC/ROCK/JAZZ FUNCTIES .......................... 251
FUNCTIE USER EQ SETTINGS ...................................................... 252
MENU ....................................................................................... 252
AF SWITCHING functie .............................................................. 252
TRAFFIC INFORMATION functie .................................................. 253
REGIONAL MODE functie .......................................................... 254
MP3 DISPLAY functie ................................................................... 254SPEED VOLUME functie .............................................................. 254
RADIO ON VOLUME functie ........................................................ 255
TELEFOONFUNCTIE ................................................................... 255
AUX OFFSET functie .................................................................... 255
RADIO OFF functie .................................................................... 256
SYSTEM RESET functie ................................................................. 256
VOORBEREIDING VOOR INBOUW TELEFOON............................ 256
DIEFSTALBEVEILIGING ................................................................ 256
RADIO (TUNER) ............................................................................ 258
INLEIDING ................................................................................. 258
KEUZE GOLFBAND..................................................................... 258
VOORKEUZETOETSEN ............................................................... 258
OPSLAG VAN LAATST BELUISTERDE STATION .............................. 258
AUTOMATISCHE AFSTEMMING .................................................. 258
HANDMATIGE AFSTEMMING ..................................................... 259
AUTOSTORE FUNCTIE ................................................................ 259
ONTVANGST VAN NOODBERICHTEN ........................................ 259
EON FUNCTIE (Enhanced Other Network) .................................... 260
STEREO-UITZENDINGEN ............................................................ 260
CD-SPELER.................................................................................... 260
INLEIDING ................................................................................. 260
KEUZE VAN DE CD-SPELER ......................................................... 260
INBRENGEN/UITWERPEN VAN DE CD........................................ 261
DISPLAY-INFORMATIE ................................................................. 261
KEUZE VAN NUMMER (vooruit/achteruit) .................................... 262
SNEL VOORUIT-/TERUGSPOELEN VAN NUMMERS...................... 262
PAUZE-FUNCTIE ......................................................................... 262
CD MP3-SPELER ............................................................................ 262
INLEIDING ................................................................................. 262
MP3 WERKING .......................................................................... 262
239AUTORADIO
REGISTER

KEUZE VAN MP3-SESSIES OP HYBRIDE DISKS ............................. 263
DISPLAY-INFORMATIE ................................................................. 263
KEUZE VAN VOLGENDE/VORIGE MAP ....................................... 264
STRUCTUUR VAN DE MAPPEN .................................................... 264
AUX ............................................................................................. 265
INLEIDING ................................................................................. 265AUX MODUS ............................................................................. 265
PROBLEEMOPLOSSING ................................................................. 266
ALGEMEEN ................................................................................ 266
CD-SPELER ................................................................................. 266
LEZEN VAN MP3-BESTAND ......................................................... 266
240
AUTORADIO