
Instrumenten en bedieningsorganen85Controlelampen
De beschreven controlelampen zijn
niet in alle auto's aanwezig. Deze be‐ schrijving geldt voor alle instrument‐
uitvoeringen. Afhankelijk van de uit‐ rusting kan de plaats van de contro‐
lelampjes variëren.
Bij het inschakelen van de ontsteking
lichten de meeste controlelampen korte tijd op bij wijze van functietest.
Betekenis kleuren controlelampen:Rood=gevaar, belangrijke herin‐
neringGeel=waarschuwing, aanwij‐
zing, storingGroen=inschakelbevestigingBlauw=inschakelbevestigingWit=inschakelbevestigingControlelampjes op het
instrumentenbord
k brandt rood.
Gordelwaarschuwing passagier
voorin 3 44.
* brandt geel.
Airbag voorpassagier is gedeacti‐
veerd 3 52.
9 Gevaar
Levensgevaar voor kinderen in
een kinderveiligheidssysteem te‐
zamen met een geactiveerde air‐
bag op de passagiersstoel voorin.
Levensgevaar voor volwassenen
bij een buiten werking gestelde
airbag van de passagiersstoel
voorin.

Instrumenten en bedieningsorganen87Richtingaanwijzer
O brandt of knippert groen.
Het betreffende verklikkerlicht knip‐ pert wanneer de richtingaanwijzer in‐
geschakeld is 3 110.
Snel knipperen: richtingaanwijzer of
bijbehorende zekering defect of rich‐
tingaanwijzer op aanhanger defect.
Bij actieve alarmknipperlichten knip‐
peren beide controlelampjes 3 110.
Gloeilamp vervangen 3 164, zeke‐
ringen 3 171.
Richtingaanwijzers 3 110.
Gordelverklikker Gordelverklikker voor devoorstoelen
X van de bestuurdersstoel brandt of
knippert rood.
k van de passagiersstoel voorin
brandt of knippert rood wanneer de stoel bezet is.
Als de autogordel bij een draaiende
motor niet in gebruik is, zal de contro‐
lelamp gedurende 100 secondenknipperen en vervolgens oplichten
totdat de veiligheidsgordel vastge‐
maakt is.
Bij een snelheid van meer dan
22 km/u knippert de controlelamp ge‐ durende 100 seconden samen met
een waarschuwingszoemer en blijft
deze branden totdat de veiligheids‐
gordel omgedaan is.
Veiligheidsgordel omdoen 3 43.
Gordelwaarschuwing passagier
voorin k 3 44.
Airbag en gordelspanners
v brandt rood.
Wanneer het contact is ingeschakeld: v knippert kort. Als het niet knippert,
blijft branden of onderweg knippert is
er een storing in het airbagsysteem.
De hulp van een werkplaats inroepen.
De airbags en gordelspanners gaan
mogelijkerwijs niet af tijdens een on‐
geval.
Geactiveerde gordelspanners of air‐
bags worden aangeduid door aan‐
houdend branden van v.9 Waarschuwing
Oorzaak van de storing onmiddel‐
lijk door een werkplaats laten ver‐
helpen.
Gordelspanners, airbagsysteem
3 43, 3 47.
Laadsysteem p brandt rood.
Brandt na het inschakelen van de ont‐ steking en dooft vlak na het starten
van de motor. Werkplaats raadplegen als het niet oplicht.
Brandt bij een draaiende motor Stop de auto en schakel de motor uit.
Accu wordt niet geladen. Motorkoe‐
ling wordt mogelijk onderbroken. De
rembekrachtiger werkt eventueel niet
meer.
Onderbreek uw reis onmiddellijk.
Sleutel lostrekken en staat en span‐
ning van aandrijfriem controleren
voordat u een werkplaats raadpleegt.

90Instrumenten en bedieningsorganenSysteem voor
gecontroleerde afdaling
u brandt geel en/of groen.
Bij het inschakelen van het contact
branden zowel het gele als het
groene controlelampje even.
Groen
Brandt als het systeem bedrijfsge‐
reed is.
Knippert onderweg als het systeem
actief is, na het indrukken van
knop u.
Geel
Knippert om aan te geven dat het sys‐
teem niet klaar is voor gebruik.
Brandt ter indicatie van een storing in het systeem.
Als het knippert of oplicht, moet het
frictiemateriaal afkoelen. Bij het rijden
zo weinig mogelijk remmen.
Systeem voor gecontroleerde afda‐
ling 3 143.Stuurbekrachtiging
2 brandt geel.
Wanneer het contact is ingeschakeld: 2 brandt kort. Als het niet brandt,
blijft branden of onderweg knippert is
er een storing in de gordelspanners of
het airbagsysteem. De hulp van een
werkplaats inroepen.
Stuurbekrachtiging 3 125.
Ultrasoonparkeerhulp r brandt geel.
Storing in het systeem
of
Storing door vervuilde of met sneeuw of ijs bedekte sensoren
of
Storingen door externe bronnen van
ultrasoon geluid. Als de storingsbron
wordt verwijderd, dan werkt het sys‐
teem weer normaal.
Oorzaak van de systeemstoring on‐
middellijk door een werkplaats laten
verhelpen.
Ultrasoonparkeerhulp 3 146.Elektronische
stabiliteitsregeling b brandt of knippert geel.
Na het starten van de motor licht b
kort op. Werkplaats raadplegen als
het niet oplicht.
Brandt
Storing in het systeem. Verder rijden
is mogelijk. De rijstabiliteit kan echter
afhankelijk van de staat van het weg‐
dek verslechteren.
Oorzaak van de storing onmiddellijk
door een werkplaats laten verhelpen.
Knippert
Het systeem is actief ingeschakeld.
Het motorvermogen kan worden be‐
grensd en de auto kan automatisch
iets worden afgeremd.
Elektronische stabiliteitsregeling
3 142.
Elektronische
stabiliteitsregeling UIT
t brandt geel.

110Verlichting
Automatische
koplampverstelling
Bij auto's met xenonkoplampen wordt de koplampreikwijdte automatisch
aan de belasting van de auto aange‐
past.
Als controlelampje q onderweg op de
instrumentengroep oplicht, is er een
storing. Oorzaak van de storing on‐
middellijk door een werkplaats laten
verhelpen.
Controlelamp q 3 93.
Koplampinstelling in het
buitenland
Het asymmetrische dimlicht biedt
meer zicht op de rand van de weg aan de passagierskant.
Laat bij het rijden in landen met links‐
rijdend verkeer de koplampen bijstel‐
len om tegenliggers niet te verblin‐
den. De hulp van een werkplaats in‐
roepen.Dagrijlicht
Het dagrijlicht maakt de auto overdag
beter zichtbaar.
Deze gaat bij het inschakelen van het
contact automatisch branden.
Automatische verlichting 3 108.
Alarmknipperlichten
Bediening met toets ¨.
De alarmlichten worden automatisch
ingeschakeld wanneer de airbags bij
een ongeval in werking treden.
RichtingaanwijzersHendel
omhoog=Rechter richtingaan‐
wijzerHendel
omlaag=Linker richtingaanwij‐
zer
Als de hendel voorbij het weerstands‐
punt wordt geduwd, blijft de richting‐
aanwijzer ingeschakeld.
Bij het terugdraaien van het stuurwiel wordt de richtingaanwijzer automa‐
tisch uitgeschakeld. Dit gebeurt niet
bij een geringe stuurbeweging zoals
bij het wisselen van rijstrook.

Verlichting113Binnenverlichting
Regelbare
instrumentenverlichting
Wanneer de rijverlichting aanstaat,
kunt u de lichtsterkte van de volgende lampen regelen:
■ Instrumentenverlichting
■ Info-Display
■ Verlichte schakelaars en bedie‐ ningselementen.
Kartelwieltje k naar rechts of links op
de gewenste helderheid draaien.
Bij het openen van het bestuurders‐
portier of bij indrukken van q op de
afstandsbediening licht het instru‐
mentenbord automatisch
30 seconden op totdat de contact‐
sleutel in stand ACC wordt gezet.
Displaymodus 3 97.
Binnenverlichting
De voorste en achterste interieurver‐
lichting worden bij het in- en uitstap‐
pen vanzelf ingeschakeld en doven
met enige vertraging.
Let op
Bij een ongeval waarbij de airbags
geactiveerd worden gaat de vloer‐
verlichting automatisch aan.Voorste interieurverlichting
De leeslampen voor en achter en de
verlichting van de bagageruimte wer‐ ken als instapverlichting en gaan bij
het openen van de portieren of de
achterklep branden.
Als de portieren of achterklep open
blijven, blijft de verlichting gedurende
10 minuten branden. Zodra alle por‐
tieren en de achterklep gesloten zijn,
dimt de instapverlichting geleidelijk aan na 10 seconden.

Klantinformatie215
■ Reacties van de auto in bepaalderijsituaties (bijv. afgaan van airbag,
activering van stabiliteitsregeling)
■ Omgevingsomstandigheden (bijv. temperatuur)
Deze gegevens zijn uitsluitend tech‐
nisch en helpen fouten identificeren
en corrigeren alsook de functies van
de auto optimaliseren.
Bewegingsprofielen die afgelegde
routes aangeven, kunnen niet met
deze gegevens worden gemaakt.
Als diensten worden gebruikt ( bijv. re‐
paraties, serviceprocessen, garantie‐
gevallen, kwaliteitsborging) kunnen
medewerkers van het servicenetwerk (met inbegrip van de fabrikant) deze
technische informatie lezen in de ge‐
beurtenis- en foutgegevensopslag‐
modules waarbij speciale diagnosti‐
sche apparaten worden gebruikt. Zo
nodig ontvangt u verdere informatie bij deze werkplaatsen. Nadat een fout gecorrigeerd is, worden de gegevens uit de foutopslagmodule verwijderd of
worden ze constant overschreven.Bij gebruik van de auto kunnen zich
situaties voordoen waarin deze tech‐
nische gegevens die samenhangen
met andere informatie (rapport over
aanrijding, schade aan de auto, ver‐
klaring van getuigen enz.) in verband
kunnen worden gebracht met een
specifieke persoon - mogelijk met de
hulp van een expert.
Extra functies die contractueel zijn
overeengekomen met de klant (bijv.
locatie van auto in noodgevallen) ma‐ ken de overdracht van bepaalde au‐
togegevens uit de auto mogelijk.Radiofrequentie-
identificatie (RFID) RFID-technologie wordt in sommige
voertuigen gebruikt voor functies
zoals de controle van de banden‐
spanning en beveiliging van het ont‐
stekingssysteem. Het wordt ook sa‐
men gebruikt met apparaten zoals ra‐ diogestuurde afstandsbedieningen
voor het vergrendelen/ontgrendelen
van de deuren en starten en zenders
in de auto voor het openen van gara‐ gedeuren. RFID-technologie in Opel-
voertuigen gebruikt geen persoonlijke
informatie, houdt ze niet bij of koppelt
deze niet aan andere Opel-systemen
die persoonlijke informatie bevatten.

216Trefwoordenlijst
12V-aansluiting ............................. 61
A Aanbevolen vloeistoffen en smeermiddelen ..............201, 205
Aandrijving op alle wielen ............89
Aanduidingen op banden ..........181
Aanhangerstabilisatie ................154
Aanhanger trekken ....................151
Aansluitingen voor accessoires ....82
Accessoires en modificaties van auto ........................................ 155
Accu...................................... 87, 161
Accu, starthulp gebruiken ...........193
Achterklep..................................... 24 Achterklep open ........................... 94Achterlichten .............................. 168
Achterruitverwarming ................... 33
Achteruitrijlichten .......................112
Actieve hoofdsteunen .............36, 37
Afmetingen auto ........................210
Afstandsbediening ........................20
Airbag deactiveren ....................... 52 Airbag en gordelspanners ...........87
Airbaglabel.................................... 47
Airbagsysteem ............................. 47
Airconditioning ........................... 118Airconditioning regelmatig
aanzetten ............................... 124
Alarmknipperlichten ...................110
Algemene informatie .................. 150
Algemene richtlijnen voor het rijden ....................................... 125
All-wheel Drive ........................... 137
Andere auto slepen ...................196
Antiblokkeersysteem .................140
Antiblokkeersysteem (ABS) .........89
Armsteun ...................................... 42
Armsteun met opbergruimte ........61
Autogegevens ............................ 205
Autokrik....................................... 179
Automatische dimfunctie .......30, 31
Automatische koplamphoogteregeling .............93
Automatische niveauregeling ....
........................................ 109, 144
Automatische verlichting ............ 108
Automatische versnellingsbak ...
.......................................... 88, 132
Auto ontgrendelen .........................6
Auto reinigen .............................. 197
Auto slepen ................................ 195
Auto stallen ................................. 155
Auto wassen ............................... 197

218
Elektronische stabiliteitsregeling(ESC) ...................................... 142
Elektronische stabiliteitsregeling UIT ..............90
Elektronisch klimaatregelsysteem ..............119
Event Data Recorders (EDR) .....214
F
Fietsendrager ............................... 61
Flex-Fix-systeem .......................... 61
Frontaal airbagsysteem ...............50
G Gebruik van deze handleiding .......3
Geluidssignalen .........................102
Gereedschap ............................. 179
Gevaar, Waarschuwing en Voorzichtig ................................. 4
Gevarendriehoek .........................74
Gloeilamp vervangen ................164
Gordels ......................................... 43
Gordelspanners ............................ 43
Gordelverklikker...................... 44, 87
Gordijnairbagsysteem .................. 51
Graphic-Info-Display, Color-Info-Display .....................97
Grootlicht ............................. 93, 109H
Halogeenkoplampen .................165
Handgeschakelde versnellingsbak ......................136
Handmatige dimfunctie ................31
Handmatige modus ...................134
Handrem ............................... 88, 140
Handschoenenkastje ...................59
Handzender ................................. 20
Hellingrem ................................. 142
Hoofdsteunen .............................. 36
Hoofdsteunverstelling ....................8
I
Inbouwposities kinderveilig‐ heidssystemen ......................... 55
Info-Displays ................................. 94
Inhouden ................................... 212
Inklapbare spiegels .....................29
Inleiding ......................................... 3
Instapverlichting ......................... 115
Instrumentengroep ......................83
Instrumentenverlichting .............171
Interieurverlichting ......................113
Isofix-kinderveiligheidssystemen ..58
K Kaarthouder .................................. 60
Katalysator............................ 88, 132
Kentekenverlichting ...................169Keuzehendel ............................. 133
Kickdown .................................... 134
Kilometerteller .............................. 83
Kindersloten ................................. 24 Kinderveiligheids-systemen ..........53
Klimaatregeling ............................ 15
Klimaatregelsystemen ................117
Klok .............................................. 80 Knoppen op het stuurwiel .............76
Koelvloeistof .............................. 158
Koelvloeistof en antivries ............201
Koelvloeistoftemperatuur .............91
Kogelstang.................................. 152
Koplampen ................................ 164
Koplampinstelling in het buitenland .............................. 110
Koplampsproeier .......................... 77
Koplampverstelling ....................109
Koppelingsvloeistof ...................161
L Laadsysteem ............................... 87
Lampenkappen, beslagen ..........112
Leeslampen ............................... 114
Lekke band ................................. 189
Levensduur motorolie ...................92
Lichtschakelaar .......................... 108
Lichtsignaal ................................ 109
Luchtinlaat ................................. 123
Luchtroosters .............................. 122