Índice alfabético
8
I
Refrigerante del motor ···················································7-13
Cambio del refrigerante ············································7-15
Comprobación del nivel de refrigerante····················7-13
Remolque ·······································································6-32 Montaje del gancho de remolque ······························6-33
Remolque de emergencia ··········································6-34
Servicio de remolque ················································6-32
Retrovisores ···································································4-49 Retrovisor exterior·····················································4-52
Retrovisor interior ·····················································4-49
Rodaje del vehículo ·························································1-6
Seguros de las puertas ··················································4-19 Accionamiento del seguro de las puertas desde el exterior del vehículo················································4-19
Accionamiento del seguro de las puertas desde el interior del vehículo ················································4-20
Bloqueo mutuo ··························································4-22
Bloqueo a prueba de niños de la puerta trasera ········4-23
Opciones del bloqueo/desbloqueo de las puertas ·····4-22
Servicios de mantenimiento·············································7-5 Precauciones en el mantenimiento realizado por el propietario ·································································7-5
Precauciones en el vano del motor (Motor diesel) ·····7-6
Responsabilidad del propietario ··································7-5 Si no arranca el motor ····················································6-4
Si el motor gira pero no arranca ·································6-4
Si el motor no se enciende o gira muy despacio ········6-4
Si se sobrecalienta el motor ·············································6-7
Si sufre un pinchazo (con la rueda de repuesto) ···········6-14
Cambiar una rueda ····················································6-17
El gato y las herramientas ·········································6-14
Retirar y guardar la rueda de repuesto ······················6-15
Si sufre un pinchazo (con el equipo de cambio de neumáticos) ·······························································6-24Componentes del sistema de cambio de neumáticos (Tire Mobility Kit) ··················································6-26
Datos técnicos ···························································6-31
Distribución del sellante············································6-28
Introducción ······························································6-24Notas sobre el uso del equipo de cambio de neumáticos ······························································6-30
Producción de la presión de inflado··························6-29
Uso del Tire Mobility Kit··········································6-27
Sistema antirrobo ···························································4-16
Estado activado··························································4-16
Estado de alarma antirrobo ·······································4-17
Estado desarmado······················································4-18
Sistema de ayuda al estacionamiento smart (SPAS) ···4-110 Condición operativa ················································4-111
Condiciones no operativas ······································4-111
Funcionamiento del sistema ····································4-114
Fallo del sistema······················································4-125
Instrucciones adicionales (mensajes) ······················4-124
R
S
Wat te doen in een noodgeval
Waarschuwingssignalen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6-2• Alarmknipperlichten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6-2
Wat te doen in een noodgeval tijdens het rijden . . 6-3
. . . . . . 6-3
. . . . . . . . . . . . 6-3
Als de motor niet gestart kan worden . . . . . . . . . . 6-4 . . . . . . . . . 6-4
Starten met hulpaccu . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6-5 . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6-5
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6-6
Als de motor oververhit raakt. . . . . . . . . . . . . . . . . 6-7
Controlesysteem lage bandenspanning (TPMS) . . 6-8 (controlesysteem lage bandenspanning) . . . . . . . . . 6-11
. . . . . . . . . . . . . . . . 6-11
Lekke band (met reservewiel) . . . . . . . . . . . . . . . . 6-14 . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6-14
. . . . . 6-15
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6-20 Lekke band (met Tire Mobility Kit). . . . . . . . . . . 6-23
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6-23
. . . . . . . . . . 6-24
. . . . . . . . . . . . . . . 6-25
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6-27
. . . . . . . . . . . . 6-28
de Tire Mobility Kit . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6-28
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6-29
Slepen. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6-30 . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6-30
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6-31
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6-32
6
Wat te doen in een noodgeval
2
6
WAARSCHUWINGSSIGNALEN
Alarmknipperlichten
De alarmknipperlichten dienen ervoor
om de overige weggebruikers te
waarschuwen om extra voorzichtigheid inacht te nemen bij het naderen, inhalen of
passeren van uw auto. Ze dienen te worden gebruikt innoodsituaties of als de auto aan de kant
van de weg tot stilstand is gekomen.
Druk de schakelaar van de
alarmknipperlichten in met het contact in
een willekeurige stand. De schakelaar
alarmknipperlichten bevindt zich in het
dashboard. De schakelaar zorgt ervoor
dat alle knipperlichten geactiveerd
worden.
• De alarmknipperlichten werken
ongeacht of de motor draait of niet.
De richtingaanwijzers werken niet wanneer de alarmknipperlichten
ingeschakeld zijn.
Wees voorzichtig bij het gebruiken van de alarmknipperlichten wanneer de
auto gesleept wordt.
ODM042242
ODM042243
■Type A
■Type B
63
Wat te doen in een noodgeval
WAT TE DOEN IN EEN NOODGEVAL TIJDENS HET RIJDEN
Als de motor afslaat op een kruising of kruispunt
Zet de selectiehendel in stand N als de motor afslaat op een kruising of
kruispunt en duw de auto naar een
veilige plek.
handgeschakelde transmissie en niet
is voorzien van een contactslot, kan de
auto naar voren bewegen wanneer u
naar de tweede of derde versnelling
schakelt en vervolgens de startmotor
inschakelt zonder het
koppelingspedaal in te trappen. Als u tijdens het rijden een lekke band krijgt
Als tijdens het rijden een band leegloopt:
1. Laat het gaspedaal los en verminder
vaart terwijl u rechtuit blijft rijden. Trap niet direct het rempedaal in en probeer
ook niet direct naar de kant van de wegte sturen omdat u hierdoor de controle
over de auto zou kunnen verliezen.
Rem voorzichtig zodra de snelheid zo
laag is dat u dat veilig kunt doen en zet
de auto aan de kant van de weg.
Zet de auto zoveel mogelijk aan de
kant van de weg en parkeer op een
stevige, vlakke ondergrond. Parkeer
niet in de middenberm als u op een
snelweg rijdt met gescheiden rijbanen.
2. Zet als de auto stilstaat de alarmknipperlichten aan, activeer de
parkeerrem en zet de transmissie in
stand P (automatische transmissie) of
in de achteruit (handgeschakelde
transmissie).
3. Laat alle inzittenden uitstappen. Laat iedereen uitstappen aan die zijde van
de auto die van het langsrijdende
verkeer afgewend is.
4. Volg bij het vervangen van een lekke band de aanwijzingen in dit hoofdstuk. Als de motor afslaat tijdens het rijden
1. Laat de auto geleidelijk uitrollen en blijf
daarbij rechtuit rijden. Probeer de auto
op een veilige plaats tot stilstand tebrengen.
2. Schakel de alarmknipperlichten in.
3. Probeer nogmaals de motor te starten. We adviseren u contact op te nemen
met een officiële HYUNDAI-dealer als
de motor niet start.
Wat te doen in een noodgeval
16
6
Opbergen van het reservewiel:
1.Plaats het wiel op de grond met het
ventiel naar boven.
2.Plaats het wiel onder de auto en bevestig de houder (1) midden in het wiel.
3.Draai de sleutel rechtsom totdat hij klikt. Wielen verwisselen
1.Plaats de auto op een stevige en
vlakke ondergrond en trek de
parkeerrem stevig aan.
2.Zet de versnellingspook in de achteruitversnelling
(handgeschakelde transmissie) of
zet de selectiehendel in stand P
(automatische transmissie).
3.Schakel de alarmknipperlichten in.
WAARSCHUWING
Zorg dat de reservewielhouder
en het midden van het
reservewiel goed uitgelijnd zijn
om te voorkomen dat het
reservewiel gaat rammelen.
Anders kan het reservewiel uit
de houder vallen waardoor een
ongeluk kan ontstaan.
ODM062007
1VQA4022