
104
Uitschakelen
In bijzondere omstandigheden (als de auto vastzit in de modder,
sneeuw, in mulle grond,...) kan het nuttig zijn de systemen ASR en ESP
uit te schakelen, zodat de wielen kunnen spinnen en weer grip kunnen
krijgen.
)
Druk op de knop "ESP OFF"
, die zich in het midden van het
dashboard bevindt.
Als dit verklikkerlampje op het instrumentenpaneel en het
verklikkerlampje van de knop branden, zijn de systemen ASR
en ESP uitgeschakeld.
Hierdoor wordt eveneens het automatisch inschakelen van de
alarmknipperlichten uitgeschakeld.
Opnieuw inschakelen:
Deze systemen worden automatisch weer ingeschakeld als het contact
opnieuw wordt aangezet.
)
U kunt ook nogmaals op de knop "ESP OFF"
drukken om de
systemen handmatig weer in te schakelen.
Hierdoor wordt eveneens het automatisch inschakelen van de
alarmknipperlichten weer ingeschakeld.
Storing
De systemen ASR en ESP zorgen voor meer veiligheid tijdens het
rijden. De bestuurder mag zich echter nooit laten verleiden tot het
nemen van meer risico's of het te hard rijden.
De goede werking van de systemen wordt verzekerd door de
naleving van de voorschriften van de constructeur op het gebied
van:
- de wielen (banden en velgen),
- de onderdelen van het remsysteem,
- de elektronische componenten,
- procedures met betrekking tot montage en werkzaamheden.
Laat de systemen na een aanrijding controleren door het
PEUGEOT-netwerk of door een gekwalificeerde werkplaats.
Als dit verklikkerlampje gaat branden in combinatie met een
geluidssignaal en een melding op het display, duidt dit op een
storing in deze systemen.
Laat de systemen controleren door het PEUGEOT-netwerk of door een
gekwalificeerde werkplaats.

O
NOF
FAIR
BA
G P
A
SS.
11 2
AIRBAGS VÓÓR
De airbags vóór beschermen de bestuurder en voorpassagier bij een
ernstige frontale aanrijding, om de kans op hoofd- en borstletsel te
verkleinen.
De bestuurdersairbag is geïntegreerd in het stuurwiel en de
passagiersairbag in het dashboard boven het dashboardkastje.
Activering
De airbags worden gelijktijdig opgeblazen, behalve als de airbag aan
passagierszijde is uitgeschakeld, bij een ernstige frontale aanrijding
binnen (een gedeelte van) de impactzone vóór (A)
, in de lengterichting
van de auto en vanaf de voorzijde richting de achterzijde van de auto,
die zich op een horizontale ondergrond moet bevinden.
De airbag vóór wordt opgeblazen tussen de bestuurder en het stuur of
tussen de passagier voorin en het dashboard om te verhinderen dat
deze naar voren wordt geslingerd.
Uitschakelen
Alleen de airbag aan passagierszijde kan worden uitgeschakeld:
)
zet het contact af
, steek de sleutel in de schakelaar voor
uitschakelen van de airbag aan passagierszijde,
)
draai deze in de stand "OFF"
,
)
verwijder de sleutel zonder de stand van de schakelaar te veranderen.
Schakel voor de veiligheid van uw kind de airbag aan
passagierszijde altijd uit als u een kinderzitje met de rug in de
rijrichting op de voorstoel plaatst.
Anders kan een kind bij het afgaan van de airbag levensgevaarlijk
gewond raken. Dit pictogram verschijnt op het pictogrammendisplay van
de veiligheidsgordels en de airbag aan passagierszijde, bij
aangezet contact en zolang de airbag is uitgeschakeld.

5/
VEILIGHEID
Houd u aan de volgende veiligheidsvoorschriften voor
een maximale effectiviteit van de airbags:
Maak er een gewoonte van om normaal rechtop in de voorstoelen
te zitten.
Draag altijd een correct afgestelde autogordel.
Zorg dat er zich niets bevindt tussen de airbag en de inzittenden
(kinderen, huisdieren, objecten...). Dit kan de goede werking van
de airbag belemmeren en/of de inzittende bij het opblazen van de
airbag verwonden.
Laat na een aanrijding of diefstal van uw auto de airbagsystemen
controleren.
Werkzaamheden aan airbagsystemen mogen uitsluitend door
het PEUGEOT-netwerk of door een gekwalificeerde werkplaats
worden uitgevoerd.
Zelfs als alle bovenstaande voorschriften worden nageleefd,
blijft de kans bestaan op letsel of lichte brandwonden aan het
hoofd, de borst of de armen als de airbag wordt geactiveerd.
De airbag wordt namelijk zeer snel opgeblazen (binnen enkele
milliseconden) en loopt vervolgens even snel leeg, waarbij de
warme gassen via de daarvoor bestemde openingen naar buiten
stromen.
Airbags vóór
Houd het stuurwiel niet aan de spaken vast en laat uw handen niet
op het stuurwielkussen rusten.
De voorpassagier mag zijn voeten niet op het dashboard laten
rusten.
Het is raadzaam niet te roken in de auto. Als de airbag wordt
opgeblazen, kunnen brandende sigaretten of een pijp brandwonden
of ander letsel veroorzaken.
Verwijder het stuurwiel nooit, maak geen gaten in de
stuurwielbekleding en sla er niet op.
Zij-airbags
Bevestig nooit iets aan de rugleuning van de stoelen, dit zou bij het
afgaan van de airbags kunnen leiden tot verwondingen aan armen
of borstkas.
Ga niet onnodig dicht tegen het portierpaneel zitten.

7/
ONDERHOUD
NIVEAUS CONTROLEREN
Controleer de onderstaande niveaus regelmatig en vul indien nodig bij,
tenzij anders aangegeven.
Laat in het geval van een sterk gedaald niveau het desbetreffende
circuit controleren door het PEUGEOT-netwerk of door een
gekwalificeerde werkplaats.
MOTOROLIENIVEAU
Het motorolieniveau kan bij aangezet contact worden
gecontroleerd via de motorolieniveaumeter op het
instrumentenpaneel, of met de oliepeilstok.
Een handmatige controle van het motorolieniveau is alleen betrouwbaar
als de auto op een vlakke, horizontale ondergrond staat en de motor
minstens 30 minuten niet heeft gedraaid.
Na het bijvullen zal de olieniveaumeter op het dashboard bij het
aanzetten van het contact binnen 30 minuten de juiste waarde aangeven.
Het is normaal om tussen twee onderhoudsbeurten olie bij
te vullen. PEUGEOT raadt u aan om elke 5000 kilometer het
olieniveau te controleren en, indien nodig, olie bij te vullen.
Olie verversen
Raadpleeg het onderhoudsboekje voor het verversingsinterval voor uw auto.
Om een verminderde betrouwbaarheid van de motor en de
emissieregeling te voorkomen, is het gebruik van additieven in de
motorolie niet toegestaan.
REMVLOEISTOFNIVEAU
Het remvloeistofniveau dient zich zo dicht mogelijk bij het
merkteken "MAXI" te bevinden. Controleer indien dit niet het
geval is of de remblokken van uw auto zijn versleten.
Remvloeistof verversen
Raadpleeg het onderhoudsboekje voor het voorgeschreven
verversingsinterval.
Type remvloeistof
Gebruik de door de fabrikant voorgeschreven remvloeistof die voldoet
aan de DOT4-norm.
STUURBEKRACHTIGINGSVLOEISTOFNIVEAU
Het stuurbekrachtigingsvloeistofniveau dient zich zo dicht
mogelijk bij het merkteken "MAXI" te bevinden. Draai bij
koude motor de dop open om het niveau te controleren.
Let bij werkzaamheden onder de motorkap goed op want
bepaalde delen van de motor kunnen zeer heet zijn (kans op
brandwonden).
Type motorolie
Gebruik de door de fabrikant aanbevolen motorolie voor uw auto en
motoruitvoering.

160
WIEL VERWISSELEN
Stilzetten van de auto
Zet de auto op een plaats waar het verkeer niet gehinderd wordt
en zorg ervoor dat de auto op een horizontale, stabiele en stroeve
ondergrond staat.
Trek de handrem aan, zet het contact af en schakel de eerste
versnelling (stand P
bij automatische transmissie) in om de wielen
te blokkeren.
Controleer of de inzittenden de auto hebben verlaten en zich op
een veilige plaats bevinden.
Plaats indien nodig een wielblok onder het wiel kruislings
tegenover het te verwisselen wiel.
Ga nooit onder een auto liggen die alleen op de krik steunt;
gebruik een bok.
Dop voor slotbout: hiermee past de
wielsleutel op de speciale slotbouten. Deze
dop is specifiek voor uw auto en bevindt zich
in het dashboardkastje.
Wielsleutel: hiermee kunnen de wielbouten
worden losgedraaid.
Krik met geïntegreerde slinger: hiermee kan
de auto worden opgekrikt.
NOODZAKELIJK GEREEDSCHAP *
Gereedschap voor het verwijderen van
sierdoppen: hiermee kunnen bij lichtmetalen
velgen de sierdoppen van de wielbouten
worden verwijderd.
*
Afhankelijk van het land van bestemming is uw auto voorzien van het
gereedschap dat nodig is voor het verwisselen van een wiel en kan
uw auto tevens zijn voorzien van een reservewiel (zie de volgende
bladzijden).

8/
PRAKTISCHE INFORMATIE
ZEKERINGEN VERVANGEN
TOEGANG TOT HET GEREEDSCHAP
De tang voor het verwijderen van zekeringen is zich aan de binnenzijde
van het deksel van de zekeringkast dashboard bevestigd:
)
draai de schroef een kwart omwenteling naar links,
)
trek het deksel rechts boven los,
)
maak het deksel helemaal los en draai het om,
)
haal de houder met de tang uit de binnenzijde van het deksel.
VERVANGEN VAN EEN ZEKERING
Voordat u een zekering vervangt, dient u:
)
de oorzaak van de storing op te sporen en te (laten) verhelpen,
)
alle stroomverbruikers uit te schakelen,
)
de auto stil te zetten en het contact af te zetten,
)
de defecte zekering op te sporen met behulp van de op de
volgende pagina's vermelde tabellen en overzichten.
Bij het vervangen van een zekering moet u:
- de speciale tang gebruiken om de zekering uit de zekeringkast te
verwijderen en de staat van de draad controleren,
- een defecte zekering altijd vervangen door een zekering met
dezelfde stroomsterkte (dezelfde kleur); het gebruik van een
zekering met een andere stroomsterkte kan tot storingen (of zelfs
brand) leiden.
Goed
Defect
Tang
Wanneer de storing kort na het vervangen van de zekering weer
optreedt, moet u de elektrische uitrusting laten controleren door
het PEUGEOT-netwerk of door een gekwalificeerde werkplaats.

8/
F2
F15F11
F9 F6 F5 F1 F7 F4 F3 F10 F8 F13 F12 F14F17 SH
PRAKTISCHE INFORMATIE
ZEKERINGEN DASHBOARD
De zekeringkast bevindt zich aan de onderzijde van het dashboard
(linkerzijde) en bevat twee houders.
Toegang tot de zekeringen
)
Zie de paragraaf "Toegang tot het gereedschap".
Overzicht zekeringen
Zekering
Ampère
Functies
F1
-
Niet gebruikt.
F2
30 A
Massa vergrendeling en supervergrendeling.
F3
5 A
Elektronische eenheid airbags, actieve
motorkap en pyrotechnische gordelspanners.
F4
10 A
Schakelaar koppelingspedaal,
elektrochromatische binnenspiegel,
automatische transmissie, eenheid
veiligheidsschakeling.
F5
30 A
Eentraps elektrische ruitbediening,
voeding inklapbare buitenspiegels.
F6
- Niet gebruikt.
F7
5 A
Plafonniers voor en achter,
kaartleeslampjes, verlichting zonneklep,
verlichting dashboardkastje.
F8
20 A
Autoradio, autoradio/telefoon,
multifunctioneel display, detectie te lage
bandenspanning, klokje.
F9
30 A
12V-aansluiting.
F10
15 A
Stuurkolomschakelaars.
F11
15 A
Contactslot met circuit lage stroomsterkte.
F12
15 A
Instrumentenpaneel, airconditioning,
geheugeneenheid bestuurdersstoel,
regen-/lichtsensor, airbags.
Houder 1

226
07
2ABC3DEF5JKL4GHI6MNO8TUV7PQRS9WXYZ0*#
1RADIO MEDIANAV ESC TRAFFIC
SETUPADDR
BOOK
1
3RADIONAV ESC TRAFFICMEDIAMEDIA
2ABC3DEF5JKL4GHI6MNO8TUV7PQRS9WXYZ0*#
1RADIO MEDIANAV ESC TRAFFIC
SETUPADDR
BOOK
2
1
3
4
2RADIONAV ESC TRAFFICMEDIAMEDIA
2ABC3DEF5JKL4GHI6MNO8TUV7PQRS9WXYZ0*#
1RADIO MEDIANAV ESC TRAFFIC
SETUPADDR
BOOK
2ABC3DEF5JKL4GHI6MNO8TUV7PQRS9WXYZ0*#
1RADIO MEDIANAV ESC TRAFFIC
SETUPADDR
BOOK
Sluit het externe apparaat (MP3-speler/camcorder, fototoestel…)
met een JACK/RCA-audiokabel aan op de RCA-aansluitingen (wit en rood (audio-aansluiting), geel (video-aansluiting)) in hetdashboardkastje.
Druk op de toets MEDIA en druk
nogmaals op de toets of selecteer defunctie Menu "Media" en druk op OK
om te bevestigen.
Selecteer de geluidsbron AUXen druk op OK om te bevestigen,
waarna het afspelen automatisch
begint.
Selecteer "Selecteer media" en
vervolgens "Extern toestel (AV)" en
druk op OK om deze te activeren.
Extern toestel
De weer
gave- en bedieningsfuncties verlopen via de externe
apparatuur zelf.
AUX-INGANG (AUX) GEBRUIKEN
Als de AUX-aansluiting niet is geactiveerd, selecteer dan "Beheer extern toestel (Aux)" om deze te activeren.
EEN VIDEO-DVD AFSPELEN
Selecteer de gewenste videobron (Extern toestel (AV), DVD-video). Druk op OK om te bevestigen. De DVD wordt afgespeeld.
Druk op de toets MEDIA om toegang
te kri
jgen tot het Menu Media of defuncties van het DVD-menu voor debeeldinstellingen (helderheid/contrast,
beeldformaat...).
Als de DVD niet op het display wordt
weergegeven, druk dan op de toets MODE om toegang te krijgen tot hetMEDIA-scherm waarop het
DVD-scherm wordt weergegeven.
Plaats de DVD in de speler. De DVD wordt
automatisch af
gespeeld.
Met de 4-weg navigatietoets en de verchroomde draaiknop kan
de cursor van de DVD-selectie worden verplaatst. Door op de toets
of
te drukken kan een hoofdstuk worden gekozen.
MULTIMEDIASPELERS
AUDIO-/VIDEO-/RCA-KABEL NIET BIJGELEVERD