
56
Ventilatie
Instellen van de tijdschakelaar
Zet voordat u de standkachel programmeert
de klok van de tijdschakelaar gelijk.
Direct inschakelen van de standkachel
Controleer voor het inschakelen van de
standkachel of:
- de knop van de temperatuurregeling in de stand "warme lucht" (rood) staat.
- de knop van de luchtopbrengstregeling in de stand 2 staat. Dit symbool of de eerder ingestelde tijd
en het voorkeuzenummer (bijv. 1) worden
gedurende 10 seconden weergegeven.
Opmerking: druk om de overige
voorkeuze-instellingen weer te geven binnen
10 seconden herhaaldelijk op de toets SET.
Druk op deze toets.
Het display wordt verlicht en het
pictogram verschijnt.
Druk binnen 10 seconden op een van de
twee toetsen voor het instellen van de tijd tot
de juiste tijd wordt weergegeven. Druk op ">" om de klok vooruit te
zetten of op "<" om de klok terug
te zetten.
Druk lang op de toets om de klok
sneller vooruit of terug te zetten.
Weergeven van de tijd
Druk op deze toets.
Het pictogram verschijnt
en gedurende ongeveer
10 seconden wordt de tijd
weergegeven. Druk op deze toets.
Het display wordt verlicht en het
pictogram verwarmingscyclus
verschijnt en wordt weergegeven
zolang de standkachel in werking is.
Uitgestelde inschakeling van de standkachel
Het inschakelen van de standkachel kan
tussen 1 minuut en 24 uur van tevoren
geprogrammeerd worden.
U kunt drie verschillende tijdschakelingen
opslaan en een uitgestelde inschakeling
programmeren.
Opmerking: wanneer u de standkachel
dagelijks op dezelfde tijd wilt inschakelen,
hoeft u alleen de opgeslagen tijdschakeling
elke dag opnieuw te programmeren.
Druk op deze toets om het
display te verlichten. Druk binnen 10 seconden op de
twee toetsen voor het instellen
van de tijd om de inschakeltijd in
te stellen.
De programmering wordt
opgeslagen als de inschakeltijd
en het voorkeuzenummer (bijv. 1)
verdwijnen en de verlichting van
het display wordt uitgeschakeld.

57
3
ERGONOMIE EN COMFORT
Ventilatie
Annuleren van de programmering
Druk kort op deze toets om een
geprogrammeerde inschakeltijd
te wissen.
De verlichting van het display
wordt uitgeschakeld en het
voorkeuzenummer (bijv. 1) verdwijnt.
Gebruiksvoorschrift
Gebruik om koolmonoxidevergiftiging
te voorkomen de standkachel nooit in
afgesloten ruimten zoals een garage of
werkplaats zonder afzuiginstallatie.
De standkachel wordt gevoed door brandstof
uit de brandstoftank van de auto. Controleer,
voordat u de standkachel programmeert of
inschakelt, of er nog voldoende brandstof in
de tank aanwezig is.
Schakel de standkachel bij het tanken
altijd uit om brand- en explosiegevaar te
voorkomen.
Parkeer om brandgevaar te voorkomen de
auto niet op een brandbare ondergrond
(dor gras, dode bladeren, papier...).
De temperatuur rondom de standkachel
mag niet hoger zijn dan 120°C. Een hogere
temperatuur (bijv. in een oven van een
spuiterij) kan het elektrische circuit van de
auto beschadigen.
De standkachel is voorzien van een
thermische beveiliging die in het geval
van oververhitting als gevolg van een
gebrek aan koelvloeistof de verbranding
onderbreekt.
Vul in dat geval koelvloeistof bij en druk
op de programmaselectieknop alvorens de
verwarming in te schakelen. Laat de standkachel ten minste 1 keer
per jaar aan het einde van de herfst
controleren. Onderhoud en reparaties
aan het systeem mogen alleen worden
uitgevoerd door het PEUGEOT-netwerk.
Gebruik uitsluitend originele
vervangingsonderdelen.
Oproepen van een programmering
Druk herhaaldelijk op deze toets
tot het voorkeuzenummer
(bijv. 2) van de gewenste
inschakeltijd verschijnt.
Na 10 seconden verdwijnt de tijd van het
display, dat echter blijft branden en het
voorkeuzenummer (bijv. 2) blijft weergeven.
Uitschakelen van de standkachel
Druk op deze toets.
Het pictogram verwarmingscyclus
verdwijnt en de verlichting van
het display gaat uit.
Twee verschillende functies
De standkachel is een afzonderlijk systeem
dat geprogrammeerd kan worden. Voordat
het interieur wordt opgewarmd, verwarmt
de standkachel geleidelijk de motor om
het starten te vergemakkelijken. Het
opwarmen van interieur en het ontdooien en
ontwasemen van de ruiten kan vervolgens
sneller plaatsvinden.
De extra verwarming is een systeem dat
een aanvulling is op de standaarduitrusting.
Het systeem kan onafhankelijk van de motor
werken. Het inschakelen van de verwarming
kan worden geprogrammeerd.

73
4
TECHNOLOGIE AAN BOORD
Mode
MODE
Configuratie - persoonlijke instellingen
Het bedieningspaneel aan de linkerzijde
van het stuurwiel (volgens uitvoering)
biedt u toegang tot de menu's waarin u de
persoonlijke instellingen van de uitrusting
van de auto kunt wijzigen.
U kunt kiezen uit zeven talen: Italiaans,
Engels, Duits, Frans, Spaans, Portugees en
Nederlands.
Om veiligheidsredenen kunnen sommige
menu's uitsluitend worden weergegeven bij
afgezet contact. Display 1 van het instrumentenpaneel
Als uw auto hiermee is uitgerust, heeft u
toegang tot de menu's 1 (Speed), 4 (Hour),
8 (Unit), 10 (Buzz), 13 (Bag P) en 14.
- omhoog te scrollen in een menu,
- een waarde te verhogen.
- omlaag te scrollen in een menu,
- een waarde te verlagen.
Display 2 van het instrumentenpaneel
Als uw auto hiermee is uitgerust, heeft u
toegang tot alle menu's.
Druk op de toets MODE om:
- menu's en submenu's weer te geven,
- een geselecteerde optie in een menu te bevestigen,
- menu's te verlaten.
Houd de toets ingedrukt om terug te
keren naar het beginscherm.
Druk op deze toets om:
Druk op deze toets om:

kmC I T Y
76
Parkeerhulp
PARKEERHULP ACHTER MET GELUIDSSIGNALEN
Dit systeem (volgens uitvoering) bestaat uit
vier parkeersensoren die zijn aangebracht in
de achterbumper.
Het systeem waarschuwt de bestuurder voor
elk obstakel (persoon, auto, boom, hek, …)
dat zich achter de auto bevindt.
Het waarschuwt u echter niet voor objecten
die zich direct onder de bumper bevinden.
Paaltjes, pionnen bij wegwerkzaamheden
of gelijksoortige voorwerpen worden
waargenomen bij aanvang van de
aanrijmanoeuvre, maar niet meer wanneer
de auto te dicht genaderd is. Inschakelen van de achteruitversnelling
Een geluidssignaal geeft de afstand tot het
obstakel aan. Hoe dichter de auto bij het
obstakel komt, hoe korter de tijd tussen de
geluidssignalen is.
Als de auto minder dan ongeveer
30 centimeter van het obstakel verwijderd is,
is het geluidssignaal continu hoorbaar.
De parkeerhulp is een hulpmiddel voor de
bestuurder die desondanks waakzaam moet
blijven en verantwoordelijk is.
Uitschakelen van de parkeerhulp
Zet de versnellingsbak in de neutraalstand.
Storing
Raadpleeg het
PEUGEOT-netwerk als dit
verklikkerlampje op het
instrumentenpaneel gaat branden. Indien uw auto is
voorzien van dit display,
verschijnt een melding.
Gebruiksvoorschrift
Zorg ervoor dat de sensoren in de winter of
bij slecht weer niet bedekt zijn met modder,
ijs of sneeuw.

79
4
TECHNOLOGIE AAN BOORD
Luchtvering
LUCHTVERING
Als uw auto is voorzien van luchtvering,
kunt u de hoogte van de wagenhoogte
achter wijzigen om het in- en uitladen te
vergemakkelijken.
Het bedieningspaneel bevindt zich op het
dashboard.
Naast de standaard wagenhoogte beschikt u
over 6 standen, omhoog (van +1 tot +3) en
omlaag (van -1 tot -3). De ingestelde stand
wordt aangegeven op het display van het
instrumentenpaneel.
Handmatig wijzigen van de wagenhoogte achter
Wagenhoogte achter
omhoog Druk op de schakelaar en laat de
schakelaar los om de beweging
te stoppen. Elke keer dat op de
schakelaar wordt gedrukt, wordt
de wagenhoogte achter één
stand verhoogd: +1 tot +3.
Wagenhoogte achter
omlaag
Druk op de schakelaar en laat de
schakelaar los om de beweging
te stoppen.
Elke keer dat op de schakelaar
wordt gedrukt, wordt de
wagenhoogte achter één stand
verlaagd: -1 tot -3. Terugkeren naar de optimale
wagenhoogte achter
Druk op de schakelaar "omhoog" (bij een lage
stand van de vering) of "omlaag" (bij een hoge
stand) tot de optimale stand is bereikt.
Verklikkerlampje
Raadpleeg in de rubriek 2 het gedeelte
"Cockpit".
Gebruiksvoorschrift
Het rijden met een te lage of te hoge
wagenhoogte kan schade aan de onderzijde
van de auto veroorzaken.
Gebruik dit systeem niet onder de volgende
omstandigheden:
- werkzaamheden onder de auto,
- het verwisselen van een wiel,
- vervoeren van de auto met een vrachtauto, trein, ferryboat, veerpont, ...

4
TECHNOLOGIE AAN BOORD
Autoradio
Scrollen
Selecteren
Weergave
Selecteren
Weergave
Selecteren
Weergave
Selecteren
Weergave
Functie
IGN TIME 20 MIN 00 MIN
Instellen van de duur van de werking van de autora dio nadat het
contact in de stand "STOP" is gezet:
- 20 MIN voor een werking van 20 minuten,
- 00 MIN voor het onmiddellijk uitschakelen van de autoradio.
Zet het contact in de stand "MAR" om de autoradio w eer te kunnen inschakelen.
NO HICUT HICUT ON Selecteren van de dynamische afzwakking van hoge t onen:
- ON voor ja,
- NO voor nee.
VOICE 22 21 ... OFF Selecteren van de instelling van het volume:
- 1 tot 40,
- OFF voor onderbreking van het geluid.
SVC OFF SVC LOW
SVC
HIGH
Selecteren van de automatische regeling van het
geluidsvolume afhankelijk van de wagensnelheid:
- LOW voor ja (lage gevoeligheid),
- HIGH voor ja (hoge gevoeligheid),
- OFF voor nee.
CD NAME
XYZ23ABC
ABCDEFG5 MENU
Selecteren en programmeren van de naam van de CD
(tijdens het afspelen) op het display:
- de eerder opgeslagen naam,
- 8 streepjes als de CD nog geen naam heeft.
Selecteer de letters met de 4 pijlen en sla ze op
met de
toets MENU.
Druk om de naam te wissen lang op de toets "CLR".
Als een CD in de
speler is geplaatst,
wordt dit menu
weergegeven. of
_ _ _ _ _
_ _ _

92
Mobiele telefoon met handsfree-functie
Voer wanneer de telefoon hierom verzoekt de
op het instrumentenpaneel weergegeven
PIN-code in.
Als het opslaan is gelukt, meldt het systeem
dat er verbinding wordt gemaakt.
A l s d e n a a m v a n d e g e ï d e n t i fi c e e r d e t e l e f o o n o p
het display verschijnt, is het opslaan bevestigd.
Blauw verklikkerlampje aan
"Settings" \ wacht tot het systeem
reageert \ "Pairing".
PIN-code
Opslaan/koppelen van een mobiele
telefoon
Om uw mobiele telefoon aan te sluiten op
het Bluetooth®-systeem van uw auto, moet
de telefoon worden gekoppeld.
Door uw mobiele telefoon op te slaan, wordt
deze voortaan onmiddellijk door het systeem
herkend.
MOBIELE TELEFOON MET HANDSFREE-FUNCTIE
Zorg dat het contact in de stand
MAR staat en activeer het
hoofdmenu.
Selecteer SETTINGS.
Bevestig.
Selecteer PAIRING.
Bevestig. Deze code, op basis waarvan
uw mobiele telefoon wordt
herkend, wordt willekeurig
door het systeem vastgesteld.
De code verschijnt op het instrumentenpaneel
en wordt door de spraaksynthese van het
systeem herhaald.
Deze PIN-code staat los van uw SIM-kaart en
de toegangscode van uw mobiele telefoon.
Het is niet nodig deze code na het invoeren te
onthouden of ergens te bewaren.
Wanneer u een andere telefoon in gebruik
neemt, dient u deze te koppelen met een
nieuwe door het systeem verstrekte PIN-code.
Zoek de optie die weergeeft dat
uw telefoon het Bluetooth®-
systeem heeft gedetecteerd.
A l s h e t s y s t e e m i s g e ï d e n t i fi c e e r d ,
verschijnt een melding op uw
telefoon (My car, ...).
Als het blauwe lampje brandt, geeft dit aan dat
de telefoon goed op het systeem is aangesloten.
Het is belangrijk om te wachten tot de
naam van de telefoon wordt weergegeven
.
Wanneer u de toets MAIN of ESC
tijdens het opslaan indrukt, loopt u het
risico dat de procedure wordt geannuleerd.
Als het opslaan mislukt, verschijnt een
foutmelding. Herhaal in dat geval de
procedure.
Raadpleeg voor meer informatie
over de stand MAR van het contact
het gedeelte "Starten en stoppen" in
rubriek 2.

104
ANTISPINREGELING (ASR) EN ELEKTRONISCH
STABILITEITSPROGRAMMA (ESP)
Deze systemen staan in verbinding met het
ABS en zijn hier een aanvulling op.
De ASR zorgt voor een optimale
overbrenging van de aandrijfkracht op de
weg, zodat wordt voorkomen dat u tijdens
het accelereren de controle over de auto
verliest.
Het systeem past de aandrijfkracht aan om
het doorspinnen van de wielen te voorkomen
via de remmen van de aangedreven wielen
en de motor. Het systeem zorgt ook voor
meer koersstabiliteit bij het accelereren.
Houd als het ESP is ingeschakeld in een
bocht het stuurwiel altijd in de gewenste
richting en stuur niet tegen. Het ESP-systeem grijpt automatisch in
via het remsysteem en de motor als de
koers van de auto afwijkt van de door de
bestuurder gewenste richting.
In bijzondere omstandigheden (als de auto
vastzit in de modder, sneeuw, in mulle
grond, ...) kan het nuttig zijn het ASR uit te
schakelen, zodat de wielen kunnen slippen
en weer grip kunnen krijgen.
Werking van het ASR- en ESP-systeem
Het lampje knippert tijdens een
ingreep van de ASR of het ESP.
Druk op deze toets.
Het lampje van de toets gaat branden: de
ASR heeft geen invloed meer op de werking
van de motor, maar blijft wel actief via het
remsysteem.
STORING
Bij een storing in de ASR
zal dit verklikkerlampje gaan
branden in combinatie met een
geluidssignaal en een melding op
het display.
Veiligheid tijdens het rijden