i
RIJDEN
109
SNELHEIDSREGELAAR
Met behulp van de snelheidsregelaar
kan de bestuurder met een constante
ingestelde snelheid rijden zonder gas te
hoeven geven.
Het inschakelen van de snelheidsre-
gelaar geschiedt handmatig waarbij de
ingestelde snelheid minimaal 40 km/h
dient te bedragen en:
- de vierde versnelling moet zijn inge- schakeld bij een handgeschakelde
versnellingsbak,
- de tweede versnelling moet zijn ingeschakeld bij rijden in de hand-
matige stand bij een automatische
transmissie,
- de stand D moet zijn geselecteerd
bij een automatische transmissie.
Het uitschakelen van de snelheidsrege-
laar geschiedt handmatig met de hendel,
door het rem- of koppelingspedaal in te
trappen of, om veiligheidsoverwegingen,
door activering van het ESP.
Door het gaspedaal in te trappen, kan
de ingestelde snelheid tijdelijk worden
overschreden.
Na het afzetten van het contact worden
alle ingestelde snelheden gewist. Om
weer terug te keren naar de ingestelde
snelheid is het voldoende het gaspe-
daal los te laten.
Bij het gebruik van de snelheidsrege-
laar moet de bestuurder te allen tijde de
snelheidslimiet in acht nemen, zijn aan-
dacht op het verkeer blijven vestigen en
zijn verantwoordelijkheid nemen. De bediening van de snelheidsregelaar
is ondergebracht in de hendel
A .
1. Knop voor het selecteren van de
snelheidsregelaar
2. Toets voor het verlagen van de
ingestelde snelheid
3. Toets voor het verhogen van de
ingestelde snelheid
4. Toets voor het in-/uitschakelen van
de snelheidsregelaar De informatie van de snelheidsregelaar
wordt weergegeven op het display van
het instrumentenpaneel.
5. Snelheidsregelaar AAN/UIT
6. Snelheidsregelaar geselecteerd
7. Ingestelde snelheid
Stuurkolomschakelaars Weergave op het display
Bij het gebruik van de snelheidsre-
gelaar moet de bestuurder te allen
tijde de snelheidslimiet in acht ne-
men, zijn aandacht op het verkeer
blijven vestigen en zijn verantwoor-
delijkheid nemen.
Aanbevolen wordt de voeten altijd
dichtbij de pedalen te houden.